Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-09-10
ECLI:NL:GHAMS:2025:2371
Strafrecht
Hoger beroep
1,815 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003118-21
datum uitspraak: 10 september 2025
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 19 november 2021 in de strafzaak onder parketnummer 15-226423-21 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 augustus 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf -in zoverre zal het vonnis worden vernietigd- en met dien verstande dat het hof de bewijsoverweging van de politierechter aanvult.
Aanvullende bewijsoverweging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat de herkenningen van de verbalisanten onvoldoende betrouwbaar zijn, omdat de camerabeelden van onvoldoende kwaliteit zijn om een herkenning van de verdachte op te kunnen baseren. De raadsman heeft het hof daarom verzocht na te gaan welke specifieke en onderscheidende kenmerken het hof kan waarnemen op de bewegende beelden.
Het hof verenigt zich met de bewijsoverweging van de politierechter en overweegt in aanvulling daarop het volgende.
De herkenning van een persoon is veelal een ‘holistisch’ proces, waarbij in de regel de zichtbare (gezichts)kenmerken zullen bijdragen aan de herkenning. Het hof heeft de bewegende beelden, die zich in het dossier bevinden, bekeken. Deze beelden geven geen aanleiding om de bevindingen van de verbalisanten, die de verdachte herkennen, in twijfel te trekken. De beelden zijn van voldoende kwaliteit om daarop een herkenning te baseren. De verbalisanten noemen voorts concrete kenmerken op basis waarvan zij de verdachte herkennen en zijn vanuit hun werk al eerder bekend met de verdachte. Het standpunt van de verdediging dat het hof elk van de genoemde kenmerken moet kunnen verifiëren aan de hand van de beelden en de herkenningen anders als onvoldoende betrouwbaar terzijde zou moeten schuiven, volgt het hof niet.
Het hof verwerpt dan ook het verweer en acht de herkenningen door de verbalisanten betrouwbaar.
Oplegging van straffen
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de politierechter is opgelegd, waarbij rekening is gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
De raadsman heeft verzocht bij een bewezenverklaring een taakstraf op te leggen en voor zover zich het taakstrafverbod voordoet een dag gevangenisstraf daarbij op te leggen. Het gaat om een oud feit. De overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep dient tot strafvermindering te leiden. Er is geen sprake van recidive en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is van toepassing.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal in vereniging met braak van pallets met een aanzienlijke waarde. Dit is een hinderlijk feit, dat voor het getroffen bedrijf schade en overlast heeft opgeleverd. Door zijn handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van anderen.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 augustus 2025 is hij niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld. Het hof constateert dat artikel 63 Sr van toepassing is, omdat aan de verdachte na het onderhavige feit meerdere straffen zijn opgelegd. Het hof weegt dit mee in de op te leggen straf.
Het hof acht in beginsel een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 80 uren passend.
Het hof houdt echter in strafmatigende zin rekening met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De verdachte heeft immers op 23 november 2021 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof thans arrest wijst. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep overschreden met ongeveer 1 jaar en 10 maanden, hetgeen niet aan de verdachte is te wijten.
Het hof acht daarom, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 60 uren passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. Stalenhoef, mr. J.L. Bruinsma en mr. M.J. Dubelaar, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 september 2025.
De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=
===
[…]