Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-05-22
ECLI:NL:GHAMS:2025:1543
Strafrecht
Hoger beroep
3,104 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002431-21
datum uitspraak: 22 mei 2025
TEGENSPRAAK (na aanhouding niet verschenen)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 augustus 2021 in de strafzaak onder de parketnummers 13-234358-20 en 13-741259-16 (TUL) tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 mei 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit om die reden bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande dat het hof de bewijsoverweging als volgt aanvult.
Aanvulling bewijsoverweging
Het hof heeft zich afgevraagd of er redenen zijn om te twijfelen aan de herkenning van de verdachte door de drie verbalisanten. Om die reden heeft het hof de van de verdachte beschikbare foto’s in het dossier en specifiek de voor de herkenning gebruikte foto’s in het dossier bekeken en tegen elkaar afgezet, en heeft het de bewegende beelden bekeken waarvan de foto’s van de vermeende dader in het witte T-shirt afkomstig zijn. Hierin heeft het hof geen enkele aanwijzing gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de herkenningen.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 51 dagen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de aanranding van een passerende vrouw op straat, door haar in de billen te knijpen. Toen zij hem vervolgens duwde gaf hij haar een vuistslag in het gezicht. Een andere vrouw die getuige was van deze aanranding, hielp de vrouw en probeerde een foto te maken van de verdachte. Hierna kreeg ook deze vrouw te maken met agressie aan de kant van de verdachte, want hij sloeg tegen haar hand, waarna zij de telefoon in het gezicht geslagen kreeg. Met zijn handelen heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van de twee slachtoffers aangetast en gevoelens van onrust en onveiligheid op straat versterkt, ook bij anderen dan bij de slachtoffers.
Het hof slaat net als de rechtbank acht op het Uittreksel uit de Justitiële Documentatie van de verdachte. Daaruit blijkt dat hij in de jaren voorafgaand aan onderhavige feiten vaker is veroordeeld voor strafbare feiten. Dat weegt het hof in zijn nadeel mee.
Omdat de verdachte in hoger beroep zonder opgave van redenen niet is verschenen, heeft het hof geen beeld gekregen van zijn huidige persoonlijke omstandigheden, zodat daar in strafmatigende zin geen rekening mee kan worden gehouden.
Het enkele tijdsverloop sinds de strafbare feiten is voor het hof tot slot, mede gelet op de ernst van het feitencomplex, geen reden om alsnog af te zien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Met een andere strafsoort of strafmodaliteit kan niet worden volstaan.
Het hof acht, alles afwegende, in beginsel de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand passend en geboden.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde waarborg strekt ertoe om te voorkomen dat een verdachte onnodig lang onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
De behandeling van de zaak in hoger beroep is niet afgerond met een einduitspraak binnen 24 maanden na aanvang van de redelijke termijn op 18 augustus 2021; er is sprake van een forse overschrijding met ongeveer 21 maanden.
Nu de redelijke termijn in de fase van hoger beroep is overschreden, zal het hof deze overschrijding verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat de op te leggen gevangenisstraf zal worden gematigd met 1 week en het hof aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken oplegt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 246 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. M.T.C. de Vries en mr. P.K. van Riemsdijk, in tegenwoordigheid van mr. S.K. van Eck, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 mei 2025.
mr. P.K. van Riemsdijk is niet in de gelegenheid dit arrest mede te ondertekenen.
[…]
INLEIDING ===
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002431-21
datum uitspraak: 22 mei 2025
TEGENSPRAAK (na aanhouding niet verschenen)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 augustus 2021 in de strafzaak onder de parketnummers 13-234358-20 en 13-741259-16 (TUL) tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 mei 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit om die reden bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande dat het hof de bewijsoverweging als volgt aanvult.
Aanvulling bewijsoverweging
Het hof heeft zich afgevraagd of er redenen zijn om te twijfelen aan de herkenning van de verdachte door de drie verbalisanten. Om die reden heeft het hof de van de verdachte beschikbare foto’s in het dossier en specifiek de voor de herkenning gebruikte foto’s in het dossier bekeken en tegen elkaar afgezet, en heeft het de bewegende beelden bekeken waarvan de foto’s van de vermeende dader in het witte T-shirt afkomstig zijn. Hierin heeft het hof geen enkele aanwijzing gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de herkenningen.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 51 dagen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de aanranding van een passerende vrouw op straat, door haar in de billen te knijpen. Toen zij hem vervolgens duwde gaf hij haar een vuistslag in het gezicht. Een andere vrouw die getuige was van deze aanranding, hielp de vrouw en probeerde een foto te maken van de verdachte. Hierna kreeg ook deze vrouw te maken met agressie aan de kant van de verdachte, want hij sloeg tegen haar hand, waarna zij de telefoon in het gezicht geslagen kreeg. Met zijn handelen heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van de twee slachtoffers aangetast en gevoelens van onrust en onveiligheid op straat versterkt, ook bij anderen dan bij de slachtoffers.
Het hof slaat net als de rechtbank acht op het Uittreksel uit de Justitiële Documentatie van de verdachte. Daaruit blijkt dat hij in de jaren voorafgaand aan onderhavige feiten vaker is veroordeeld voor strafbare feiten. Dat weegt het hof in zijn nadeel mee.
Omdat de verdachte in hoger beroep zonder opgave van redenen niet is verschenen, heeft het hof geen beeld gekregen van zijn huidige persoonlijke omstandigheden, zodat daar in strafmatigende zin geen rekening mee kan worden gehouden.
Het enkele tijdsverloop sinds de strafbare feiten is voor het hof tot slot, mede gelet op de ernst van het feitencomplex, geen reden om alsnog af te zien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Met een andere strafsoort of strafmodaliteit kan niet worden volstaan.
Het hof acht, alles afwegende, in beginsel de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand passend en geboden.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde waarborg strekt ertoe om te voorkomen dat een verdachte onnodig lang onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
De behandeling van de zaak in hoger beroep is niet afgerond met een einduitspraak binnen 24 maanden na aanvang van de redelijke termijn op 18 augustus 2021; er is sprake van een forse overschrijding met ongeveer 21 maanden.
Nu de redelijke termijn in de fase van hoger beroep is overschreden, zal het hof deze overschrijding verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat de op te leggen gevangenisstraf zal worden gematigd met 1 week en het hof aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken oplegt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 246 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. M.T.C. de Vries en mr. P.K. van Riemsdijk, in tegenwoordigheid van mr. S.K. van Eck, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 mei 2025.
mr. P.K. van Riemsdijk is niet in de gelegenheid dit arrest mede te ondertekenen.
=
===
[…]