Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-05-02
ECLI:NL:GHAMS:2025:2076
Strafrecht
Hoger beroep
2,163 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000557-24
datum uitspraak: 2 mei 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 29 februari 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-291717-22 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1985,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 april 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
zij op of omstreeks 1 april 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- ongeveer 21,92 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of
- 12 tabletten en/of 13,64 gram kristallen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevatten MDMA, zijnde cocaïne en/of MDMA, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moet worden in de vervolging. Volgens de raadsvrouw mag het openbaar ministerie de verdachte op grond van het gelijkheidsbeginsel niet verder vervolgen, omdat het openbaar ministerie op 26 maart 2025 heeft besloten om de zaak van de medeverdachte [medeverdachte] te seponeren. Het verder vervolgen van de verdachte is volgens de raadsvrouw onbegrijpelijk omdat [medeverdachte] een grotere rol in deze zaak heeft gespeeld dan de verdachte.
De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat geen sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel. Het openbaar ministerie heeft op basis van het opportuniteitsbeginsel de bevoegdheid om te beslissen over vervolging. Dat de zaak van [medeverdachte] is geseponeerd heeft geen consequenties voor de zaak van de verdachte. Die sepotbeslissing was nog niet genomen op het moment dat de beslissing werd genomen om de verdachte te vervolgen.
Het hof overweegt als volgt.
Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, is het hof van oordeel dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden. Artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) geeft het openbaar ministerie de bevoegdheid zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. Deze beslissing leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in het hoger beroep op de grond dat het instellen van het hoger beroep onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, waaronder ook het gelijkheidsbeginsel. Dat het openbaar ministerie heeft gekozen de zaak van de medeverdachte [medeverdachte] te seponeren brengt naar het oordeel van het hof niet met zich dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Daarbij betrekt het hof dat het openbaar ministerie de sepotbeslissing in de zaak van [medeverdachte] heeft genomen omdat pas op 26 maart 2025 het proces-verbaal bij de officier van justitie is binnengekomen en de zaak te oud werd gevonden om vervolging in te stellen. Die omstandigheid doet zich niet voor in de zaak van de verdachte omdat in deze zaak wel tijdig is beslist om tot vervolging over te gaan, de rechtbank inmiddels een beslissing heeft genomen en het hoger beroep op 26 maart 2025 aanhangig was.
Vrijspraak
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.
De raadsvrouw heeft bepleit dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim ex artikel 359a, eerste lid, Sv omdat de aangeleverde zakken waarin de in beslag genomen middelen verpakt zaten, beschadigd waren. Alle zakken waren immers gescheurd en met plakband weer dichtgeplakt. Om die reden kan van geen enkel aangetroffen item worden gezegd dat vaststaat dat daarvan de integriteit niet geschonden zal zijn. Dit is kort gezegd een onherstelbaar vormverzuim dat moet leiden tot bewijsuitsluiting omdat het recht op een eerlijk proces van cliënt is geschonden. Nu het laboratoriumrapport moet worden uitgesloten van het bewijs, heeft de raadsvrouw geconcludeerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken omdat er zonder het laboratoriumrapport onvoldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt vast dat in de handtas van de verdachte een zwarte zak met daarin meerdere sealbags met daarin kristallen, wit poeder en een doosje met twee pillen is aangetroffen. Op 1 april 2022 zijn de goederen uit de zwarte zak in beslag genomen en in plastic waardezakken geplaatst ten behoeve van het onderzoek. In het laboratoriumrapport van 9 juli 2022 heeft de forensisch expert als disclaimer vermeld dat alle items in beschadigde waardezakken waren aangeleverd. De beschadigingen betroffen met
plakband dichtgeplakte sneden van 6,5 cm (6169252), 6,5 cm (6169255), 10,0 cm (6169256), 8,0 cm (6169258) en 8,0 cm (6169268). Door aanlevering in een beschadigde waardezak is, aldus de forensisch expert, de integriteit van de items mogelijk geschonden.
Het hof is van oordeel dat door de beschadigingen van de waardezakken niet kan worden gegarandeerd dat de forensisch expert de in beslag genomen kristallen, poeder en pillen heeft onderzocht. Uit het dossier blijkt niet waardoor, wanneer en waar de sneden in de waardezakken zijn ontstaan en waarom die zijn dichtgeplakt met plakband, zodat het hof deze ontbrekende informatie niet kan betrekken bij de waardering van de mogelijke integriteitsschending. Naar het oordeel van het hof is sprake van een bij het voorbereidend onderzoek begaan onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a, eerste lid, Sv. Het gevolg hiervan moet in dit geval zijn dat de resultaten van het laboratoriumrapport van 9 juli 2022 niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs.
Onderzoek waaruit onomstotelijk kan worden afgeleid dat het in beslag genomen materiaal middelen bevat als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, ontbreekt. Het hof overweegt dat aannemelijk is dat de bij de aanhouding aangetroffen kristallen, poeder en pillen verboden middelen bevatten, gelet op de omstandigheden waaronder deze zijn aangetroffen (kort na een (vermoedelijke) drugsdeal). Dat neemt niet weg dat een betrouwbaar onderzoek, waarbij op zorgvuldige wijze is omgegaan met in beslag genomen goederen, ontbreekt. Het hof komt daarom, alles afwegende, tot het oordeel dat het bewijs om tot een bewezenverklaring te komen, onvoldoende is. De verdachte zal worden vrijgesproken.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.T.C. de Vries, mr. A.P.M. van Rijn en mr. H.A. Stalenhoef, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Fritsche, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 mei 2025.
mr. M.T.C. de Vries en mr. M.S. Fritsche zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.