Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-06-24
ECLI:NL:GHAMS:2025:1601
Civiel recht
Hoger beroep
4,775 tokens
Dictum
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.346.522/01 GDW
nummer eerste aanleg : C/13/734978 / DW RK 23/201
Dictum
inzake
[appellant] ,
gerechtsdeurwaarder te [plaats 1] ,
appellant,
gemachtigde: mr. J.J.M. Saelman, advocaat te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. P.H. de Bruin, advocaat te Bleiswijk.
Partijen worden hierna de gerechtsdeurwaarder en klager genoemd.
1De zaak in het kort
De gerechtsdeurwaarder is belast geweest met de tenuitvoerlegging van twee gerechtelijke uitspraken, waarbij klager achtereenvolgens is veroordeeld tot de betaling van proceskosten en alimentatie. In dit kader heeft de gerechtsdeurwaarder een aantal ambtshandelingen verricht. Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij a) fouten heeft gemaakt bij het leggen van het loonbeslag, b) betalingen van klager heeft genegeerd en c) de alimentatiebeschikking verkeerd heeft uitgelegd.
Procesverloop
2.1.
De gerechtsdeurwaarder heeft op 2 oktober 2024 een beroepschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 3 september 2024 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (ECLI:NL:TGDKG:2024:98).
2.2.
Klager heeft op 13 december 2024 een verweerschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend.
2.3.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
2.4.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 10 april 2025. De gerechtsdeurwaarder, vergezeld van zijn gemachtigde, en de gemachtigde van klager zijn verschenen. Allen hebben het woord gevoerd; de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota. Klager is niet verschenen.
Feiten
Het hof verwijst naar de feiten die de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling daarvan geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat. Waar nodig aangevuld met andere feiten die zijn komen vast te staan, zijn die feiten de volgende.
3.1.
Bij arrest van het gerechtshof te Den Haag van 15 februari 2022 is klager veroordeeld tot het betalen van proceskosten ten bedrage van € 2.228,-.
3.2.
Bij exploot van 15 maart 2022 heeft de gerechtsdeurwaarder het arrest van 15 februari 2022 aan klager betekend met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen.
3.3.
Op 31 maart 2022 heeft de gerechtsdeurwaarder ten laste van klager executoriaal derdenbeslag gelegd onder de werkgever van klager.
3.4.
Bij e-mail van 4 april 2022 heeft klager betaalbewijzen aan de gerechtsdeurwaarder gestuurd waaruit blijkt dat hij, naast zijn alimentatieverplichtingen over de maanden februari, maart en april 2022, op 5 en 31 maart 2022 een bedrag van € 700,- aan proceskosten heeft overgemaakt op de bankrekening van de opdrachtgeefster van de gerechtsdeurwaarder. Naar aanleiding hiervan heeft klager aan de gerechtsdeurwaarder geschreven, voor zover relevant: “Nu het duidelijk is geworden dat ik al een bedrag van € 1.400,00 voor de proceskostenveroordeling heb overgemaakt naar de bankrekening van mevrouw [hof: naam ex-echtgenote], verzoek ik u vriendelijk doch dringend binnen 2 dagen af te zien van uw plannen voor beslaglegging op mijn loon.”
3.5.
Bij e-mail van 6 april 2022 heeft een medewerker van het gerechtsdeurwaarderskantoor klager bericht dat zij zijn betalingen had doorgegeven aan haar opdrachtgeefster en dat de advocate van haar opdrachtgeefster daarop als volgt had gereageerd:
“Het klopt, dat de heer [naam klager] recent wel maandelijks de alimentatie heeft betaald. In de maanden november en december 2021 heeft hij echter geen alimentatie betaald, terwijl hij voor die maanden 680 euro per maand had moeten betalen. Voor de maand januari jl. had hij een bedrag van 692 euro moeten betalen, maar betaalde hij slechts 666,90 euro.
Met de 2 betalingen door de heer [naam klager] van 700 euro heeft hij die achterstand dus ingelost en heeft hij - als ik goed reken - een bedrag van 14,90 euro betaald op de proceskostenvergoeding. Dat bedrag mag in mindering worden gebracht op de proceskostenvergoeding.”
3.6.
Op 13 april 2022 heeft klager per e-mail aan (de medewerker van) de gerechtsdeurwaarder het volgende bericht, voor zover relevant: “In mijn e-mail van 4 april jl. heb ik u geïnformeerd dat ik al op 31 maart jl. weer een bedrag van € 700,- (voor proceskosten veroordeling) heb overgemaakt op de bankrekening van mevrouw [naam ex-echtgenote]. Het stortingsbewijs was als bijlage bij de e-mail toegevoegd. Het resterende bedrag van € 828,- (voor proceskosten veroordeling) heb ik vandaag overgemaakt op de bankrekeningen van mevrouw [naam ex-echtgenote]. Het stortingsbewijs voeg ik als bijlage bij deze e-mail toe.
Nu het duidelijk is geworden dat ik het volledige bedrag van € 2.228,- binnen een acceptabele termijn heb overgemaakt naar de bankrekening van mevrouw [naam ex-echtgenote], verzoek ik u vriendelijk doch dringend onmiddellijk af te zien van uw plannen van beslaglegging op mijn loon.
Nogmaals, voor alle duidelijkheid betreffen de in deze e-mail genoemde bedragen niet alimentatiebedragen.
En het arrest van 15 februari 2022 kan uw opdrachtgever niet gebruiken voor andere doel dan waarvoor het bedoeld is
.”
3.7.
In een beschikking van het gerechtshof te Den Haag van 4 mei 2022 is een beslissing genomen over de alimentatieverplichting van klager.
3.8.
Bij e-mail van 7 mei 2022 heeft klager een klacht bij het gerechtsdeurwaarderskantoor ingediend. Naar aanleiding hiervan heeft een jurist van het kantoor van de gerechtsdeurwaarder bij e-mail van 1 juni 2022 aan klager, onder meer, het volgende bericht:
“Op 4 april 2022 heeft u diverse betaalbewijzen toegezonden waaruit zou blijken dat u reeds tot betaling van het verschuldigde bedrag was overgegaan. De door u gedane betalingen werden ontvangen zonder specifiek betalingskenmerk, reden waarom betalingen werden verrekend met openstaande partneralimentatie (…)”;
En verder: “Het dossier heeft betrekking op het arrest van 15 februari 2022. Er lopen echter meer procedures c.q. betalingsverplichtingen tussen u en onze cliënte. De door u gedane betalingen zijn ontvangen maar door cliënte afgeboekt op andere (naar de mening van cliënte) openstaande vorderingen. U meent dat er geen openstaande vorderingen zijn. Partijen verschillen dan ook van mening over wat er – over en weer – verschuldigd is (…)”;
En verder: “Wij begrijpen dat [lees: het feit dat] – ondanks uw betalingen – toch wordt overgegaan tot betekening en uiteindelijk beslag zeer vervelend voor u is. Dit is echter een inhoudelijke discussie waar een gerechtsdeurwaarder geen rol in heeft; een gerechtsdeurwaarder is gehouden aan zijn ministerieplicht. Er dient dan een executiegeschil te worden opgestart te worden.”
3.9.
Op 26 juli 2022 heeft de gerechtsdeurwaarder aan klager per e-mail, onder meer, het volgende bericht:
“In bovenvermelde zaak hebben wij op 31 maart jl. beslag op uw inkomen gelegd. Dit exploot had bij deurwaardersexploot aan u overhandigd (overbetekend) moeten worden maar dit is helaas niet gebeurd.Wij zijn thans genoodzaakt het beslag op te heffen en de heden door ons ontvangen gelden aan u terug te storten. Hierna zal het beslag wel opnieuw gelegd moeten worden en aan u overbetekend worden. Uw werkgever zal alsdan verzocht worden de gelden in te houden en aan ons over te maken.
Voor het terugstorten van de gelden ontvangen wij graag uw IBAN (…)”
3.10.
Klager heeft op 31 augustus 2022 de op grond van het beslag van 31 maart 2022 ingehouden en aan de gerechtsdeurwaarder afgedragen bedragen teruggestort gekregen. Op 1 september 2022 heeft de gerechtsdeurwaarder opnieuw executoriaal derdenbeslag gelegd onder de werkgever van klager.
3.11.
Bij exploot van 13 september 2022 is de beschikking van 4 mei 2022 aan klager betekend met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen.
3.12.
Op 27 september 2022 is op grond van de beschikking van 4 mei 2022 executoriaal derdenbeslag gelegd onder de werkgever van klager.
3.13.
Bij e-mail van 25 januari 2023 heeft de gemachtigde van klager bezwaar gemaakt tegen de gelegde loonbeslagen.
4De klacht
Klager beklaagt zich er samengevat over dat de gerechtsdeurwaarder:
a. a) pas bijna vier maanden na het gelegde loonbeslag van 31 maart 2022, te weten op 26 juli 2022, heeft erkend dat er een fout is gemaakt en
a bis) daarna te lang heeft gewacht met het terugstorten van de toegezegde bedragen;
b) betalingen van klager heeft genegeerd en vervolgens opnieuw beslag heeft gelegd op 1 september 2022;
c) op 27 september 2022 op grond van de beschikking van 4 mei 2022 beslag heeft gelegd, zonder duidelijkheid te verschaffen over de werkzaamheden in beide dossiers;
d) het bericht van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) met betrekking tot verrekening heeft genegeerd;
e) de beschikking van 4 mei 2022 op het punt van de te betalen alimentatiebedragen en de ingangsdatum van de alimentatieplicht verkeerd heeft uitgelegd.
Beoordeling
5.1.
De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager gegrond verklaard. De kamer heeft aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping opgelegd. Daarnaast heeft de kamer de gerechtsdeurwaarder veroordeeld tot betaling aan klager van een bedrag van € 50,- aan griffierecht en € 350,- aan proceskosten alsmede tot betaling van € 1.500,- in verband met de kosten van de behandeling van de klacht door de kamer, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden.
Klachtonderdeel a en a bis: fout bij de overbetekening en te lang wachten met terugstorten.
5.2.
Het hof stelt vast dat uit het inleidend klaagschrift blijkt dat klager ook heeft geklaagd over het feit dat de gerechtsdeurwaarder nadat hij op 26 juli 2022 had geconstateerd dat er een fout was gemaakt bij het leggen van het loonbeslag, te lang heeft gewacht met het terugstorten van het ten onrechte geïncasseerde bedrag aan klager. De kamer heeft dit klachtonderdeel abusievelijk onbesproken gelaten. Het hof zal dit verzuim herstellen.
5.3.
De kamer heeft over klachtonderdeel a overwogen dat een beslag op grond van artikel 475i van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) binnen acht dagen aan de geëxecuteerde dient te worden overbetekend. De gerechtsdeurwaarder heeft erkend dat hij heeft verzuimd om het op 31 maart 2022 gelegde beslag aan klager over te betekenen. Dat de gerechtsdeurwaarder het beslag heeft opgeheven nadat hij zijn omissie had geconstateerd, maakt dit niet anders. De klacht is daarmee terecht voorgesteld.
5.4.
Het hof sluit zich bij deze overwegingen van de kamer aan en maakt die tot de zijne. In hoger beroep heeft de gerechtsdeurwaarder als verweer aangevoerd dat de fout zeer waarschijnlijk is ontstaan nadat klager naar het kantoor van de gerechtsdeurwaarder gebeld had met de mededeling dat hij al betaald had. Klager wist dus al dat er beslag was gelegd en waarvoor het beslag was gelegd. Om voor klager geen onnodige kosten te maken is het dossier op het kantoor van de gerechtsdeurwaarder uit roulatie gehaald. Omdat klager niet in zijn belangen is geschaad is de fout niet tuchtrechtelijk laakbaar, aldus de gerechtsdeurwaarder. Het hof verwerpt dit verweer. De gerechtsdeurwaarder heeft de op hem rustende wettelijke verplichting van artikel 475i Rv geschonden en daarmee staat de tuchtrechtelijke laakbaarheid in beginsel vast. Dat de gerechtsdeurwaarder, aldus zijn verklaring, in het belang van klager het beslag niet alsnog heeft overbetekend doet aan de verwijtbaarheid niets af. Dat geldt temeer, omdat klager het niet eens was met het beslag en hij in het beslagexploot zou hebben kunnen zien hoe de berekening van het verschuldigde was samengesteld.
5.5.
Het hof is van oordeel dat de klacht dat de gerechtsdeurwaarder vervolgens te lang heeft gewacht met het terugstorten van de ten onrechte geïncasseerde bedragen eveneens gegrond is. Nadat de gerechtsdeurwaarder op 26 juli 2022 had geconstateerd dat het loonbeslag abusievelijk niet was overbetekend had hij direct, overeenkomstig zijn toezegging aan klager (vgl. 3.9.), de geïnde bedragen moeten terugstorten. Dat hij dit pas ruim een maand later (op 31 augustus 2022) heeft gedaan kan hem tuchtrechtelijk worden verweten.
Klachtonderdeel b: de gerechtsdeurwaarder heeft de betalingen van klager genegeerd.
5.6.
Anders dan de kamer is het hof van oordeel dat deze klacht niet terecht is. Uit het dossier blijkt dat klager op 5 maart en 31 maart 2022 tweemaal een (ongespecificeerd) bedrag van € 700,- en op 13 april 2022 een (ongespecificeerd) bedrag had overgemaakt op de rekening van de opdrachtgeefster van de gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder heeft de betaling van deze bedragen ook aan zijn opdrachtgeefster doorgegeven. Van het negeren van betalingen is naar het oordeel van het hof dan ook geen sprake. De advocate van de opdrachtgeefster van de gerechtsdeurwaarder heeft blijkens de onder 3.5. genoemde overgelegde productie deze bedragen vervolgens afgeboekt als betaling van (vermeend) achterstallige alimentatieverplichtingen en niet als een betaling van de verschuldigde proceskosten. De gerechtsdeurwaarder heeft dit ook aan klager medegedeeld. Dat klager het niet eens was met de wijze waarop de opdrachtgeefster van de gerechtsdeurwaarder zijn betalingen had verwerkt, omdat er discussie bestond over de hoogte en de verschuldigdheid van de gestelde (achterstallige) alimentatieverplichting, kan de gerechtsdeurwaarder niet worden aangerekend. Het is niet aan de gerechtsdeurwaarder om zich inhoudelijk uit te laten over de gegrondheid van een gestelde vordering. Het hof is, anders dan de kamer, van oordeel dat de gerechtsdeurwaarder heeft gedaan wat in redelijkheid van hem, als goed handelend gerechtsdeurwaarder, mocht worden verwacht. Klachtonderdeel b is ongegrond.
Klachtonderdeel c: de gerechtsdeurwaarder heeft geen duidelijkheid verschaft over de werkzaamheden in beide dossiers.
5.7.
De gerechtsdeurwaarder heeft op basis van twee verschillende titels beslagen gelegd ten laste van klager. Uit hoofde van het arrest van 15 februari 2022 heeft de gerechtsdeurwaarder op 31 maart 2022 executoriaal derdenbeslag gelegd. In verband met het feit dat dit loonbeslag abusievelijk niet was overbetekend is op 1 september 2022 op basis van dezelfde titel opnieuw beslag gelegd. Op basis van de beschikking van 4 mei 2022 heeft de gerechtsdeurwaarder vervolgens op 27 september 2022 een tweede executoriaal derdenbeslag gelegd. Uit de overgelegde beslagexploten van beide beslagen blijkt op basis van welke titel het desbetreffende beslag is gelegd. Daarmee heeft de gerechtsdeurwaarder bij de uitvoering van zijn taak voldoende duidelijkheid verschaft. Anders dan de kamer is het hof van oordeel dat deze klacht ongegrond is.
Klachtonderdeel d: de gerechtsdeurwaarder heeft het bericht van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) genegeerd.
5.8.
Klager heeft twee verklaringen van het LBIO overgelegd. In de eerste verklaring van 11 maart 2022 staat, voor zover relevant: “Uw ex partner heeft aangegeven de bodemprocedure even af te wachten. Het lbio maakt dus even pas op de plaats”. In een brief van 22 maart 2022 van het LBIO gericht aan klager staat, voor zover relevant: “Wij nemen de inning van de partneralimentatie niet over, omdat door mevrouw [hof: naam ex-echtgenote] op 21 maart 2022 het LBIO is verzocht de zaak te sluiten”. Het hof is van oordeel dat, anders dan door klager wordt gesteld, hieruit niet blijkt dat het LBIO heeft verklaard af te zien van de tenuitvoerlegging van de alimentatiebeschikkingen omdat klager een vordering op zijn ex-echtgenote zou hebben waarmee hij zijn alimentatieverplichting zou kunnen verrekenen. Uit de overgelegde stukken van het LBIO blijkt slechts dat het LBIO heeft verklaard dat de ex-echtgenote van klager de inning van de partneralimentatie heeft teruggenomen. Naar het oordeel van het hof was de gerechtsdeurwaarder niet gehouden om met deze verklaringen iets te doen. Het hof is daarom, anders dan de kamer, van oordeel dat klachtonderdeel d ongegrond is.
Klachtonderdeel e: de gerechtsdeurwaarder heeft de beschikking van 4 mei 2022 verkeerd uitgelegd.
5.9.
In de beschikking van 4 mei 2022 heeft het gerechtshof Den Haag de hoogte van de alimentatie van klager met ingang van 22 januari 2021 vastgesteld op € 424,- per maand. In het exploot van 13 september 2022 heeft de gerechtsdeurwaarder op basis van informatie van zijn opdrachtgeefster klager echter aangeschreven voor een hoger (onjuist) bedrag. Het hof is van oordeel dat hij daarmee tuchtrechtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Conclusie
5.12.
Het voorgaande leidt ertoe dat de beslissing van de kamer op de klachtonderdelen b, c en d niet in stand kan blijven. Het hof zal de beslissing van de kamer daarom vernietigen wat betreft de gegrondheid van deze klachtonderdelen en voor het overige bevestigen. Het hof zal daarnaast klachtonderdeel a bis gegrond verklaren.
Dictum
Het hof:
- vernietigt de bestreden beslissing wat betreft de klachtonderdelen b, c en d;
en, in zoverre opnieuw beslissende:
- verklaart de klachtonderdelen b, c en d ongegrond;
- verklaart klachtonderdeel a bis gegrond;
- bevestigt de bestreden beslissing voor het overige.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2025 door de rolraadsheer.