Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-05-06
ECLI:NL:GHAMS:2025:1243
Civiel recht; Ondernemingsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,940 tokens
Inleiding
beschikking
___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.349.276/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 6 mei 2025
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,
NCJ B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERZOEKSTER,
advocaten: mr. G.A. Smit, mr. B.C. Elion en mr. J. Wind, kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,
DEFENTURE B.V.,
gevestigd te Naarden,
VERWEERSTER,
advocaten: mr. J.C.J. van der Rakt en mr. R.A.M.D. Smit, kantoorhoudende te Eindhoven,
e n t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,
AZUR CAPITAL B.V.,
gevestigd te Enschede,
BELANGHEBBENDE,
advocaten: mr. B.T. Craemer en mr. R.W. Schlingemann, kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n
Henk VAN DER SCHEER,
wonende te Dreumel,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. P.P.J. van der Rijt, kantoorhoudende te Houten.
Hierna zullen partijen en andere (rechts)personen (ook) als volgt worden aangeduid:
verzoekster als NCJ;
verweerster als Defenture;
belanghebbenden respectievelijk als Azur en Van der Scheer.
1Het verloop van het geding
1.1
NCJ heeft bij verzoekschrift van 23 december 2024 de Ondernemingskamer verzocht, samengevat,
een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Defenture over de periode vanaf 13 september 2023 tot 23 december 2024;
Dictum
als onmiddellijke voorzieningen voor de duur van de procedure
a. een derde persoon te benoemen tot zelfstandig bevoegd bestuurder van Defenture;
b. Van der Scheer te schorsen als bestuurder van Defenture, dan wel te bepalen dat hij Defenture niet zelfstandig kan vertegenwoordigen;
c. de door Azur en NCJ in Defenture gehouden aandelen ten titel van beheer over te dragen aan een derde persoon, dan wel het aan de aandelen van Azur verbonden stemrecht te schorsen;
d. een andere voorziening te treffen die de Ondernemingskamer juist acht;
4. Defenture te veroordelen in de kosten van de procedure.
1.2
Bij brief van 8 januari 2025 zijn partijen opgeroepen om aan de mondelinge behandeling op 27 maart 2025 deel te nemen.
1.3
Van der Scheer heeft bij verweerschrift van 3 februari 2025 de Ondernemingskamer, kort gezegd, verzocht het verzoek van NCJ af te wijzen, dan wel de handelswijze van de grootaandeelhouders in het onderzoek te betrekken en bepaalde onmiddellijke voorzieningen te treffen.
1.4
Van der Scheer heeft bij aanvullend verweerschrift dat op 12 februari 2025 per e-mail is binnengekomen zijn stellingen nader onderbouwd en aanvullende producties in het geding gebracht.
1.5
Azur heeft bij verweerschrift van 6 maart 2025 de Ondernemingskamer verzocht het verzoek van NCJ af te wijzen en NCJ te veroordelen in de kosten van de procedure.
1.6
Defenture heeft zich bij verweerschrift van eveneens 6 maart 2025, samengevat, gerefereerd aan het oordeel van de Ondernemingskamer voor wat betreft het verzoek tot het gelasten van een onderzoek, de overdracht van de aandelen ten titel van beheer en de benoeming van een onafhankelijke derde tot bestuurder. Zij heeft zich uitgesproken tegen schorsing van Van der Scheer en verzocht Defenture niet de veroordelen in de kosten van de procedure.
1.7
NCJ heeft bij akte tot wijziging van haar verzoek van 20 maart 2025, tevens akte overlegging aanvullende producties, haar verzoek gewijzigd en alsnog om gelijktijdige benoeming van een onderzoeker verzocht en haar subsidiaire verzoek onder 3.b (zie 1.1 hierboven) ingetrokken.
1.8
Bij akte van 25 maart 2025 (per e-mail binnengekomen om 13:19) heeft Van der Scheer verweer gevoerd tegen bovengenoemde eiswijziging en aanvullende producties overgelegd.
1.9
Bij e-mail van 25 maart 2025 (14:03 uur) heeft NCJ haar (gewijzigde) verzoek ingetrokken. Azur (e-mail van 14:15) en Defenture (e-mail van 15:32) hebben intrekking van de procedure onderschreven.
1.10
Eveneens op 25 maart 2025 heeft Van der Scheer bij e-mail (14:37 uur) verzocht NCJ te veroordelen tot het vergoeden van de door hem gemaakte proceskosten. Voor het verzoek tot intrekking heeft Van der Scheer zich aan het oordeel van de Ondernemingskamer gerefereerd.
1.11
Bij e-mail van dezelfde dag heeft de secretaris van de Ondernemingskamer partijen in de gelegenheid gesteld op het verzoek van Van der Scheer te reageren. De op 27 maart bepaalde mondelinge behandeling heeft geen doorgang gevonden.
1.12
Bij e-mail van 31 maart 2025 (12:14 uur) heeft Defenture laten weten dat zij vrijwillig aan Van der Scheer heeft aangeboden zijn proceskosten conform het liquidatietarief te voldoen, om daarmee een (openbare) beschikking te voorkomen. Bij e-mail van diezelfde dag (13:12 uur) heeft Van der Scheer zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het aan NCJ is deze kosten te betalen en dat hij zonder een vergelijkbaar aanbod vanuit NCJ persisteert in zijn verzoek.
1.13
Bij e-mail van 31 maart (18:33 uur) heeft NCJ verzocht tot afwijzing van het onder 1.10 genoemde verzoek van Van der Scheer, althans slechts één punt conform het liquidatietarief toe te kennen. Bij e-mail van diezelfde dag (18:44 uur) heeft Van der Scheer toegelicht dat zijn verzoek drie punten conform het liquidatietarief betreft.
2De gronden van de beslissing
2.1
NCJ heeft haar (gewijzigde) verzoek tot het bevelen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Defenture alsmede tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen ingetrokken. Dit betekent dat dit verzoek geen beoordeling en beslissing meer behoeft en dat NCJ niet-ontvankelijk is in haar verzoek. Wat de gevraagde proceskostenvergoeding betreft is de Ondernemingskamer van oordeel dat het, mede gelet op de korte tijdsspanne tussen de intrekking van het verzoek door NCJ en die van de (reeds in januari 2025 bepaalde) mondelinge behandeling, op de weg van NCJ lag om een onvoorwaardelijk aanbod tot vergoeding van die kosten te doen. Bij gebreke daaraan zal de Ondernemingskamer een proceskostenveroordeling ten laste van NCJ uitspreken, waarbij zij aanleiding ziet om één punt conform het liquidatietarief (€ 1214, plus griffierecht van € 349) toe te kennen.
Dictum
De Ondernemingskamer:
verklaart NCJ B.V. niet-ontvankelijk in haar verzoek;
veroordeelt NCJ B.V. in de kosten van het geding aan de zijde van H. van der Scheer, begroot op € 1563;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Loesberg, voorzitter, mr. C.C. Meijer en A.W.H. Vink, raadsheren, en prof. dr. M.N. Hoogendoorn RA en prof. dr. mr. A.J.C.C.M. Loonen, raden, in tegenwoordigheid van mr. F.C.W. Wijffels, griffier, en in het openbaar uitgesproken door mr. C.C. Meijer op 6 mei 2025.
Inleiding
beschikking
___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.349.276/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 6 mei 2025
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,
NCJ B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERZOEKSTER,
advocaten: mr. G.A. Smit, mr. B.C. Elion en mr. J. Wind, kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,
DEFENTURE B.V.,
gevestigd te Naarden,
VERWEERSTER,
advocaten: mr. J.C.J. van der Rakt en mr. R.A.M.D. Smit, kantoorhoudende te Eindhoven,
e n t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,
AZUR CAPITAL B.V.,
gevestigd te Enschede,
BELANGHEBBENDE,
advocaten: mr. B.T. Craemer en mr. R.W. Schlingemann, kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n
Henk VAN DER SCHEER,
wonende te Dreumel,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. P.P.J. van der Rijt, kantoorhoudende te Houten.
Hierna zullen partijen en andere (rechts)personen (ook) als volgt worden aangeduid:
verzoekster als NCJ;
verweerster als Defenture;
belanghebbenden respectievelijk als Azur en Van der Scheer.
1Het verloop van het geding
1.1
NCJ heeft bij verzoekschrift van 23 december 2024 de Ondernemingskamer verzocht, samengevat,
een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Defenture over de periode vanaf 13 september 2023 tot 23 december 2024;
Dictum
als onmiddellijke voorzieningen voor de duur van de procedure
a. een derde persoon te benoemen tot zelfstandig bevoegd bestuurder van Defenture;
b. Van der Scheer te schorsen als bestuurder van Defenture, dan wel te bepalen dat hij Defenture niet zelfstandig kan vertegenwoordigen;
c. de door Azur en NCJ in Defenture gehouden aandelen ten titel van beheer over te dragen aan een derde persoon, dan wel het aan de aandelen van Azur verbonden stemrecht te schorsen;
d. een andere voorziening te treffen die de Ondernemingskamer juist acht;
4. Defenture te veroordelen in de kosten van de procedure.
1.2
Bij brief van 8 januari 2025 zijn partijen opgeroepen om aan de mondelinge behandeling op 27 maart 2025 deel te nemen.
1.3
Van der Scheer heeft bij verweerschrift van 3 februari 2025 de Ondernemingskamer, kort gezegd, verzocht het verzoek van NCJ af te wijzen, dan wel de handelswijze van de grootaandeelhouders in het onderzoek te betrekken en bepaalde onmiddellijke voorzieningen te treffen.
1.4
Van der Scheer heeft bij aanvullend verweerschrift dat op 12 februari 2025 per e-mail is binnengekomen zijn stellingen nader onderbouwd en aanvullende producties in het geding gebracht.
1.5
Azur heeft bij verweerschrift van 6 maart 2025 de Ondernemingskamer verzocht het verzoek van NCJ af te wijzen en NCJ te veroordelen in de kosten van de procedure.
1.6
Defenture heeft zich bij verweerschrift van eveneens 6 maart 2025, samengevat, gerefereerd aan het oordeel van de Ondernemingskamer voor wat betreft het verzoek tot het gelasten van een onderzoek, de overdracht van de aandelen ten titel van beheer en de benoeming van een onafhankelijke derde tot bestuurder. Zij heeft zich uitgesproken tegen schorsing van Van der Scheer en verzocht Defenture niet de veroordelen in de kosten van de procedure.
1.7
NCJ heeft bij akte tot wijziging van haar verzoek van 20 maart 2025, tevens akte overlegging aanvullende producties, haar verzoek gewijzigd en alsnog om gelijktijdige benoeming van een onderzoeker verzocht en haar subsidiaire verzoek onder 3.b (zie 1.1 hierboven) ingetrokken.
1.8
Bij akte van 25 maart 2025 (per e-mail binnengekomen om 13:19) heeft Van der Scheer verweer gevoerd tegen bovengenoemde eiswijziging en aanvullende producties overgelegd.
1.9
Bij e-mail van 25 maart 2025 (14:03 uur) heeft NCJ haar (gewijzigde) verzoek ingetrokken. Azur (e-mail van 14:15) en Defenture (e-mail van 15:32) hebben intrekking van de procedure onderschreven.
1.10
Eveneens op 25 maart 2025 heeft Van der Scheer bij e-mail (14:37 uur) verzocht NCJ te veroordelen tot het vergoeden van de door hem gemaakte proceskosten. Voor het verzoek tot intrekking heeft Van der Scheer zich aan het oordeel van de Ondernemingskamer gerefereerd.
1.11
Bij e-mail van dezelfde dag heeft de secretaris van de Ondernemingskamer partijen in de gelegenheid gesteld op het verzoek van Van der Scheer te reageren. De op 27 maart bepaalde mondelinge behandeling heeft geen doorgang gevonden.
1.12
Bij e-mail van 31 maart 2025 (12:14 uur) heeft Defenture laten weten dat zij vrijwillig aan Van der Scheer heeft aangeboden zijn proceskosten conform het liquidatietarief te voldoen, om daarmee een (openbare) beschikking te voorkomen. Bij e-mail van diezelfde dag (13:12 uur) heeft Van der Scheer zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het aan NCJ is deze kosten te betalen en dat hij zonder een vergelijkbaar aanbod vanuit NCJ persisteert in zijn verzoek.
1.13
Bij e-mail van 31 maart (18:33 uur) heeft NCJ verzocht tot afwijzing van het onder 1.10 genoemde verzoek van Van der Scheer, althans slechts één punt conform het liquidatietarief toe te kennen. Bij e-mail van diezelfde dag (18:44 uur) heeft Van der Scheer toegelicht dat zijn verzoek drie punten conform het liquidatietarief betreft.
2De gronden van de beslissing
2.1
NCJ heeft haar (gewijzigde) verzoek tot het bevelen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Defenture alsmede tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen ingetrokken. Dit betekent dat dit verzoek geen beoordeling en beslissing meer behoeft en dat NCJ niet-ontvankelijk is in haar verzoek. Wat de gevraagde proceskostenvergoeding betreft is de Ondernemingskamer van oordeel dat het, mede gelet op de korte tijdsspanne tussen de intrekking van het verzoek door NCJ en die van de (reeds in januari 2025 bepaalde) mondelinge behandeling, op de weg van NCJ lag om een onvoorwaardelijk aanbod tot vergoeding van die kosten te doen. Bij gebreke daaraan zal de Ondernemingskamer een proceskostenveroordeling ten laste van NCJ uitspreken, waarbij zij aanleiding ziet om één punt conform het liquidatietarief (€ 1214, plus griffierecht van € 349) toe te kennen.
Dictum
De Ondernemingskamer:
verklaart NCJ B.V. niet-ontvankelijk in haar verzoek;
veroordeelt NCJ B.V. in de kosten van het geding aan de zijde van H. van der Scheer, begroot op € 1563;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Loesberg, voorzitter, mr. C.C. Meijer en A.W.H. Vink, raadsheren, en prof. dr. M.N. Hoogendoorn RA en prof. dr. mr. A.J.C.C.M. Loonen, raden, in tegenwoordigheid van mr. F.C.W. Wijffels, griffier, en in het openbaar uitgesproken door mr. C.C. Meijer op 6 mei 2025.