Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-05-27
ECLI:NL:GHAMS:2025:2442
Strafrecht
Hoger beroep
7,055 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002585-22
datum uitspraak: 27 mei 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 29 september 2022 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-059585-22 (hierna: zaak A) en 15-197924-22 (hierna: zaak B), alsmede 15-148695-20 (TUL A), 15-212901-19 (TUL B) en 15-253542-21 (TUL C), tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 mei 2023 en 13 mei 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlasteleggingen
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
Zaak A
1.hij op of omstreeks 8 maart 2022 te Beverwijk opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een voertuig (Canta), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
2.hij op of omstreeks 8 maart 2022 te Beverwijk [benadeelde partij 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die die [benadeelde partij 1] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
Zaak B
1.hij op of omstreeks 7 augustus 2022 te Alkmaar opzettelijk een ambtenaar, te weten arrestantenwacht [benadeelde partij 2] in het cellencomplex van het politiebureau Alkmaar, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, heeft beledigd, door naar, althans in de richting van het gezicht, althans het hoofd van voornoemde arrestantenwacht [benadeelde partij 2] te spugen (waarbij speeksel op het gezicht en/of het hoofd en/of de kleding en/of de arm van voornoemde [benadeelde partij 2] terecht is gekomen), althans door een gebaar van gelijke beledigende aard en/of strekking te maken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Bewijsoverweging met betrekking tot zaak A
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Door de verdediging is betoogd dat de verklaring van de getuige [getuige] onbetrouwbaar is, omdat de getuige bij de raadsheer-commissaris op belangrijke onderdelen anders heeft verklaard ten opzichte van de verklaring die zij heeft afgelegd bij de politie. Naast de verklaring van deze getuige zijn er geen andere bewijsmiddelen die de aangifte ondersteunen.
Het hof is van oordeel dat kan worden uitgegaan van de verklaring die de getuige [getuige] onmiddellijk na het incident bij de politie heeft afgelegd. Het hof ziet in de omstandigheid dat zij twee jaar na dato bij de raadsheer-commissaris met betrekking tot het signalement van de verdachte anders heeft verklaard, geen aanleiding om haar eerste verklaring bij de politie in twijfel te trekken. Het hof vindt naast de verklaring van de getuige [getuige] steun van betrokkenheid van de verdachte bij de ten laste gelegde feiten in hetgeen de aangever [benadeelde partij 1] heeft verklaard. Hierbij betrekt het hof dat de aangever [benadeelde partij 1] en de getuige [getuige] – in haar eerste verklaring – een specifiek signalement hebben gegeven, dat de verdachte toen hij korte tijd later, in de directe omgeving van het incident, door de politie is aangetroffen aan dit signalement voldeed, alsmede dat hij een wond had bij zijn rechterpols en onder invloed was van alcohol.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak A
1.hij op 8 maart 2022 te Beverwijk opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een voertuig (Canta), die aan een ander toebehoorde heeft vernield.
2.hij op 8 maart 2022 te Beverwijk [benadeelde partij 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [benadeelde partij 1] dreigend de woorden toe te voegen “Ik maak je dood”.
Zaak B
1.hij op 7 augustus 2022 te Alkmaar opzettelijk een ambtenaar, te weten arrestantenwacht [benadeelde partij 2] in het cellencomplex van het politiebureau Alkmaar, gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, heeft beledigd, door in het gezicht van voornoemde arrestantenwacht [benadeelde partij 2] te spugen.
Hetgeen in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.
Het in zaak A onder 2 bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Het in zaak B bewezenverklaarde levert op:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder 1 en 2 en zaak B bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling en ambulante begeleiding gesteld.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder 1 en 2 en B tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen waarvan 43 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar.
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep subsidiair verzocht een straf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest. Meer subsidiair heeft zij verzocht een taakstraf op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 (zeventien) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 150,00 (honderdvijftig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het in zaak A onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 150,00 (honderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 8 maart 2022.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het in zaak B bewezenverklaarde tot het bedrag van € 200,00 (tweehonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het in zaak B bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 200,00 (tweehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 4 (vier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 7 augustus 2022.
Beveelt in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 27 oktober 2020 met parketnummer 15-148695-20, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren, een
taakstraf voor de duur van 90 (negentig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het arrondissementsparket Noord-Holland van 10 mei 2022, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 25 november 2019, parketnummer 15-212901-19, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van één maand.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het arrondissementsparket Noord-Holland van 10 mei 2022, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 13 december 2021, parketnummer 15-253542-21, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van één maand.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.W.T. Klappe, mr. N.R.A. Meerbeek en mr. A.R.O. Mooy, in tegenwoordigheid van mr. C.E. Dongelmans, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 mei 2025.
De jongste raadsheer en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vernieling van een autoruit door met zijn hand op die ruit te slaan. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij door zijn handelen inbreuk heeft gemaakt op het eigendom van een ander en de benadeelde financiële schade en overlast heeft berokkend.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht door tegen hetzelfde slachtoffer “ik maak je dood” te roepen. Bedreiging is een ernstig feit dat bij het slachtoffer en in de maatschappij gevoelens van onveiligheid en onrust veroorzaakt.
De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan belediging van een politieambtenaar tijdens de uitoefening van diens functie door hem in zijn gezicht te spugen. Door aldus te handelen heeft de verdachte een voor die politieambtenaar zeer onsmakelijke en onhygiënische situatie geschapen. Daarnaast heeft de verdachte niet alleen de eer en fysieke integriteit van de betrokken ambtenaar aangetast, maar ook inbreuk gemaakt op diens gezag.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 29 april 2025 is de verdachte meermalen eerder voor soortgelijke feiten onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt.
Gelet op het voorgaande en op de straffen die ter zake van soortgelijke delicten worden uitgesproken, acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf op zijn plaats. Het hof houdt echter rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen. De verdachte heeft een eigen woning en draagt de gedeeltelijke zorg voor zijn dochter. Daarnaast is de verdachte nagenoeg gestopt met het drinken van alcohol, voert hij gesprekken met een psycholoog en zal de schuldhulpverlening volgende maand worden beëindigd, omdat de schuldenproblematiek verholpen is. Het hof heeft tevens acht geslagen op het reclasseringsadvies van Fivoor van 6 mei 2025, waaruit volgt dat de huidige situatie als de meest haalbare situatie wordt gezien. Een langer reclasseringstraject zal niet bijdragen aan verdere afname van het recidive risico. De reclassering adviseert aldus een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Dit alles brengt het hof ertoe een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest. Daarnaast acht het hof een taakstraf voor de duur van 35 uren passend en geboden.
Er is echter aanzienlijk veel tijd verstreken sinds de bewezenverklaarde feiten. Gelet bovendien op het tijdsverloop vanaf de aanvang van deze strafzaak tot de huidige behandeling in hoger beroep dient bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf ook rekening te worden gehouden met het recht op berechting binnen een redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld op 29 september 2022 en het hof wijst arrest op 27 mei 2025, dat betreft dus een overschrijding van ongeveer acht maanden in hoger beroep.
Op grond van het voorgaande zal het hof de op te leggen taakstraf matigen tot de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis.
Anders dan de advocaat-generaal acht het hof het niet nodig dat aan de op te leggen straffen een voorwaardelijk strafdeel met een proeftijd wordt verbonden, nu de verdachte reeds drie jaar in een schorsingstoezicht heeft gelopen, zich goed aan die voorwaarden heeft gehouden en de reclassering hiertoe evenmin heeft geadviseerd.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.150,00, bestaande uit € 150,00 aan materiële schade en
€ 1.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 450,00, bestaande uit € 150,00 aan materiële schade en € 300,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 450,00, met de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en vermeerderd met de wettelijke rente.
De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel dat deze moet worden afgewezen en subsidiair dat de vordering bij toewijzing dient te worden gematigd, omdat deze onvoldoende is onderbouwd.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van de materiële schade van € 150,00 gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Ten aanzien van de vordering tot immateriële schadevergoeding, die ziet op de bedreiging, overweegt het hof het volgende.
De wet geeft slechts in bepaalde gevallen recht op vergoeding van immateriële schade, zoals geregeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Als – voor zover hier van belang – bij een benadeelde partij geen sprake is van lichamelijk letsel of van schade in zijn eer of goede naam, dient de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in zijn persoon te zijn aangetast, wil zij aanspraak kunnen maken op vergoeding van immateriële schade. Van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Voor het aannemen van een persoonsaantasting is niet voldoende dat sprake is geweest van meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Nu bij de benadeelde partij geen sprake is van lichamelijk letsel of van aantasting in zijn eer of goede naam, dient voor toewijzing van de vordering vastgesteld te worden dat de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast.
De benadeelde partij heeft ter onderbouwing van zijn vordering gesteld dat hij na het incident nergens meer alleen naar toe durfde te gaan en zich door (één van) zijn ouders liet wegbrengen en ophalen.
Hetgeen de benadeelde partij heeft gesteld, is ontoereikend om te kunnen spreken van een aantasting van de persoon ‘op andere wijze’.
Inleiding
Zo heeft hij niet voldoende concrete feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit het bestaan van geestelijk letsel kan worden afgeleid. Evenmin doet zich hier een situatie voor waarin reeds uit de aard en de ernst van de normaantasting en de gevolgen daarvan volgt dat van een aantasting ‘op andere wijze’ sprake is.
Uit het voorgaande volgt dat een wettelijke grondslag voor de gevorderde immateriële schadevergoeding ontbreekt, zodat de vordering tot immateriële schade moet worden afgewezen.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 350,00, bestaande uit immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 200,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen, met de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en vermeerderd met de wettelijke rente.
De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de vordering bij een toewijzing dient te worden gematigd.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van de belediging – het spugen in zijn gezicht – rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Door het bewezenverklaarde feit is de benadeelde partij immers in zijn eer en goede naam aangetast. Om die reden heeft hij een aanspraak op immateriële schadevergoeding (artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek). Het hof zal de omvang van deze schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar billijkheid schatten op € 200,00, waarbij het grievende karakter van de belediging die de benadeelde partij is aangedaan, de onhygiënische en onsmakelijke aard van het spugen, alsook op de vergoedingen die in soortgelijke gevallen zijn toegekend, in aanmerking zijn genomen. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen tot dat bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente.
Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 57, 63, 266, 267, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Vordering tenuitvoerlegging (TUL A)
Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 27 oktober 2020 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep toewijzing van de vordering en omzetting van de ten uitvoer te leggen gevangenisstraf in een taakstraf voor de duur van 90 uren subsidiair 45 dagen hechtenis gevorderd.
De raadsvrouw heeft primair om afwijzing dan wel verlenging van de proeftijd verzocht en subsidiair om het omzetten van de gevangenisstraf in een taakstraf.
Het hof overweegt als volgt.
Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.
Het hof ziet, op grond van hetgeen omtrent de verdachte bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht, aanleiding om de tenuitvoerlegging de vrijheidsstraf om te zetten in een taakstraf van hierna te melden duur.
Vordering tenuitvoerlegging (TUL B)
Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 25 november 2019 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van
één maand. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de vordering van de tenuitvoerlegging af te wijzen.
De raadsvrouw heeft primair om afwijzing dan wel verlenging van de proeftijd verzocht en subsidiair om het omzetten van de gevangenisstraf in een taakstraf.
Het hof acht termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.
Vordering tenuitvoerlegging (TUL C)
Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 13 december 2021 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van
één maand. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de vordering van de tenuitvoerlegging af te wijzen.
De raadsvrouw heeft primair om afwijzing dan wel verlenging van de proeftijd verzocht en subsidiair om het omzetten van de gevangenisstraf in een taakstraf.
Het hof acht termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.