Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-03-24
ECLI:NL:GHAMS:2025:2098
Strafrecht
Hoger beroep
6,807 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002595-22
datum uitspraak: 24 maart 2025
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 21 september 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-157180-22 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,
adres: [adres 1] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 maart 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
1. primairhij op of omstreeks 24 juni 2022 te Amsterdam aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een blijvend ontsierend litteken op het voorhoofd, heeft toegebracht door die [benadeelde] (met kracht) met een metalen honkbalknuppel, althans een hard voorwerp, tegen het hoofd te slaan;
1. subsidiairhij op of omstreeks 24 juni 2022 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [benadeelde] (met kracht) met een honkbalknuppel tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
1. meer subsidiairhij op of omstreeks 24 juni 2022 te Amsterdam [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] met een honkbalknuppel tegen het hoofd te slaan.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep verduidelijking gegeven over de vordering wijziging tenlastelegging welke is gehecht aan de aantekening van het mondeling vonnis, waarin de pleegdatum onjuist staat vermeld. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie een wijziging van de tenlastelegging gevorderd en daarbij mondeling toegelicht dat de datum veranderd diende te worden naar 24 juni 2022. Vervolgens lijkt per abuis de onjuiste vordering wijziging tenlastelegging de rechtbank te zijn overgelegd. De advocaat-generaal heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat de tenlastegelegde pleegdatum inderdaad 24 juni 2022 dient te zijn. De raadsvrouw van de verdachte heeft ten aanzien hiervan geen opmerkingen gemaakt.
Het hof zal de tenlastelegging verbeterd lezen in die zin dat de daarin opgenomen pleegdatum – zoals hierboven reeds is weergegeven – 24 juni 2022 betreft. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter.
Overweging met betrekking tot het bewijs
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan de verdachte tenlastegelegde primaire feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van (poging tot) zware mishandeling. Daartoe heeft zij onder andere aangevoerd dat niet uitgesloten kan worden dat het letsel door iemand anders dan de verdachte is toegebracht. De belastende verklaring van de getuige [getuige] moet worden uitgesloten van het bewijs nu hij als de dader ene ‘ [benadeelde] ’ - niet zijnde de verdachte - heeft omschreven, [getuige] een vriend is van de aangever en door hem zal zijn omgekocht (met drugs) of gemanipuleerd. Voorts kan het letsel niet worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Daarnaast heeft de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Over het pleidooi merkt het hof nog op dat de raadsvrouw heeft aangegeven namens haar cliënt diens verklaring bij de politierechter in te trekken. Nadat de voorzitter de raadsvrouw had meegedeeld dat dat zo niet kan, heeft de raadsvrouw haar standpunt aangepast in dier voege dat haar cliënt niet bij die verklaring blijft.
Het hof overweegt als volgt.
Geen zwaar lichamelijk letsel
Het hof stelt voorop dat in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht is omschreven wat wordt verstaan onder zwaar lichamelijk letsel. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid.
De verdachte heeft met een ijzeren knuppel tegen de het hoofd van de aangever geslagen, waardoor de aangever letsel heeft opgelopen, te weten een hoofdwond van 5 centimeter op het voorhoofd. Ten gevolge hiervan heeft de aangever een litteken in het aangezicht. De aangever heeft dit litteken ter terechtzitting aan het hof getoond.
Het hof is van oordeel dat het letsel van de aangever niet aangemerkt kan worden als zwaar lichamelijk letsel, als bedoeld in artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht. Daartoe overweegt het hof dat weliswaar is gebleken dat het hechten van de wond noodzakelijk was voor het stoppen van het bloeden, maar deze omstandigheden acht het hof niet voldoende ernstig voor de kwalificatie “zwaar lichamelijk letsel”. Daarbij acht het hof van belang dat de wond volledig is hersteld en dat de verdachte geen langdurige klachten aan de verwonding heeft overgehouden. Dat een litteken op de bovenkant van aangevers hoofd is achtergebleven, is akelig, maar ook deze omstandigheid acht het hof onvoldoende om tot een andere conclusie te komen, nu het hof ter terechtzitting heeft waargenomen dat het litteken weinig opvallend is. Ten overvloede overweegt het hof nog dat de aangever in eerste instantie medische hulp, die ter plaatse was, heeft afgeslagen en niet duidelijk is of deze omstandigheid van invloed is geweest op de vorming van het litteken.
Op grond van het vorengaande is het hof dan ook, anders dan de advocaat-generaal, en met de raadsvrouw van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.
Poging tot zware mishandeling
Het hof stelt op grond van de verklaringen van de aangever, de verdachte en de getuige en daarnaast de letselverklaring vast dat de verdachte op 24 juni 2024 met een ijzeren honkbalknuppel tegen het hoofd van de aangever heeft geslagen. De aangever had direct pijn op zijn hoofd en er stroomde bloed van zijn hoofd. Het hof ziet geen enkele aanleiding om de verklaring van de verdachte, als afgelegd bij de politierechter, niet voor het bewijs te gebruiken.
Door de aangever met een ijzeren knuppel tegen het hoofd te slaan, heeft de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij de aangever zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Naar algemene ervaringsregels roept het slaan met een ijzeren honkbalknuppel tegen het hoofd van een slachtoffer de aanmerkelijke kans in het leven dat dat slachtoffer zwaar lichamelijk letsel oploopt. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een vitaal en potentieel kwetsbaar deel van het menselijk lichaam is. Het met zodanige kracht met een ijzeren honkbalknuppel slaan dat genoemde verwonding ontstond is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat hieruit volgt dat de verdachte die aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 90 (negentig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.753,99 (duizend zevenhonderddrieënvijftig euro en negenennegentig cent) bestaande uit € 3,99 (drie euro en negenennegentig cent) materiële schade en € 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.753,99 (duizend zevenhonderddrieënvijftig euro en negenennegentig cent) bestaande uit € 3,99 (drie euro en negenennegentig cent) materiële schade en € 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 27 (zevenentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 24 juni 2022.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. L.I.M. van Bergen en mr. R. van der Heijden, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Vermeijden en R.S. Toornvliet, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 maart 2025.
Inleiding
Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat de verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken.
Wat betreft het verweer van de raadsvrouw met betrekking tot de betrouwbaarheid van het proces-verbaal van het verhoor van getuige [getuige] , oordeelt het hof dat de beschrijving van ' [benadeelde] ' een kennelijke verschrijving betreft door de verbalisanten. Het hof acht het evident dat hier een beschrijving werd gegeven van de verdachte ' [verdachte] '. De suggestie van de raadsvrouw dat deze getuige – kort gezegd – zou zijn bewerkt door de aangever moet elke basis in het dossier ontberen en wordt derhalve terzijde gesteld.
De overige door de verdediging gevoerde verweren worden weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.
Op grond van het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 24 juni 2022 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [benadeelde] met kracht met een honkbalknuppel tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Het hof acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen en grondt zijn overtuiging dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de volgende bewijsmiddelen zijn vervat:
1. Een proces-verbaal van aangifte van 24 juni 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (doorgenummerde pagina’s 3 en 4).
Dit proces-verbaal houdt in onder meer in als verklaring van [benadeelde], zakelijk weergegeven:
Ik doe aangifte van mishandeling. Ik heb niemand het recht of toestemming gegeven mij pijn en/of letsel toe te brengen.
Ik zag dat [verdachte] een slaande beweging maakte met de knuppel richting mijn hoofd. Ik voelde dat mijn hoofd werd geraakt door de knuppel. Als gevolg hiervan voelde ik direct pijn op mijn hoofd. Ik voelde vervolgens met mijn handen op de plek op mijn hoofd waar ik geslagen was. Ik voelde dat mijn vingers nat werden. Ik zag vervolgens ook dat dat er bloed van mijn hoofd naar beneden stroomde op mijn lichaam.
2. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 24 juni 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (doorgenummerde pagina’s 7 en 8).
Dit proces-verbaal houdt in onder meer in als verklaring van [getuige], zakelijk weergegeven:
Op vrijdag 24 juni 2022, bevond ik me op de [adres 2] te Amsterdam, omstreeks 00.10 uur lag ik in mijn eigen caravan. Ik hoorde geschreeuw en keek naar buiten. Ik zag dat [benadeelde] voor mijn caravan liep. Ik zag dat voor hem een negroïde man stond.
Voordat ik het wist zag ik dat de negroïde [het hof begrijpt: man], genaamd [verdachte] , [benadeelde] met een ijzeren honkbalknuppel met een harde klap op zijn gezicht sloeg. Ik zag dat [benadeelde] direct bloed op zijn gezicht had.
3. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 21 september 2022.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik heb geslagen met een honkbalknuppel. De knuppel kwam op zijn [het hof begrijpt: [benadeelde] ’] hoofd terecht.
Er ontstond een schermutseling. Op het moment dat [benadeelde] en ik buiten beeld verdwijnen heb ik uitgehaald.
4. Een geschrift, zijnde een brief van het OLVG Spoedeisende Hulp van 24 juni 2022, opgemaakt door [naam], betreffende [benadeelde] (bijgevoegd als bijlage 5 aan de vordering van de benadeelde partij).
Deze brief houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Betreft: Dhr. [benadeelde]
Lichamelijk onderzoek:
Hoofd
Inspectie: Rechts frontaal 3cm van haargrens, wond van 5cm lengte met wijkende wondranden, diepte tot in subcutis.
Wond gesloten met 6-tal hechtingen.
De hiervoor vermelde bewijsmiddelen, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering betreft, zijn telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:
poging tot zware mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Het scenario dat door de verdachte is geschetst, is – kort gezegd – dat hij eerst werd aangevallen door de aangever met de brandblusser en daarmee in zijn gezicht werd gespoten.
Het hof overweegt hierover als volgt.
Voor een beroep op noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Van een dergelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding.
Voor de beoordeling van het verweer acht het hof de volgende feiten en omstandigheden van belang. Uit de beelden die zich in het dossier bevinden, blijkt dat de verdachte een ruzie heeft met de aangever. Daarbij is te zien en te horen dat de verdachte hard schreeuwend rondloopt in de buurt van de caravan van de aangever. Hij heeft daarbij een langwerpig voorwerp in zijn handen, dat sterke gelijkenis vertoond met een honkbalknuppel. Op enig moment pakt de verdachte met zijn andere hand een brandblusser en spuit hiermee op het raam van de caravan van de vrouw die het incident aan het filmen is. Vervolgens slaat de verdachte met de honkbalknuppel in op de motor van de aangever. De verdachte heeft een zeer agressieve houding en het hof is van oordeel dat deze gedragingen een duidelijk aanvallend karakter hebben. Uit de verklaringen van de aangever en de verdachte blijkt voorts dat de aangever hierna met een brandblusser richting de verdachte loopt en daarmee spuit en de verdachte met de honkbalknuppel tegen het hoofd van de aangever slaat. Hoewel onder omstandigheden het spuiten met een brandblusser in het gezicht een verdedigende reactie zou kunnen rechtvaardigen, kan de reactie van de verdachte in dit geval niet als zodanig worden aangemerkt. Gelet op de agressieve handelingen en houding van de verdachte in de aanloop en de excessieve aard van de handeling zelf moet het uithalen met de ijzeren honkbalknuppel naar het hoofd van de aangever – naar de kern bezien – als aanvallend worden aangemerkt. Het door de verdediging gevoerde verweer wordt daarom verworpen.
De raadsvrouw heeft in dit kader tevens naar voren gebracht dat de aangever, voorafgaand aan het incident met de verdachte, mevrouw [naam] op onrechtmatige wijze uit haar woning heeft getrokken. Voor zover de raadsvrouw naar voren heeft willen brengen dat de verdachte heeft gehandeld ter verdediging van mevrouw [naam], is het hof van oordeel dat dit – voor zover het heeft plaatsgevonden – in een te ver verwijderd verband staat van het latere geweldsincident.
Inleiding
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 200 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
De raadsvrouw heeft het hof in het kader van de strafoplegging verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en hem geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De verdachte is sinds juni 2024 niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen. Daarnaast is de verdachte als gevolg van het incident zijn woonruimte kwijtgeraakt.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich op het stadsnomadenkamp schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door het slachtoffer met een ijzeren honkbalknuppel tegen zijn hoofd te slaan. Het slachtoffer heeft als gevolg hiervan een hoofdwond opgelopen, welke moest worden gehecht in het ziekenhuis. Hij heeft gedurende een tijd pijnklachten ervaren en een litteken op zijn voorhoofd opgelopen. De verdachte heeft aldus ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daarnaast brengt een dergelijk incident gevoelens van angst en onveiligheid teweeg bij het slachtoffer en bij personen die daarvan getuige zijn geweest.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 februari 2025 is hij eerder ten aanzien van geweldsdelicten onherroepelijk veroordeeld.
Het hof heeft verder gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Deze straffen hebben hun weerslag gevonden in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. In die oriëntatiepunten wordt voor zware mishandeling met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden als uitgangspunt genoemd. Nu het in dit geval een poging betreft, in combinatie met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, ziet het hof ruimte en aanleiding de straf te matigen en een deel daarvan in voorwaardelijke vorm op te leggen.
Het hof heeft wat betreft de persoon van de verdachte voorts kennisgenomen van een reclasseringsadvies van het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering van 13 september 2022. Daaruit is onder meer gebleken dat de verdachte geen problemen ervaart waarvoor interventies ingezet dienen te worden ter voorkoming van recidive, zoals op het gebied van middelengebruik en psychische gesteldheid.
Gelet op het voorgaande, is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, zoals door de politierechter is opgelegd, in beginsel passend is. Het hof stelt echter vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens in de hoger beroep-fase is overschreden. Daarom zal het hof in plaats van gevangenisstraf van 7 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, een gevangenisstraf voor de duur van 200 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, opleggen.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.503,99, bestaande uit € 3,99 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van
€ 1.253,99. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel moet worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsvrouw heeft verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaring met betrekking tot de materiële schade en immateriële schade, dan wel de vordering af te wijzen, gelet op de bepleite vrijspraak en de posten onvoldoende zijn onderbouwd.
Het hof overweegt als volgt.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 3,99 (te weten de reiskosten naar het ziekenhuis). De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Immateriële schade
Artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek brengt, voor zover voor de beoordeling van belang, mee dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, nu hij lichamelijk letsel heeft bekomen.
Het hof zal de vordering wat betreft de immateriële schade toewijzen tot een bedrag van € 1.750,00, waarbij het hof acht heeft geslagen op de aard van het op de benadeelde partij uitgeoefende geweld en de gevolgen die hij daarvan heeft ondervonden. Ook heeft het hof bij de begroting van het bedrag aan immateriële schade gekeken naar de bedragen die in soortgelijke gevallen in eerdere rechterlijke beslissingen zijn toegekend. Door het onrechtmatige handelen van de verdachte heeft het slachtoffer lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van een litteken op het hoofd. Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.