Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-06-10
ECLI:NL:GHAMS:2025:1517
Civiel recht
Hoger beroep
2,896 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team 1
zaaknummer: 200.316.539/01
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 juni 2025
inzake
[appellant] ,
wonende te [plaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. O.J. Hennis te Amsterdam,
tegen
1STICHTING QUBA,
gevestigd te Amsterdam,
2. [geïntimeerde 1] ,
wonend te [plaats 2] ,
3. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [plaats 1]
geïntimeerden,
advocaat: mr. M.A.M. Euverman te Amsterdam.
Verzoeker wordt hierna [appellant] genoemd en geïntimeerden tezamen [geïntimeerden] Geïntimeerden worden afzonderlijk aangeduid als Quba, [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] .
1De zaak in het kort
[appellant] heeft het ontslag van de twee bestuurders van Quba verzocht, met als hoofdargument dat deze bestuurders hem ten onrechte hebben geprobeerd te ontslaan. Het verzoek wordt afgewezen want in het vandaag ook tussen partijen gewezen arrest is beslist dat het ontslag van [appellant] als bestuurder op juiste gronden heeft plaatsgevonden.
Beoordeling
2.1.
In de onderhavige zaak is in eerste aanleg verzocht met toepassing van artikel 2:298 BW (i) [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] als bestuurder van Quba te ontslaan, (ii) een onderzoek naar de uitgaven van Quba te gelasten en (iii) voor de duur van het geding de volgende voorlopige voorzieningen te gelasten: (a) afgifte te verstrekken van de financiële administratie over de vijf jaren voorafgaand aan 25 oktober 2021; (b) [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] te schorsen als bestuurder, (c) in plaats van hen twee andere bestuurders te benoemen en (d) de schorsing van [appellant] als bestuurder op te heffen. De rechtbank heeft de verzoeken, na verweer door [geïntimeerden] , afgewezen. Daartegen richt zich het hoger beroep van [appellant] met dien verstande dat in hoger beroep uitsluitend verzocht wordt [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] te ontslaan als bestuurders van Quba.
2.2.
Het onderhavige verzoek hangt nauw samen met de door [appellant] ingestelde vordering tegen Quba en EIUF (zaaknummer 200.326.944 bij dit hof). In die zaak is heden een arrest gewezen, waarbij is geoordeeld dat op 10 maart 2021 een bestuursvergadering heeft plaatsgevonden en dat tijdens die vergadering een rechtsgeldig besluit is genomen tot het, met onmiddellijke ingang, ontslaan van [appellant] als bestuurslid van beide stichtingen.
2.3.
Het verzoek in eerste aanleg in de onderhavige zaak tot het ontslaan van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] is er (in overwegende mate) op gebaseerd dat deze bestuurders [appellant] op 10 maart 2021 zonder rechtsgrond hebben ontslagen als bestuurder van Quba, en daarmee hun verplichtingen als bestuurder ernstig hebben verzaakt. Zoals uit het heden gewezen arrest in de zaak met nummer 200.326.944 blijkt, is dat verwijt van [appellant] niet terecht.
2.4.
Grief II van [appellant] houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de ‘notulen’ van 10 maart 2021 niet valselijk zijn opgemaakt. Uit overweging 2.2 volgt dat van valselijk opgemaakte notulen niet is gebleken, zodat deze grief faalt.
2.5.
Met de grieven III en IV betoogt [appellant] dat de verweten bankfraude niet tot toewijzing van het verzoek (houdende [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] als bestuurder van de Stichtingen te ontslaan) heeft geleid en dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken van tekortkomingen ten aanzien van het beheer over het vermogen van de Stichtingen. De grieven falen. [appellant] heeft onvoldoende onderbouwd gesteld dat bankfraude heeft plaatsgevonden. Hij stelt in zijn beroepschrift dat hij gegronde redenen heeft om te twijfelen aan de wijze waarop wordt omgegaan met het vermogen van Quba en de intenties van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] met betrekking tot de herontwikkeling van de Moskee. Zoals de rechtbank in de bestreden beslissing terecht heeft overwogen, zijn de stellingen die [appellant] in dit verband heeft ingenomen, louter vaag en algemeen geformuleerd en ontberen deze daarmee de vereiste concreetheid. [appellant] heeft ter toelichting op zijn grief III aangekondigd in kort geding op grond van artikel 843a Rv bepaalde financiële stukken te verkrijgen. Die stukken heeft hij in de onderhavige procedure niet ingebracht.
2.6.
Grief V heeft betrekking op de, door de rechtbank verworpen, stelling van [appellant] dat [geïntimeerde 2] c.s. toekomstplannen hebben met het gebouw van de Stichtingen. Nu [appellant] geen rechtsgevolg heeft verbonden aan deze stelling, kan zijn grief bij gebrek aan belang niet slagen.
2.7.
De conclusie is dat de grieven falen. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in hoger beroep worden veroordeeld.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot deze kosten, voor zover tot heden aan de zijde van [geïntimeerden] gevallen op € 343,- aan verschotten en € 2.428,- aan salaris;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.C. Boot, F.J. van de Poel en M.C. Bosch en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2025.
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team 1
zaaknummer: 200.316.539/01
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 juni 2025
inzake
[appellant] ,
wonende te [plaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. O.J. Hennis te Amsterdam,
tegen
1STICHTING QUBA,
gevestigd te Amsterdam,
2. [geïntimeerde 1] ,
wonend te [plaats 2] ,
3. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [plaats 1]
geïntimeerden,
advocaat: mr. M.A.M. Euverman te Amsterdam.
Verzoeker wordt hierna [appellant] genoemd en geïntimeerden tezamen [geïntimeerden] Geïntimeerden worden afzonderlijk aangeduid als Quba, [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] .
1De zaak in het kort
[appellant] heeft het ontslag van de twee bestuurders van Quba verzocht, met als hoofdargument dat deze bestuurders hem ten onrechte hebben geprobeerd te ontslaan. Het verzoek wordt afgewezen want in het vandaag ook tussen partijen gewezen arrest is beslist dat het ontslag van [appellant] als bestuurder op juiste gronden heeft plaatsgevonden.
Beoordeling
2.1.
In de onderhavige zaak is in eerste aanleg verzocht met toepassing van artikel 2:298 BW (i) [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] als bestuurder van Quba te ontslaan, (ii) een onderzoek naar de uitgaven van Quba te gelasten en (iii) voor de duur van het geding de volgende voorlopige voorzieningen te gelasten: (a) afgifte te verstrekken van de financiële administratie over de vijf jaren voorafgaand aan 25 oktober 2021; (b) [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] te schorsen als bestuurder, (c) in plaats van hen twee andere bestuurders te benoemen en (d) de schorsing van [appellant] als bestuurder op te heffen. De rechtbank heeft de verzoeken, na verweer door [geïntimeerden] , afgewezen. Daartegen richt zich het hoger beroep van [appellant] met dien verstande dat in hoger beroep uitsluitend verzocht wordt [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] te ontslaan als bestuurders van Quba.
2.2.
Het onderhavige verzoek hangt nauw samen met de door [appellant] ingestelde vordering tegen Quba en EIUF (zaaknummer 200.326.944 bij dit hof). In die zaak is heden een arrest gewezen, waarbij is geoordeeld dat op 10 maart 2021 een bestuursvergadering heeft plaatsgevonden en dat tijdens die vergadering een rechtsgeldig besluit is genomen tot het, met onmiddellijke ingang, ontslaan van [appellant] als bestuurslid van beide stichtingen.
2.3.
Het verzoek in eerste aanleg in de onderhavige zaak tot het ontslaan van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] is er (in overwegende mate) op gebaseerd dat deze bestuurders [appellant] op 10 maart 2021 zonder rechtsgrond hebben ontslagen als bestuurder van Quba, en daarmee hun verplichtingen als bestuurder ernstig hebben verzaakt. Zoals uit het heden gewezen arrest in de zaak met nummer 200.326.944 blijkt, is dat verwijt van [appellant] niet terecht.
2.4.
Grief II van [appellant] houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de ‘notulen’ van 10 maart 2021 niet valselijk zijn opgemaakt. Uit overweging 2.2 volgt dat van valselijk opgemaakte notulen niet is gebleken, zodat deze grief faalt.
2.5.
Met de grieven III en IV betoogt [appellant] dat de verweten bankfraude niet tot toewijzing van het verzoek (houdende [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] als bestuurder van de Stichtingen te ontslaan) heeft geleid en dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken van tekortkomingen ten aanzien van het beheer over het vermogen van de Stichtingen. De grieven falen. [appellant] heeft onvoldoende onderbouwd gesteld dat bankfraude heeft plaatsgevonden. Hij stelt in zijn beroepschrift dat hij gegronde redenen heeft om te twijfelen aan de wijze waarop wordt omgegaan met het vermogen van Quba en de intenties van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] met betrekking tot de herontwikkeling van de Moskee. Zoals de rechtbank in de bestreden beslissing terecht heeft overwogen, zijn de stellingen die [appellant] in dit verband heeft ingenomen, louter vaag en algemeen geformuleerd en ontberen deze daarmee de vereiste concreetheid. [appellant] heeft ter toelichting op zijn grief III aangekondigd in kort geding op grond van artikel 843a Rv bepaalde financiële stukken te verkrijgen. Die stukken heeft hij in de onderhavige procedure niet ingebracht.
2.6.
Grief V heeft betrekking op de, door de rechtbank verworpen, stelling van [appellant] dat [geïntimeerde 2] c.s. toekomstplannen hebben met het gebouw van de Stichtingen. Nu [appellant] geen rechtsgevolg heeft verbonden aan deze stelling, kan zijn grief bij gebrek aan belang niet slagen.
2.7.
De conclusie is dat de grieven falen. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in hoger beroep worden veroordeeld.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot deze kosten, voor zover tot heden aan de zijde van [geïntimeerden] gevallen op € 343,- aan verschotten en € 2.428,- aan salaris;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.C. Boot, F.J. van de Poel en M.C. Bosch en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2025.