Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-06-03
ECLI:NL:GHAMS:2025:1376
Civiel recht
Hoger beroep
6,291 tokens
Dictum
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.347.511/01 NOT
nummer eerste aanleg : 23-36
Dictum
inzake
[appellant] ,
wonend te ' [plaats 1] , gemeente Hoeksche Waard,
appellant,
tegen
[geïntimeerde] ,
notaris te [plaats 2] , gemeente Hoeksche Waard,
geïntimeerde.
Partijen worden hierna klager en de notaris genoemd.
1De zaak in het kort
De moeder van klager is in 2021 overleden. Haar laatste geldige testament is door de notaris in 2013 opgesteld. Het testament bevat een aantal bepalingen waarvan klager stelt dat zijn moeder vanwege de complexiteit van deze bepalingen dit nooit gewild zou hebben. Klager voelt zich bij de afwikkeling van de nalatenschap van zijn moeder daarnaast niet serieus genomen door de notaris. Het hof verklaart, net als in eerste instantie, de klacht van klager ongegrond.
Procesverloop
2.1.
Klager heeft op 30 oktober 2024 een beroepschrift bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag (hierna: de kamer) van 16 oktober 2024 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (ECLI:NL:TNORDHA:2024:17). Op 17 januari 2025 heeft klager dit beroepschrift aangevuld.
2.2.
De notaris heeft op 25 februari 2025 een verweerschrift bij het hof ingediend.
2.3.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
2.4.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 17 april 2025. Klager en de notaris zijn verschenen en hebben het woord gevoerd.
Feiten
Het hof verwijst naar de feiten die de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling daarvan geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat. Waar nodig aangevuld met andere feiten die zijn komen vast te staan, zijn die feiten de volgende.
3.1.
In 1994 is de vader van klager (hierna te noemen: erflater) overleden. Erflater was gehuwd met mevrouw [hof: naam moeder] (hierna te noemen: moeder).
3.2.
In het testament van erflater is bepaald dat zijn gehele nalatenschap naar de langstlevende echtgenoot ging.
3.3.
De notaris heeft voor moeder in januari 2013 een concept-testament gemaakt dat op 1 maart 2013 door moeder is ondertekend en gepasseerd is door de notaris.
3.4.
Op 18 augustus 2021 is moeder overleden. Moeder heeft drie kinderen achtergelaten, te weten: klager, zijn broer en zijn zus. In het onder 3.3. genoemde testament zijn klager en zijn broer benoemd tot enig erfgenamen en is de broer van klager benoemd tot executeur.
Klager heeft daarnaast een legaat van gebruik en bewoning van de ten tijde van het overlijden van moeder aan haar in eigendom behorende woning gekregen. Verder is er een tweetrapsmaking opgenomen in het testament van moeder. Op basis van deze tweetrapsmaking is klager als “bezwaarde” en de zus van klager als “verwachter” aangewezen.
3.5.
De woning van moeder is in september 2022 verkocht.
4De klacht
4.1.
Klager stelt dat het testament niet door moeder kan zijn gewild. De tweetrapsmaking heeft zij niet zelf kunnen bedenken en deze ingewikkelde bepaling was onbegrijpelijk voor haar.
4.2.
Bij de afwikkeling van het testament hing klager er maar een beetje bij, terwijl hij altijd alles voor zijn moeder heeft gedaan. Hij voelde zich niet serieus genomen door de notaris. Het huis van moeder waar hij in woonde moest onder dwang van de notaris worden verkocht en het leek alsof de notaris buiten klager om contact met de broer heeft gehad. Ook werd de zus op 1 november 2022 uit het niets toch ineens erfgenaam van moeder.
Beoordeling
5.1.
De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen de notaris ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel 1
5.2.
De kamer heeft deze klacht ongegrond verklaard waarbij de kamer, kort samengevat, het volgende heeft overwogen. Voor de kamer is komen vast te staan dat de notaris aan moeder meerdere malen de inhoud van het testament, waaronder de tweetrapsmaking, heeft uitgelegd. Zo heeft de notaris al in de uitlegbrief bij het concept testament aan moeder uitleg gegeven en ook heeft zij voor en tijdens het passeren van het testament aan moeder uitleg verschaft. Hierna is het testament gepasseerd. Klager heeft deze gang van zaken niet weersproken. Klager heeft evenmin aangevoerd dat zijn moeder wilsonbekwaam was ten tijde van het opstellen en ondertekenen van het testament. De inhoud van het testament staat daarmee vast. Dat klager het niet eens was met de in het testament opgenomen tweetrapsmaking maakt het niet anders.
5.3.
Het hof sluit zich bij deze overwegingen van de kamer aan en maakt die tot de zijne. In hoger beroep brengt de notaris naar voren dat de tweetrapsmaking inderdaad niet door moeder zelf was bedacht. Moeder had destijds bij de notaris aangegeven dat zij problemen vreesde tussen haar drie kinderen bij de afwikkeling van haar nalatenschap. Naar aanleiding hiervan had de notaris een concept-testament gemaakt dat aansloot op haar wensen en zorgen. Het hof heeft geen redenen om te twijfelen aan het relaas van de notaris dat zij voor en tijdens het passeren van het testament ruim de tijd heeft genomen voor het verstrekken van uitleg aan moeder. Ook overigens heeft het beroepschrift van klager, het verweerschrift van de notaris en de verdere behandeling van de zaak ter zitting in hoger beroep geen ander licht op de zaak geworpen. Van enig tuchtrechtelijk laakbaar handelen door de notaris is ook het hof niet gebleken. De klacht is ongegrond.
Klachtonderdeel 2
5.4.
De kamer heeft ook deze klacht ongegrond verklaard en heeft daarbij, kort samengevat, het volgende overwogen:
- het is onjuist dat de notaris onvoldoende tijd heeft genomen om klager te informeren over de afwikkeling van de nalatenschap; klager is diverse keren uitgenodigd op kantoor maar daar gaf hij niet altijd gehoor aan;
- de notaris heeft klager niet gedwongen om het woonhuis van moeder te verkopen. Klager is er meerdere keren op gewezen dat de erfbelasting betaald diende te worden. Indien klager niet over voldoende liquiditeiten beschikte diende er een keus te worden gemaakt tussen verkoop van de woning van klager of verkoop van de woning van moeder;
- de broer van klager wenste als executeur de woning van moeder te verkopen en ook overigens was moeder op de hoogte van het feit dat de woning na haar overlijden mogelijk verkocht diende te worden;
- omdat de broer van klager de executeur was heeft de notaris op sommige momenten alleen contact gehad met hem;
- het is niet juist dat de zus van klager eerst geen erfgenaam was en daarna wel. De notaris heeft bij een voorstel tot verdeling wel rekening gehouden met de erfdelen uit de nalatenschap van erflater die nog niet waren uitgekeerd. De zus van klager was wel de verwachter van de tweetrapsmaking in het testament van moeder.
5.6.
Het hof verenigt zich ook met dit oordeel van de kamer en verwijst daarnaar. De feiten waarop dit oordeel is gebaseerd zijn door klager onvoldoende concreet bestreden.
Van onzorgvuldigheid aan de zijde van de notaris is het hof niet gebleken.
5.7.
De slotsom luidt dat het hof tot dezelfde beslissing komt als de kamer. Het hof zal de beslissing van de kamer bevestigen.
Dictum
Het hof:
- bevestigt de bestreden beslissing.
Deze beslissing is gegeven door mrs. H.T. van der Meer, A.R.O. Mooy en J.A.H. Bruggemann en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2025 door de rolraadsheer.
Dictum
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.347.511/01 NOT
nummer eerste aanleg : 23-36
Dictum
inzake
[appellant] ,
wonend te ' [plaats 1] , gemeente Hoeksche Waard,
appellant,
tegen
[geïntimeerde] ,
notaris te [plaats 2] , gemeente Hoeksche Waard,
geïntimeerde.
Partijen worden hierna klager en de notaris genoemd.
1De zaak in het kort
De moeder van klager is in 2021 overleden. Haar laatste geldige testament is door de notaris in 2013 opgesteld. Het testament bevat een aantal bepalingen waarvan klager stelt dat zijn moeder vanwege de complexiteit van deze bepalingen dit nooit gewild zou hebben. Klager voelt zich bij de afwikkeling van de nalatenschap van zijn moeder daarnaast niet serieus genomen door de notaris. Het hof verklaart, net als in eerste instantie, de klacht van klager ongegrond.
Procesverloop
2.1.
Klager heeft op 30 oktober 2024 een beroepschrift bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag (hierna: de kamer) van 16 oktober 2024 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (ECLI:NL:TNORDHA:2024:17). Op 17 januari 2025 heeft klager dit beroepschrift aangevuld.
2.2.
De notaris heeft op 25 februari 2025 een verweerschrift bij het hof ingediend.
2.3.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
2.4.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 17 april 2025. Klager en de notaris zijn verschenen en hebben het woord gevoerd.
Feiten
Het hof verwijst naar de feiten die de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling daarvan geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat. Waar nodig aangevuld met andere feiten die zijn komen vast te staan, zijn die feiten de volgende.
3.1.
In 1994 is de vader van klager (hierna te noemen: erflater) overleden. Erflater was gehuwd met mevrouw [hof: naam moeder] (hierna te noemen: moeder).
3.2.
In het testament van erflater is bepaald dat zijn gehele nalatenschap naar de langstlevende echtgenoot ging.
3.3.
De notaris heeft voor moeder in januari 2013 een concept-testament gemaakt dat op 1 maart 2013 door moeder is ondertekend en gepasseerd is door de notaris.
3.4.
Op 18 augustus 2021 is moeder overleden. Moeder heeft drie kinderen achtergelaten, te weten: klager, zijn broer en zijn zus. In het onder 3.3. genoemde testament zijn klager en zijn broer benoemd tot enig erfgenamen en is de broer van klager benoemd tot executeur.
Klager heeft daarnaast een legaat van gebruik en bewoning van de ten tijde van het overlijden van moeder aan haar in eigendom behorende woning gekregen. Verder is er een tweetrapsmaking opgenomen in het testament van moeder. Op basis van deze tweetrapsmaking is klager als “bezwaarde” en de zus van klager als “verwachter” aangewezen.
3.5.
De woning van moeder is in september 2022 verkocht.
4De klacht
4.1.
Klager stelt dat het testament niet door moeder kan zijn gewild. De tweetrapsmaking heeft zij niet zelf kunnen bedenken en deze ingewikkelde bepaling was onbegrijpelijk voor haar.
4.2.
Bij de afwikkeling van het testament hing klager er maar een beetje bij, terwijl hij altijd alles voor zijn moeder heeft gedaan. Hij voelde zich niet serieus genomen door de notaris. Het huis van moeder waar hij in woonde moest onder dwang van de notaris worden verkocht en het leek alsof de notaris buiten klager om contact met de broer heeft gehad. Ook werd de zus op 1 november 2022 uit het niets toch ineens erfgenaam van moeder.
Beoordeling
5.1.
De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen de notaris ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel 1
5.2.
De kamer heeft deze klacht ongegrond verklaard waarbij de kamer, kort samengevat, het volgende heeft overwogen. Voor de kamer is komen vast te staan dat de notaris aan moeder meerdere malen de inhoud van het testament, waaronder de tweetrapsmaking, heeft uitgelegd. Zo heeft de notaris al in de uitlegbrief bij het concept testament aan moeder uitleg gegeven en ook heeft zij voor en tijdens het passeren van het testament aan moeder uitleg verschaft. Hierna is het testament gepasseerd. Klager heeft deze gang van zaken niet weersproken. Klager heeft evenmin aangevoerd dat zijn moeder wilsonbekwaam was ten tijde van het opstellen en ondertekenen van het testament. De inhoud van het testament staat daarmee vast. Dat klager het niet eens was met de in het testament opgenomen tweetrapsmaking maakt het niet anders.
5.3.
Het hof sluit zich bij deze overwegingen van de kamer aan en maakt die tot de zijne. In hoger beroep brengt de notaris naar voren dat de tweetrapsmaking inderdaad niet door moeder zelf was bedacht. Moeder had destijds bij de notaris aangegeven dat zij problemen vreesde tussen haar drie kinderen bij de afwikkeling van haar nalatenschap. Naar aanleiding hiervan had de notaris een concept-testament gemaakt dat aansloot op haar wensen en zorgen. Het hof heeft geen redenen om te twijfelen aan het relaas van de notaris dat zij voor en tijdens het passeren van het testament ruim de tijd heeft genomen voor het verstrekken van uitleg aan moeder. Ook overigens heeft het beroepschrift van klager, het verweerschrift van de notaris en de verdere behandeling van de zaak ter zitting in hoger beroep geen ander licht op de zaak geworpen. Van enig tuchtrechtelijk laakbaar handelen door de notaris is ook het hof niet gebleken. De klacht is ongegrond.
Klachtonderdeel 2
5.4.
De kamer heeft ook deze klacht ongegrond verklaard en heeft daarbij, kort samengevat, het volgende overwogen:
- het is onjuist dat de notaris onvoldoende tijd heeft genomen om klager te informeren over de afwikkeling van de nalatenschap; klager is diverse keren uitgenodigd op kantoor maar daar gaf hij niet altijd gehoor aan;
- de notaris heeft klager niet gedwongen om het woonhuis van moeder te verkopen. Klager is er meerdere keren op gewezen dat de erfbelasting betaald diende te worden. Indien klager niet over voldoende liquiditeiten beschikte diende er een keus te worden gemaakt tussen verkoop van de woning van klager of verkoop van de woning van moeder;
- de broer van klager wenste als executeur de woning van moeder te verkopen en ook overigens was moeder op de hoogte van het feit dat de woning na haar overlijden mogelijk verkocht diende te worden;
- omdat de broer van klager de executeur was heeft de notaris op sommige momenten alleen contact gehad met hem;
- het is niet juist dat de zus van klager eerst geen erfgenaam was en daarna wel. De notaris heeft bij een voorstel tot verdeling wel rekening gehouden met de erfdelen uit de nalatenschap van erflater die nog niet waren uitgekeerd. De zus van klager was wel de verwachter van de tweetrapsmaking in het testament van moeder.
5.6.
Het hof verenigt zich ook met dit oordeel van de kamer en verwijst daarnaar. De feiten waarop dit oordeel is gebaseerd zijn door klager onvoldoende concreet bestreden.
Van onzorgvuldigheid aan de zijde van de notaris is het hof niet gebleken.
5.7.
De slotsom luidt dat het hof tot dezelfde beslissing komt als de kamer. Het hof zal de beslissing van de kamer bevestigen.
Dictum
Het hof:
- bevestigt de bestreden beslissing.
Deze beslissing is gegeven door mrs. H.T. van der Meer, A.R.O. Mooy en J.A.H. Bruggemann en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2025 door de rolraadsheer.
Dictum
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.347.511/01 NOT
nummer eerste aanleg : 23-36
Dictum
inzake
[appellant] ,
wonend te ' [plaats 1] , gemeente Hoeksche Waard,
appellant,
tegen
[geïntimeerde] ,
notaris te [plaats 2] , gemeente Hoeksche Waard,
geïntimeerde.
Partijen worden hierna klager en de notaris genoemd.
1De zaak in het kort
De moeder van klager is in 2021 overleden. Haar laatste geldige testament is door de notaris in 2013 opgesteld. Het testament bevat een aantal bepalingen waarvan klager stelt dat zijn moeder vanwege de complexiteit van deze bepalingen dit nooit gewild zou hebben. Klager voelt zich bij de afwikkeling van de nalatenschap van zijn moeder daarnaast niet serieus genomen door de notaris. Het hof verklaart, net als in eerste instantie, de klacht van klager ongegrond.
Procesverloop
2.1.
Klager heeft op 30 oktober 2024 een beroepschrift bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag (hierna: de kamer) van 16 oktober 2024 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (ECLI:NL:TNORDHA:2024:17). Op 17 januari 2025 heeft klager dit beroepschrift aangevuld.
2.2.
De notaris heeft op 25 februari 2025 een verweerschrift bij het hof ingediend.
2.3.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
2.4.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 17 april 2025. Klager en de notaris zijn verschenen en hebben het woord gevoerd.
Feiten
Het hof verwijst naar de feiten die de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling daarvan geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat. Waar nodig aangevuld met andere feiten die zijn komen vast te staan, zijn die feiten de volgende.
3.1.
In 1994 is de vader van klager (hierna te noemen: erflater) overleden. Erflater was gehuwd met mevrouw [hof: naam moeder] (hierna te noemen: moeder).
3.2.
In het testament van erflater is bepaald dat zijn gehele nalatenschap naar de langstlevende echtgenoot ging.
3.3.
De notaris heeft voor moeder in januari 2013 een concept-testament gemaakt dat op 1 maart 2013 door moeder is ondertekend en gepasseerd is door de notaris.
3.4.
Op 18 augustus 2021 is moeder overleden. Moeder heeft drie kinderen achtergelaten, te weten: klager, zijn broer en zijn zus. In het onder 3.3. genoemde testament zijn klager en zijn broer benoemd tot enig erfgenamen en is de broer van klager benoemd tot executeur.
Klager heeft daarnaast een legaat van gebruik en bewoning van de ten tijde van het overlijden van moeder aan haar in eigendom behorende woning gekregen. Verder is er een tweetrapsmaking opgenomen in het testament van moeder. Op basis van deze tweetrapsmaking is klager als “bezwaarde” en de zus van klager als “verwachter” aangewezen.
3.5.
De woning van moeder is in september 2022 verkocht.
4De klacht
4.1.
Klager stelt dat het testament niet door moeder kan zijn gewild. De tweetrapsmaking heeft zij niet zelf kunnen bedenken en deze ingewikkelde bepaling was onbegrijpelijk voor haar.
4.2.
Bij de afwikkeling van het testament hing klager er maar een beetje bij, terwijl hij altijd alles voor zijn moeder heeft gedaan. Hij voelde zich niet serieus genomen door de notaris. Het huis van moeder waar hij in woonde moest onder dwang van de notaris worden verkocht en het leek alsof de notaris buiten klager om contact met de broer heeft gehad. Ook werd de zus op 1 november 2022 uit het niets toch ineens erfgenaam van moeder.
Beoordeling
5.1.
De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen de notaris ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel 1
5.2.
De kamer heeft deze klacht ongegrond verklaard waarbij de kamer, kort samengevat, het volgende heeft overwogen. Voor de kamer is komen vast te staan dat de notaris aan moeder meerdere malen de inhoud van het testament, waaronder de tweetrapsmaking, heeft uitgelegd. Zo heeft de notaris al in de uitlegbrief bij het concept testament aan moeder uitleg gegeven en ook heeft zij voor en tijdens het passeren van het testament aan moeder uitleg verschaft. Hierna is het testament gepasseerd. Klager heeft deze gang van zaken niet weersproken. Klager heeft evenmin aangevoerd dat zijn moeder wilsonbekwaam was ten tijde van het opstellen en ondertekenen van het testament. De inhoud van het testament staat daarmee vast. Dat klager het niet eens was met de in het testament opgenomen tweetrapsmaking maakt het niet anders.
5.3.
Het hof sluit zich bij deze overwegingen van de kamer aan en maakt die tot de zijne. In hoger beroep brengt de notaris naar voren dat de tweetrapsmaking inderdaad niet door moeder zelf was bedacht. Moeder had destijds bij de notaris aangegeven dat zij problemen vreesde tussen haar drie kinderen bij de afwikkeling van haar nalatenschap. Naar aanleiding hiervan had de notaris een concept-testament gemaakt dat aansloot op haar wensen en zorgen. Het hof heeft geen redenen om te twijfelen aan het relaas van de notaris dat zij voor en tijdens het passeren van het testament ruim de tijd heeft genomen voor het verstrekken van uitleg aan moeder. Ook overigens heeft het beroepschrift van klager, het verweerschrift van de notaris en de verdere behandeling van de zaak ter zitting in hoger beroep geen ander licht op de zaak geworpen. Van enig tuchtrechtelijk laakbaar handelen door de notaris is ook het hof niet gebleken. De klacht is ongegrond.
Klachtonderdeel 2
5.4.
De kamer heeft ook deze klacht ongegrond verklaard en heeft daarbij, kort samengevat, het volgende overwogen:
- het is onjuist dat de notaris onvoldoende tijd heeft genomen om klager te informeren over de afwikkeling van de nalatenschap; klager is diverse keren uitgenodigd op kantoor maar daar gaf hij niet altijd gehoor aan;
- de notaris heeft klager niet gedwongen om het woonhuis van moeder te verkopen. Klager is er meerdere keren op gewezen dat de erfbelasting betaald diende te worden. Indien klager niet over voldoende liquiditeiten beschikte diende er een keus te worden gemaakt tussen verkoop van de woning van klager of verkoop van de woning van moeder;
- de broer van klager wenste als executeur de woning van moeder te verkopen en ook overigens was moeder op de hoogte van het feit dat de woning na haar overlijden mogelijk verkocht diende te worden;
- omdat de broer van klager de executeur was heeft de notaris op sommige momenten alleen contact gehad met hem;
- het is niet juist dat de zus van klager eerst geen erfgenaam was en daarna wel. De notaris heeft bij een voorstel tot verdeling wel rekening gehouden met de erfdelen uit de nalatenschap van erflater die nog niet waren uitgekeerd. De zus van klager was wel de verwachter van de tweetrapsmaking in het testament van moeder.
5.6.
Het hof verenigt zich ook met dit oordeel van de kamer en verwijst daarnaar. De feiten waarop dit oordeel is gebaseerd zijn door klager onvoldoende concreet bestreden.
Van onzorgvuldigheid aan de zijde van de notaris is het hof niet gebleken.
5.7.
De slotsom luidt dat het hof tot dezelfde beslissing komt als de kamer. Het hof zal de beslissing van de kamer bevestigen.
Dictum
Het hof:
- bevestigt de bestreden beslissing.
Deze beslissing is gegeven door mrs. H.T. van der Meer, A.R.O. Mooy en J.A.H. Bruggemann en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2025 door de rolraadsheer.