Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-04-29
ECLI:NL:GHAMS:2025:1192
Strafrecht
Hoger beroep
3,740 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-001627-24
Datum uitspraak: 29 april 2025
TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsvrouw)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 15 juli 2024 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-141400-23 (zaak A) en 13-117044-24 (zaak B), alsmede 13-314457-20 (TUL) tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats] ,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 april 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:
de tiende en elfde zin van de vierde alinea van de bewijsoverweging op pagina 10 (beginnend met “Voor zover verdachte” en eindigend met “van aangever reed”) niet overneemt;
de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen aanvult met het hieronder weergegeven bewijsmiddel.
Een proces-verbaal van aanhouding van 9 maart 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 26 en 27).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten:
Op 9 maart 2024 werd door ons op de locatie Sarphatipark, Amsterdam, aangehouden als verdachte: [verdachte] , geboren [geboortedag] 1980, geboorteplaats [geboorteplaats] .
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A en zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 17 dagen met aftrek van het voorarrest en een taakstraf van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A en zaak B onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot de dezelfde straf als door de politierechter is opgelegd.
De raadsvrouw heeft verzocht – indien het hof tot een bewezenverklaring komt – te volstaan met een gevangenisstraf van 17 dagen, omdat dat al een forse straf is.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling en meerdere vernielingen. Dit zijn vervelende feiten, waarbij verschillende personen het slachtoffer zijn geworden. Vernieling is een hinderlijk feit dat naast overlast ook materiële schade veroorzaakt. Door het plegen van de vernieling geeft de verdachte blijk geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen. Door de mishandeling heeft aangever [persoon] pijn ondervonden en is zijn bril beschadigd geraakt. De mishandeling vond plaats op de openbare weg, waardoor omstanders, waaronder de vriendin van aangever, ongewild getuige waren van dit feit.
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Daarnaast kijkt het hof niet alleen naar de ernst van de feiten maar ook naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals naar voren zijn gekomen uit het reclasseringsrapport van Inforsa van 11 juli 2024 en het rapport van Reclassering Nederland van 13 april 2025 en zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Vordering tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 4 mei 2021 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft gevorderd de gevangenisstraf van twee maanden om te zetten naar een taakstraf van 160 uren, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder zijn schulden en zijn woning.
Ook de raadsvrouw heeft verzocht de gevangenisstraf van twee maanden om te zetten naar een taakstraf van 160 uren, omdat de verdachte bij het opleggen van een gevangenisstraf zijn woning kan verliezen en zijn uitkering misloopt.
Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Het hof zal echter, gelet op de hiervoor genoemde persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf een taakstraf van 160 uren gelasten.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 (zeventien) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 4 mei 2021 met parketnummer 13-314457-20, te weten een gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaren, een taakstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. A.M. Koolen-Zwijnenburg en mr. N.J.M. de Munnik, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 april 2025.
Mr. N.J.M. de Munnik is verhinderd dit arrest te ondertekenen.
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-001627-24
Datum uitspraak: 29 april 2025
TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsvrouw)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 15 juli 2024 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-141400-23 (zaak A) en 13-117044-24 (zaak B), alsmede 13-314457-20 (TUL) tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats] ,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 april 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:
de tiende en elfde zin van de vierde alinea van de bewijsoverweging op pagina 10 (beginnend met “Voor zover verdachte” en eindigend met “van aangever reed”) niet overneemt;
de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen aanvult met het hieronder weergegeven bewijsmiddel.
Een proces-verbaal van aanhouding van 9 maart 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 26 en 27).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten:
Op 9 maart 2024 werd door ons op de locatie Sarphatipark, Amsterdam, aangehouden als verdachte: [verdachte] , geboren [geboortedag] 1980, geboorteplaats [geboorteplaats] .
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A en zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 17 dagen met aftrek van het voorarrest en een taakstraf van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A en zaak B onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot de dezelfde straf als door de politierechter is opgelegd.
De raadsvrouw heeft verzocht – indien het hof tot een bewezenverklaring komt – te volstaan met een gevangenisstraf van 17 dagen, omdat dat al een forse straf is.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling en meerdere vernielingen. Dit zijn vervelende feiten, waarbij verschillende personen het slachtoffer zijn geworden. Vernieling is een hinderlijk feit dat naast overlast ook materiële schade veroorzaakt. Door het plegen van de vernieling geeft de verdachte blijk geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen. Door de mishandeling heeft aangever [persoon] pijn ondervonden en is zijn bril beschadigd geraakt. De mishandeling vond plaats op de openbare weg, waardoor omstanders, waaronder de vriendin van aangever, ongewild getuige waren van dit feit.
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Daarnaast kijkt het hof niet alleen naar de ernst van de feiten maar ook naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals naar voren zijn gekomen uit het reclasseringsrapport van Inforsa van 11 juli 2024 en het rapport van Reclassering Nederland van 13 april 2025 en zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Vordering tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 4 mei 2021 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft gevorderd de gevangenisstraf van twee maanden om te zetten naar een taakstraf van 160 uren, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder zijn schulden en zijn woning.
Ook de raadsvrouw heeft verzocht de gevangenisstraf van twee maanden om te zetten naar een taakstraf van 160 uren, omdat de verdachte bij het opleggen van een gevangenisstraf zijn woning kan verliezen en zijn uitkering misloopt.
Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Het hof zal echter, gelet op de hiervoor genoemde persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf een taakstraf van 160 uren gelasten.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 (zeventien) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 4 mei 2021 met parketnummer 13-314457-20, te weten een gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaren, een taakstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. A.M. Koolen-Zwijnenburg en mr. N.J.M. de Munnik, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 april 2025.
Mr. N.J.M. de Munnik is verhinderd dit arrest te ondertekenen.