Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-03-24
ECLI:NL:GHAMS:2025:2095
Strafrecht
Hoger beroep
3,396 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001453-24
datum uitspraak: 24 maart 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 12 juni 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-125432-23 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1977,
(post)adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 maart 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 18 mei 2023 te Amsterdam, althans in Nederland, zijn levensgezel, [slachtoffer], heeft mishandeld door die [slachtoffer] - bij haar keel (met kracht) te grijpen en/of vast te pakken en/of
- eenmaal of meerdere malen bij haar wang, althans gezicht, te slaan en/of
- eenmaal of meerdere malen bij haar arm te slaan, althans het lichaam;
2.hij op of omstreeks 18 mei 2023 te Amsterdam, althans in Nederland, [slachtoffer], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door: ''Als ik terugkom dan maak ik haar af!'' en/of ''Ik vermoord je''.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter.
Bewijsoverweging
Ten aanzien van feit 1
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van zijn levensgezel.
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit. Daartoe heeft zij ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat het dossier onvoldoende wettig bewijs bevat, omdat de verklaringen van aangeefster onbetrouwbaar zijn. Haar verhaal is onsamenhangend en op basis daarvan kan niet eenduidig worden vastgesteld wat er precies gebeurd is. Bovendien kan de verklaring van de buurvrouw niet dienen als steunbewijs, omdat haar persoonsgegevens, anders dan haar voornaam, onbekend zijn gebleven. Ook blijkt uit de processen-verbaal niet duidelijk op welke datum en welke verdachte haar verklaringen betrekking hebben.
Het hof overweegt als volgt.
Op 18 mei 2023 heeft de buurvrouw van de aangeefster 112 gebeld, omdat zij geschreeuw en gebonk hoorde uit de woning van de aangeefster. De buurvrouw heeft de aangeefster ‘auw’, ‘stop’ en ‘blijf van mijn nek af’ horen roepen. Ook heeft de buurvrouw klappen gehoord. De aangeefster heeft ten overstaan van de ter plaatse gekomen politie verklaard dat de verdachte haar met kracht bij haar keel heeft gegrepen en heeft geslagen. De ter plaatse gekomen politie heeft bij de aangeefster een rode plek (lichte wond), net boven haar rechter wenkbrauw waargenomen.
Duidelijk is dat de aangeefster kort na de melding een verwarde indruk maakte en dat zij op twee verschillende momenten verklaringen heeft afgelegd die niet één op één gelijk zijn, vooral met betrekking tot de tijdlijn en de duiding van haar relatie met de verdachte. Wel heeft zij – in de kern beschouwd – steeds hetzelfde verklaard over de door de verdachte verrichte geweldshandelingen. Dat deel van de verklaringen vindt ook steun in de verklaring van de buurvrouw. De buurvrouw, die 112 heeft gebeld, heeft zeer specifiek verklaard wat zij gehoord heeft. Het hof acht daarbij van belang dat de buurvrouw haar bevindingen, in het bijzonder het horen van ‘blijf van mijn nek af’, al tijdens de 112-melding heeft doorgegeven. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verklaringen van de buurvrouw en de aangeefster elkaar versterken, betrouwbaar zijn en voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Dat van de buurvrouw onvoldoende persoonsgegevens bekend zouden zijn, doet aan het hiervoor overwogene niets af. Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is immers voldoende duidelijk welke buurvrouw het betreft en haar identiteit zou bovendien via de 112-melding kunnen worden achterhaald. Ten slotte blijkt naar het oordeel van het hof uit het dossier voldoende op welk incident en om welke datum de verklaringen van de buurvrouw betrekking hebben.
Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de aangeefster op de pleegdatum niet als levensgezel van de verdachte kon worden beschouwd in de zin van artikel 304 van het Wetboek van Strafrecht. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om vast te kunnen stellen dat de verdachte en de aangeefster een zodanig nauwe persoonlijke betrekking hadden dat deze kan worden vergeleken met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners. De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het bestanddeel ‘levensgezel’.
Ten aanzien van feit 2
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet is komen vast te staan dat de woorden die de verdachte heeft geuit, daadwerkelijk de aangeefster hebben bereikt.
Het hof is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezenverklaard kan worden de bedreiging die de verdachte rechtstreeks tegen de aangeefster heeft geuit. Het hof overweegt daartoe dat de verklaring van de aangeefster, die het hof als betrouwbaar beschouwt, wordt ondersteund door de geverbaliseerde agressieve houding van de verdachte tijdens de aanhouding en de daarbij ten overstaan van de verbalisanten geuite bedreiging richting de aangeefster. Daartoe is eveneens van belang dat het hof ter zitting heeft kunnen vaststellen dat de verdachte de Nederlandse taal redelijk beheerst.
Met de politierechter is het hof van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de (dreigende) bewoordingen die verdachte ten tijde van zijn aanhouding ten overstaan van de verbalisanten heeft geuit (‘als ik terugkom, maak ik haar af’). Alhoewel deze laatste teksten zeker bedreigend van aard zijn, is niet vastgesteld dat zij de aangeefster hebben bereikt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.hij op 18 mei 2023 te Amsterdam, [slachtoffer], heeft mishandeld door die [slachtoffer]
- bij haar keel met kracht te grijpen en
- meerdere malen op haar wang te slaan en
- meerdere malen op haar arm te slaan.
2.hij op 18 mei 2023 te Amsterdam, [slachtoffer], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door tegen haar te zeggen: ''Ik vermoord je''.
Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 90 (negentig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. L.I.M. van Bergen en mr. R. van der Heijden, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Vermeijden en R.S. Toornvliet, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 maart 2025.
Inleiding
De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken met een proeftijd van twee jaren.
De raadsvrouw heeft het hof bij de strafoplegging verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden en de gezondheidsklachten van de verdachte en zij heeft verzocht om in ieder geval geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling en bedreiging van het slachtoffer, een vrouw waar de verdachte een affectieve relatie mee had. De verdachte heeft daarmee inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en haar lichamelijke integriteit aangetast, op een plek waar zij zich veilig moet kunnen voelen, haar woning. Daarnaast heeft hij gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer teweeg gebracht en haar flinke pijn bezorgd.
Het hof heeft acht geslagen op het de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 februari 2025, waaruit volgt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens een soortgelijk delict. Kennelijk heeft de verdachte geen lering getrokken uit deze eerdere veroordeling. Dit maakt dat de in eerste aanleg opgelegde straf alleszins begrijpelijk is.
Toch zal het hof tot een andere strafoplegging komen. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals door de verdediging en de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd, aanleiding om hiervan af te wijken. De verdachte leeft op straat en is druk bezig zijn leven weer op rit te krijgen. Hij is aangemeld bij het Buurtteam. De verdachte heeft te kennen gegeven dat hij gemotiveerd is om een taakstraf uit te voeren. De taakstraf geeft de verdachte een dagbesteding.
Om de verdachte zijn ingezette weg niet te blokkeren, zal het hof een taakstraf opleggen. Daarnaast zal het hof een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, om de verdachte ervan te weerhouden om wederom soortgelijke feiten te plegen.
Anders dan de verdediging, ziet het hof geen noodzaak om een reclasseringsrapportage te laten opmaken. Het hof acht zich voldoende voorgelicht tot een oordeel om te komen in de onderhavige zaak.
Alles afwegend, acht het hof een taakstraf voor de duur van 90 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.