Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-03-25
ECLI:NL:GHAMS:2025:1485
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
8,626 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerken 24/300 tot en met 24/302
25 maart 2025
uitspraak van de vijftiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] B.V., gevestigd te [Z], belanghebbende,
(gemachtigde: mr. S.S. Sangha)
tegen de uitspraak van 23 januari 2024 in de zaak met kenmerken HAA 22/4771, HAA 22/4772 en HAA 22/4773 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende over de tijdvakken 2012, 2013 en 2014
naheffingsaanslagen loonheffingen opgelegd en daarbij telkens beschikkingen inzake belastingrente gegeven.
1.2.
De daartegen gemaakte bezwaren heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 20
mei 2022 ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep
ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. De
inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2025. Van het verhandelde
ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
Feiten
2.1
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (belanghebbende wordt in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):
“1. Bij eiseres is een boekenonderzoek ingesteld over de tijdvakken van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014 betreffende de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen. Dit onderzoek heeft geresulteerd in een definitief controlerapport met dagtekening 21 oktober 2019.
2.1.
Met dagtekening 19 december 2017 heeft verweerder aan eiseres over het jaar 2012 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd naar een te betalen bedrag aan loonheffingen van
€ 27.526. Daarbij heeft verweerder bij beschikking € 5.164 aan belastingrente in rekening gebracht.
2.2.
Met dagtekening 19 december 2018 heeft verweerder aan eiseres over het jaar 2013 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd naar een te betalen bedrag aan loonheffingen van
€ 14.784. Daarbij heeft verweerder bij beschikking € 2.923 aan belastingrente in rekening gebracht.
2.3.
Met dagtekening 11 november 2019 heeft verweerder aan eiseres een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd naar een te betalen bedrag aan loonheffingen van € 21.521. Dit bedrag bestaat uit € 5.717 aan loonheffingen over het jaar 2014 en € 15.804 niet-verhaalde werkgeverslast loonheffingen voor de jaren 2012 tot en met 2014. Daarbij heeft verweerder bij beschikking
€ 1.121 aan belastingrente in rekening gebracht.
2.4.
Alle drie de naheffingsaanslagen hebben betrekking op de auto met het kenteken [kenteken 1]. De naheffingsaanslag voor het jaar 2012 heeft daarnaast ook betrekking op de auto’s met de kentekens [kenteken 2] en [kenteken 3] (voor het gehele jaar), [kenteken 4] (voor een periode van acht maanden) en [kenteken 5] (voor een periode van tien maanden). De auto’s zijn geen bestelauto’s in de zin van artikel 3, derde lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992.
3. Eiseres heeft middels brieven van 23 december 2017, 18 januari 2019 en 18 december 2019 tijdig bezwaar gemaakt tegen bovenstaande naheffingsaanslagen en rentebeschikkingen. Partijen zijn overeengekomen dat met de motivering en behandeling van de bezwaren wordt gewacht tot nadat het boekenonderzoek is afgerond.
4. Bij brief van 11 mei 2022 heeft verweerder eiseres uitgenodigd voor een hoorgesprek. Het hoorgesprek heeft geen doorgang gevonden omdat eiseres zonder bericht niet is verschenen.
5. Bij uitspraken op bezwaar van 20 mei 2022 heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en de naheffingsaanslagen en rentebeschikkingen gehandhaafd.”
2.2.
Het Hof gaat uit van de hiervoor vermelde feiten.
Geschil
In geschil is of de naheffingsaanslagen en rentebeschikkingen terecht tot de hoge bedragen zijn opgelegd.
Overwegingen
De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil als volgt overwogen:
“9. Artikel 13bis van de Wet luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
1. Indien ook voor privé-doeleinden een auto ter beschikking is gesteld, wordt het voordeel op kalenderjaarbasis gesteld op ten minste:a. 25% van de waarde van de auto indien de auto niet meer dan 15 jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen;b. 35% van de waarde van de auto indien de auto meer dan 15 jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen.De auto wordt in ieder geval geacht ook voor privé-doeleinden ter beschikking te zijn gesteld tenzij blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt.
(…)
4. Indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt, wordt het voordeel gesteld op nihil.
5. Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt onder auto verstaan een personenauto of bestelauto als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, met uitzondering van de bestelauto die door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt blijkt te zijn voor vervoer van goederen en met uitzondering van de bestelauto die buiten de werktijd niet gebruikt kan worden of de bestelauto waarvoor een verbod op privé-gebruik geldt. Van een dergelijk verbod op privé-gebruik is sprake indien:
a. het verbod schriftelijk is vastgelegd;
b. de inhoudingsplichtige de vastlegging van het verbod bij de loonadministratie bewaart;
c. de inhoudingsplichtige voldoende toezicht houdt op de naleving van het verbod, en
d. de inhoudingsplichtige een passende sanctie oplegt indien het verbod wordt overtreden.
(…)
10. Voor wat betreft de beantwoording van de vraag of eiseres in de jaren 2012, 2013 en 2014 auto’s aan werknemers ter beschikking heeft gesteld overweegt de rechtbank als volgt. Een terbeschikkingstelling in de zin van artikel 13bis, eerste lid, van de Wet doet zich voor indien een werknemer de feitelijke beschikkingsmacht krijgt over een auto van zijn werkgever. Daarvoor is onvoldoende dat een of meer werknemers een auto slechts besturen ter uitvoering van bepaalde opdrachten van de werkgever om in diens belang personen of goederen te vervoeren. Het ligt op de weg van verweerder om aannemelijk te maken dat eiseres auto’s ter beschikking heeft gesteld aan werknemers (HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1360, r.o. 2.3.1-2.3.2).
11. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder hierin geslaagd. Tussen partijen is niet in geschil dat werknemers van eiseres over een sleutel van de in het geding zijnde auto’s beschikten, deze bestuurden en deze mee mochten nemen naar hun woonadres ten behoeve van het woon-werkverkeer. Daaruit volgt dat deze werknemers de feitelijke beschikkingsmacht over de auto’s hadden en de auto’s niet uitsluitend werden bestuurd ter uitvoering van specifieke zakelijke opdrachten.
12. Eiseres heeft nog erop gewezen dat de auto’s nooit volledig aan en dezelfde werknemer ter beschikking gesteld werden. Omdat de tweede sleutel altijd bij de werkgever bleef en de eerste sleutel tijdens verlof ook werd ingeleverd, konden ook andere werknemers zo nodig de auto gebruiken. Vanwege het gebruik door meerdere bestuurders betaalde eiseres ook een hogere verzekeringspremie voor de auto’s. Dit alles doet naar het oordeel van de rechtbank echter niet af aan hetgeen hiervoor werd overwogen. Ook een afwisselende terbeschikkingstelling aan meerdere werknemers vormt namelijk een terbeschikkingstelling in de zin van artikel 13bis, eerste lid, van de Wet.
13. Op grond van artikel 13bis, eerste lid, van de Wet is het vervolgens aan eiseres om te doen blijken dat de auto’s op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden werden gebruikt (vgl. HR 13 augustus 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN3831, r.o. 3.2). Zij wijst in dit verband erop dat de rittenadministraties voor de desbetreffende auto’s zijn gestolen door een werknemer, dat de werknemers de auto’s op grond van hun arbeidsovereenkomst uitsluitend zakelijk mochten gebruiken en dat zij daarop ook toezicht hield. Overtreding van deze afspraak kon resulteren in een boete of zelfs ontslag. Werknemers waren niet verzekerd voor privégebruik. Verweerder meent dat eiseres niet aan de op haar rustende bewijslast heeft voldaan. Het ontbreken van rittenadministraties komt voor haar eigen rekening. Het is onduidelijk hoe eiseres het verbod op privégebruik heeft gehandhaafd.
14. Omdat de bewijslast voor het privé-gebruik op eiseres rust, is het ontbreken van bewijs naar het oordeel van de rechtbank een omstandigheid die voor haar risico komt. Dat geldt ook indien bewijsmiddelen op enig moment zijn ontvreemd door een werknemer. Eiseres had dit risico kunnen beperken door een kopie van de administratie elders te bewaren. Dat heeft zij niet gedaan. Nu rittenadministraties ontbreken, dient eiseres anderszins te doen blijken dat de auto’s op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden werden gebruikt. Zij mag daarbij gebruikmaken van elk bewijsmiddel dat haar dienstig voorkomt (vgl. HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1395, r.o. 3.5.2). Om aan de bewijslast te voldoen is echter onvoldoende dat het de werknemers niet is toegestaan de hen ter beschikking gestelde auto’s anders dan voor zakelijke doeleinden te gebruiken, omdat het bij de toepassing van de onderhavige regeling niet gaat om het voorgeschreven maar om het daadwerkelijke gebruik van de auto (vgl. HR 15 juli 1986, ECLI:NL:HR:1986:BH6858, r.o. 4.1). Over het werkelijke gebruik van de auto’s kan de rechtbank echter onvoldoende vaststellen. In dat verband is mede van belang dat anders dan bij andere auto’s van eiseres het gebruik van de in het geding zijnde auto’s door eiseres niet werd gecontroleerd op basis van GPS-tracking. Wel was volgens haar sprake van sociale controle door medewerkers die in hetzelfde huis woonden als de medewerkers die de auto’s op enig moment ter beschikking hadden. Naar het oordeel van de rechtbank is de gestelde sociale controle ongeschikt om te doen blijken dat de auto’s op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden werden gebruikt, nu een zodanige controle – die overigens ook in het geheel niet gedocumenteerd is – privé-gebruik bepaald niet uitsluit.
15. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.”
Overwegingen
5.1.
Ook in hoger beroep staat centraal of belanghebbende in de jaren 2012, 2013 en 2014 auto’s aan werknemers ter beschikking heeft gesteld in de zin van artikel 13bis, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet) en, zo ja, of zij heeft doen blijken dat met de desbetreffende auto’s door werknemers niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gereden op kalenderjaarbasis.
5.2.
Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende auto’s ter beschikking in de zin van artikel 13bis, eerste lid, van de Wet heeft gesteld aan werknemers. Hetgeen de rechtbank daartoe in rechtsoverwegingen 10-12 heeft overwogen acht het Hof juist en neemt het Hof over.
5.3.
Ook deelt het Hof het oordeel van de rechtbank dat belanghebbende niet heeft doen blijken dat de auto’s op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden werden gebruikt. In hoger beroep herhaalt belanghebbende haar verklaringen omtrent de gemaakte afspraken met werknemers, de wijze van verzekerd zijn, de in haar bezit zijnde tweede sleutel en de gestolen rittenadministratie. Net als de rechtbank acht het Hof dit, ook in onderlinge samenhang beschouwd, ontoerekeind voor de conclusie dat belanghebbende heeft doen blijken dat de auto’s op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden werden gebruikt.
5.4.
Voorgaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dient te worden. Het Hof zal aldus beslissen.
6Kosten
Het Hof vindt geen aanleiding de inspecteur op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende.
Dictum
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mr. M.J. Leijdekker, lid van de vijftiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 25 maart 2025 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerken 24/300 tot en met 24/302
25 maart 2025
uitspraak van de vijftiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] B.V., gevestigd te [Z], belanghebbende,
(gemachtigde: mr. S.S. Sangha)
tegen de uitspraak van 23 januari 2024 in de zaak met kenmerken HAA 22/4771, HAA 22/4772 en HAA 22/4773 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende over de tijdvakken 2012, 2013 en 2014
naheffingsaanslagen loonheffingen opgelegd en daarbij telkens beschikkingen inzake belastingrente gegeven.
1.2.
De daartegen gemaakte bezwaren heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 20
mei 2022 ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep
ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. De
inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2025. Van het verhandelde
ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
Feiten
2.1
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (belanghebbende wordt in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):
“1. Bij eiseres is een boekenonderzoek ingesteld over de tijdvakken van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014 betreffende de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen. Dit onderzoek heeft geresulteerd in een definitief controlerapport met dagtekening 21 oktober 2019.
2.1.
Met dagtekening 19 december 2017 heeft verweerder aan eiseres over het jaar 2012 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd naar een te betalen bedrag aan loonheffingen van
€ 27.526. Daarbij heeft verweerder bij beschikking € 5.164 aan belastingrente in rekening gebracht.
2.2.
Met dagtekening 19 december 2018 heeft verweerder aan eiseres over het jaar 2013 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd naar een te betalen bedrag aan loonheffingen van
€ 14.784. Daarbij heeft verweerder bij beschikking € 2.923 aan belastingrente in rekening gebracht.
2.3.
Met dagtekening 11 november 2019 heeft verweerder aan eiseres een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd naar een te betalen bedrag aan loonheffingen van € 21.521. Dit bedrag bestaat uit € 5.717 aan loonheffingen over het jaar 2014 en € 15.804 niet-verhaalde werkgeverslast loonheffingen voor de jaren 2012 tot en met 2014. Daarbij heeft verweerder bij beschikking
€ 1.121 aan belastingrente in rekening gebracht.
2.4.
Alle drie de naheffingsaanslagen hebben betrekking op de auto met het kenteken [kenteken 1]. De naheffingsaanslag voor het jaar 2012 heeft daarnaast ook betrekking op de auto’s met de kentekens [kenteken 2] en [kenteken 3] (voor het gehele jaar), [kenteken 4] (voor een periode van acht maanden) en [kenteken 5] (voor een periode van tien maanden). De auto’s zijn geen bestelauto’s in de zin van artikel 3, derde lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992.
3. Eiseres heeft middels brieven van 23 december 2017, 18 januari 2019 en 18 december 2019 tijdig bezwaar gemaakt tegen bovenstaande naheffingsaanslagen en rentebeschikkingen. Partijen zijn overeengekomen dat met de motivering en behandeling van de bezwaren wordt gewacht tot nadat het boekenonderzoek is afgerond.
4. Bij brief van 11 mei 2022 heeft verweerder eiseres uitgenodigd voor een hoorgesprek. Het hoorgesprek heeft geen doorgang gevonden omdat eiseres zonder bericht niet is verschenen.
5. Bij uitspraken op bezwaar van 20 mei 2022 heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en de naheffingsaanslagen en rentebeschikkingen gehandhaafd.”
2.2.
Het Hof gaat uit van de hiervoor vermelde feiten.
Geschil
In geschil is of de naheffingsaanslagen en rentebeschikkingen terecht tot de hoge bedragen zijn opgelegd.
Overwegingen
De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil als volgt overwogen:
“9. Artikel 13bis van de Wet luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
1. Indien ook voor privé-doeleinden een auto ter beschikking is gesteld, wordt het voordeel op kalenderjaarbasis gesteld op ten minste:a. 25% van de waarde van de auto indien de auto niet meer dan 15 jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen;b. 35% van de waarde van de auto indien de auto meer dan 15 jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen.De auto wordt in ieder geval geacht ook voor privé-doeleinden ter beschikking te zijn gesteld tenzij blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt.
(…)
4. Indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt, wordt het voordeel gesteld op nihil.
5. Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt onder auto verstaan een personenauto of bestelauto als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, met uitzondering van de bestelauto die door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt blijkt te zijn voor vervoer van goederen en met uitzondering van de bestelauto die buiten de werktijd niet gebruikt kan worden of de bestelauto waarvoor een verbod op privé-gebruik geldt. Van een dergelijk verbod op privé-gebruik is sprake indien:
a. het verbod schriftelijk is vastgelegd;
b. de inhoudingsplichtige de vastlegging van het verbod bij de loonadministratie bewaart;
c. de inhoudingsplichtige voldoende toezicht houdt op de naleving van het verbod, en
d. de inhoudingsplichtige een passende sanctie oplegt indien het verbod wordt overtreden.
(…)
10. Voor wat betreft de beantwoording van de vraag of eiseres in de jaren 2012, 2013 en 2014 auto’s aan werknemers ter beschikking heeft gesteld overweegt de rechtbank als volgt. Een terbeschikkingstelling in de zin van artikel 13bis, eerste lid, van de Wet doet zich voor indien een werknemer de feitelijke beschikkingsmacht krijgt over een auto van zijn werkgever. Daarvoor is onvoldoende dat een of meer werknemers een auto slechts besturen ter uitvoering van bepaalde opdrachten van de werkgever om in diens belang personen of goederen te vervoeren. Het ligt op de weg van verweerder om aannemelijk te maken dat eiseres auto’s ter beschikking heeft gesteld aan werknemers (HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1360, r.o. 2.3.1-2.3.2).
11. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder hierin geslaagd. Tussen partijen is niet in geschil dat werknemers van eiseres over een sleutel van de in het geding zijnde auto’s beschikten, deze bestuurden en deze mee mochten nemen naar hun woonadres ten behoeve van het woon-werkverkeer. Daaruit volgt dat deze werknemers de feitelijke beschikkingsmacht over de auto’s hadden en de auto’s niet uitsluitend werden bestuurd ter uitvoering van specifieke zakelijke opdrachten.
12. Eiseres heeft nog erop gewezen dat de auto’s nooit volledig aan en dezelfde werknemer ter beschikking gesteld werden. Omdat de tweede sleutel altijd bij de werkgever bleef en de eerste sleutel tijdens verlof ook werd ingeleverd, konden ook andere werknemers zo nodig de auto gebruiken. Vanwege het gebruik door meerdere bestuurders betaalde eiseres ook een hogere verzekeringspremie voor de auto’s. Dit alles doet naar het oordeel van de rechtbank echter niet af aan hetgeen hiervoor werd overwogen. Ook een afwisselende terbeschikkingstelling aan meerdere werknemers vormt namelijk een terbeschikkingstelling in de zin van artikel 13bis, eerste lid, van de Wet.
13. Op grond van artikel 13bis, eerste lid, van de Wet is het vervolgens aan eiseres om te doen blijken dat de auto’s op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden werden gebruikt (vgl. HR 13 augustus 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN3831, r.o. 3.2). Zij wijst in dit verband erop dat de rittenadministraties voor de desbetreffende auto’s zijn gestolen door een werknemer, dat de werknemers de auto’s op grond van hun arbeidsovereenkomst uitsluitend zakelijk mochten gebruiken en dat zij daarop ook toezicht hield. Overtreding van deze afspraak kon resulteren in een boete of zelfs ontslag. Werknemers waren niet verzekerd voor privégebruik. Verweerder meent dat eiseres niet aan de op haar rustende bewijslast heeft voldaan. Het ontbreken van rittenadministraties komt voor haar eigen rekening. Het is onduidelijk hoe eiseres het verbod op privégebruik heeft gehandhaafd.
14. Omdat de bewijslast voor het privé-gebruik op eiseres rust, is het ontbreken van bewijs naar het oordeel van de rechtbank een omstandigheid die voor haar risico komt. Dat geldt ook indien bewijsmiddelen op enig moment zijn ontvreemd door een werknemer. Eiseres had dit risico kunnen beperken door een kopie van de administratie elders te bewaren. Dat heeft zij niet gedaan. Nu rittenadministraties ontbreken, dient eiseres anderszins te doen blijken dat de auto’s op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden werden gebruikt. Zij mag daarbij gebruikmaken van elk bewijsmiddel dat haar dienstig voorkomt (vgl. HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1395, r.o. 3.5.2). Om aan de bewijslast te voldoen is echter onvoldoende dat het de werknemers niet is toegestaan de hen ter beschikking gestelde auto’s anders dan voor zakelijke doeleinden te gebruiken, omdat het bij de toepassing van de onderhavige regeling niet gaat om het voorgeschreven maar om het daadwerkelijke gebruik van de auto (vgl. HR 15 juli 1986, ECLI:NL:HR:1986:BH6858, r.o. 4.1). Over het werkelijke gebruik van de auto’s kan de rechtbank echter onvoldoende vaststellen. In dat verband is mede van belang dat anders dan bij andere auto’s van eiseres het gebruik van de in het geding zijnde auto’s door eiseres niet werd gecontroleerd op basis van GPS-tracking. Wel was volgens haar sprake van sociale controle door medewerkers die in hetzelfde huis woonden als de medewerkers die de auto’s op enig moment ter beschikking hadden. Naar het oordeel van de rechtbank is de gestelde sociale controle ongeschikt om te doen blijken dat de auto’s op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden werden gebruikt, nu een zodanige controle – die overigens ook in het geheel niet gedocumenteerd is – privé-gebruik bepaald niet uitsluit.
15. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.”
Overwegingen
5.1.
Ook in hoger beroep staat centraal of belanghebbende in de jaren 2012, 2013 en 2014 auto’s aan werknemers ter beschikking heeft gesteld in de zin van artikel 13bis, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet) en, zo ja, of zij heeft doen blijken dat met de desbetreffende auto’s door werknemers niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gereden op kalenderjaarbasis.
5.2.
Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende auto’s ter beschikking in de zin van artikel 13bis, eerste lid, van de Wet heeft gesteld aan werknemers. Hetgeen de rechtbank daartoe in rechtsoverwegingen 10-12 heeft overwogen acht het Hof juist en neemt het Hof over.
5.3.
Ook deelt het Hof het oordeel van de rechtbank dat belanghebbende niet heeft doen blijken dat de auto’s op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden werden gebruikt. In hoger beroep herhaalt belanghebbende haar verklaringen omtrent de gemaakte afspraken met werknemers, de wijze van verzekerd zijn, de in haar bezit zijnde tweede sleutel en de gestolen rittenadministratie. Net als de rechtbank acht het Hof dit, ook in onderlinge samenhang beschouwd, ontoerekeind voor de conclusie dat belanghebbende heeft doen blijken dat de auto’s op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden werden gebruikt.
5.4.
Voorgaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dient te worden. Het Hof zal aldus beslissen.
6Kosten
Het Hof vindt geen aanleiding de inspecteur op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende.
Dictum
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mr. M.J. Leijdekker, lid van de vijftiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 25 maart 2025 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: