Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-01-30
ECLI:NL:GHAMS:2025:242
Strafrecht
Hoger beroep
1,788 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000482-24
datum uitspraak: 30 januari 2025
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 13 februari 2024 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-303749-23 en 15-314724-22, alsmede 15-095737-22 (TUL) tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970,
adres: [adres 1].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
16 januari 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging, in zoverre wordt het vonnis vernietigd.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg is opgelegd.
De raadsman heeft het hof in het kader van de strafmaat verzocht om aan de verdachte – gelet op de positieve ontwikkelingen in zijn persoonlijke omstandigheden – geen gevangenisstraf maar een taakstraf op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal en het in vereniging stelen van een tas met inhoud. Daarmee heeft hij inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht en schade en hinder aan anderen toegebracht.
In het nadeel van de verdachte houdt het hof er rekening mee dat hij, zoals blijkt uit een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 31 december 2024, eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld ter zake van hoofdzakelijk winkeldiefstallen. Gelet daarop zou in deze zaak in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van enige duur – zoals door de politierechter in eerste aanleg ook is opgelegd – gerechtvaardigd zijn.
In strafmatigende zin houdt het hof echter rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die door zijn raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. De verdachte heeft zich onttrokken aan de ‘gebruikersscène’ in Alkmaar, verblijft nu met zijn vriendin in [adres 2] en is op dit moment clean. Dat de verdachte zich in rustiger vaarwater bevindt, vindt bevestiging in voornoemd uittreksel uit de Justitiële Documentatie, waaruit volgt dat de verdachte recent niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen.
Het hof is, met de verdediging, van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de prille positieve ontwikkelingen zal doorkruisen, hetgeen het hof onwenselijk acht. Het is mede in het belang van de maatschappij dat de verdachte daadwerkelijk een positieve wending aan zijn leven weet te geven, omdat daarmee het gevaar op herhaling van het plegen van soortgelijke misdrijven wordt beperkt. Het hof ziet daarom aanleiding om ten voordele van de verdachte af te wijken van de door de rechtbank opgelegde straf en acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Vordering tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de rechtbank
Noord-Holland van 8 november 2022 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van
twee weken. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging wordt toegewezen.
De raadsman heeft het hof ter terechtzitting verzocht om de voorwaardelijke gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf.
Het hof overweegt als volgt.
Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Voor de effectiviteit en de geloofwaardigheid van de regeling omtrent voorwaardelijke straffen en de daarbij behorende algemene (en bijzondere) voorwaarden, is essentieel dat overtreding van deze voorwaarden niet vrijblijvend is en dat daaraan in beginsel gevolgen worden verbonden. Dat dient ook in deze zaak te geschieden. De vordering zal dan ook worden toegewezen. In de actuele persoonlijke situatie van de verdachte ziet het hof evenwel aanleiding om, in plaats van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, een taakstraf te gelasten van na te melden duur.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.
Beveelt in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 8 november 2022 met parketnummer
15-095737-22, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 2 (twee) weken hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.A.C. Koster, mr. N. van der Wijngaart en mr. V.J.M. Goldschmeding, in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
30 januari 2025.
mr. D.A.C. Koster en mr. V.J.M. Goldschmeding zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.