Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-01-10
ECLI:NL:GHAMS:2025:1184
Strafrecht
Hoger beroep
91,791 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001944-22
datum uitspraak: 10 januari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 juli 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-997090-18 tegen
[verdachte]
,
geboren te [plaats] op [datum] ,
gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Lelystad.
1Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 november, 22 november, 26 november, 27 november, 11 december 2024 en 8 januari 2025 en, op grond van artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank op 8 april 2021 en 26 en 28 oktober 2021 toegelaten wijzigingen is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
1. ZD 11)
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2018 tot 1 maart 2019 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie bestond uit verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en een of meer andere personen en die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in:
- artikel 10, vierde en vijfde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen en het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van (verdovende) middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a lid 5 van de Opiumwet;
- artikel 10a Opiumwet, te weten voorbereidingshandelingen om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen;
- artikel 11, vierde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen van (verdovende) middelen als bedoeld in lijst II van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a lid 5 van de Opiumwet;
- artikel 420 bis/ter/quater van het Wetboek van Strafrecht, te weten gewoontewitwassen, dan wel opzettelijk witwassen, dan wel schuld witwassen van voorwerpen, waaronder geldbedragen en voertuigen;
- artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, te weten valsheid in geschriften, waaronder bankafschriften en contracten;
2.
hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2019 tot 29 september 2020 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie bestond uit verdachte, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en een of meer andere personen en die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in:
- artikel 10, vierde en vijfde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen en het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van (verdovende) middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a lid 5 van de Opiumwet;
- artikel 10a Opiumwet, te weten voorbereidingshandelingen om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen;
- artikel 11, vierde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen van (verdovende) middelen als bedoeld in lijst II van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a lid 5 van de Opiumwet;
- artikel 420 bis/ter/quater van het Wetboek van Strafrecht, te weten gewoontewitwassen, dan wel opzettelijk witwassen, dan wel schuld witwassen van voorwerpen, waaronder geldbedragen en voertuigen;
- artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, te weten valsheid in geschriften, waaronder bankafschriften en contracten
3. ( ZD 6)
hij op of omstreeks 26 oktober 2018 te Antwerpen, in elk geval in België, en/of op de Westerschelde, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (via de Westerschelde) binnen het grondgebied van Nederland en België heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 5.296 kilogram, in elk geval een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
of
[bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] op of omstreeks 26 oktober 2018 te Antwerpen, in elk geval in België, en/of op de Westerschelde, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (via de Westerschelde) binnen het grondgebied van Nederland en België heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 5.296 kilogram, in elk geval een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a die wet, tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en), verdachte, tezamen en in vereniging met een ander/anderen, feitelijk leiding heeft gegeven;
subsidiair:
één of meer (tot nu toe onbekend gebleven) personen op of omstreeks 26 oktober 2018 te Antwerpen, in elk geval in België en/of op de Westerschelde, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (via de Westerschelde) binnen het grondgebied van Nederland en België heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 5.296 kilogram, in elk geval een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 september 2018 (datum verscheping container vanuit Thailand) tot en met 26 oktober 2018 te Leidschendam en/of Voorburg en/of Den Haag en/of Rijnsburg en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door
- het ter beschikking stellen en gebruik (laten) maken van de rechtspersoon [bedrijf 1] als ontvanger van de (dek) lading kokosvezel waartussen en/of de container waarin zich de hennep bevond en van welke rechtspersoon verdachte en/of zijn medeverdachte(n) de feitelijk bestuurder(s) was/waren en die verdachte (mede) heeft (laten) oprichten;
- het ter beschikking stellen en gebruik (laten) maken van de rechtspersoon [bedrijf 2] en/of diens bankrekening welke rechtspersoon is betrokken bij het vervoer en de verscheping van de (dek)lading kokosvezel waartussen en/of de container waarin zich de hennep bevond, welke rechtspersoon een betaling voor het vervoer van de container heeft gedaan en van welke rechtspersoon verdachte en/of zijn medeverdachte(n) de feitelijk bestuurder(s) was/waren/zijn en die verdachte (mede) heeft (laten) oprichten;
4.
Beoordeling
7.1
Ondernemingen
Uit bovengenoemde aangifte van ING Bank blijkt dat op vijf bankrekeningen van verschillende ondernemingen ( [bedrijf 11] , [bedrijf 2] , [bedrijf 1] , [bedrijf 12] en [bedrijf 4] ) in een korte periode veel contante stortingen werden gedaan, waarna er grote overboekingen werden gedaan naar (onder meer) buitenlandse bankrekeningen. Daarbij werd steeds door hetzelfde zogenoemde ‘device-ID’ ingelogd op de accounts van die rekeningen. Een device-ID is een unieke code die ING Bank geeft aan een apparaat waarmee wordt ingelogd op de internetapplicatie ‘Mijn ING’, waarmee klanten van ING Bank gebruik kunnen maken van internetbankieren.
Van deze bedrijven blijken [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) en [bedrijf 1] (hierna [bedrijf 1] ) betrokken bij het nog te bespreken feit 3. De verdachte is officieel geen eigenaar of bestuurder van deze bedrijven (geweest) en heeft betrokkenheid daarbij ontkend. De vraag is dus of de verdachte en of één of meer van zijn medeverdachten anderszins aan deze bedrijven kan worden gelinkt. Voor het antwoord op die vraag is het volgende van belang.
[bedrijf 13] , [bedrijf 14] , [bedrijf 15] en [bedrijf 16] .
In de ten laste gelegde periode kunnen een aantal ondernemingen direct aan de medeverdachte [medeverdachte 1] worden gekoppeld, waaronder: [bedrijf 13] , [bedrijf 14] , [bedrijf 15] , [bedrijf 16] .
[bedrijf 13] is opgericht op 9 januari 2015 en gevestigd in het Verenigd Koninkrijk. [medeverdachte 1] was vanaf de oprichting bestuurder en tot 29 juni 2016 enig aandeelhouder. Het Mauritiaanse bedrijf [bedrijf 17] was vanaf 29 juni 2016 enig aandeelhouder. Op 26 maart 2019 is [bedrijf 13] verplicht geschrapt uit het register en zijn de bezittingen en rechten toegevallen aan het Verenigd Koninkrijk. Overigens blijkt uit het dossier dat [bedrijf 13] (nog steeds) staat geregistreerd als eigenaar van het woonhuis van [medeverdachte 1] .
[bedrijf 14] is opgericht op 29 juni 2016 en eveneens gevestigd in het Verenigd Koninkrijk. [medeverdachte 1] was vanaf de oprichting bestuurder. De enig aandeelhouder was [bedrijf 17] . Ook [bedrijf 14] is op 26 maart 2019 verplicht geschrapt uit het register, waarna de bezittingen en rechten zijn toegevallen aan het Verenigd Koninkrijk. [medeverdachte 1] heeft in het verhoor bij de politie op 15 december 2020 verklaard dat hij bestuurder en directeur was van [bedrijf 14] .
[bedrijf 14] heeft op zijn beurt 70% van de aandelen van de onderneming [bedrijf 15] . De overige 30% van de aandelen in [bedrijf 15] zijn in handen van [bedrijf 18] , welke onderneming eveneens is gevestigd in het Verenigd Koninkrijk. De directeur en aandeelhouder van [bedrijf 18] is [betrokkene 1] . [bedrijf 15] is eigenaar van de [bedrijf 19] in Griekenland.
[bedrijf 14] hield ook 90% van de aandelen van [bedrijf 16] . De overige 10% van de aandelen was in handen van het hiervoor genoemde [bedrijf 18] . [medeverdachte 1] heeft in het verhoor bij de politie op 15 december 2020 verklaard dat hij geen bestuurder is van [bedrijf 16] , maar dat hij daarin een partner heeft zitten genaamd [betrokkene 1] . Zij hebben volgens [medeverdachte 1] samen de leiding over [bedrijf 16] , maar [betrokkene 1] is tekenbevoegd.
Doorzoeking woning [medeverdachte 6]
Tijdens de doorzoeking op 19 juli 2018 in de woning aan de [adres 1] [plaats 2] is administratie aangetroffen van onder meer [bedrijf 1] , [bedrijf 20] , [bedrijf 16] , [bedrijf 12] , [bedrijf 11] , [bedrijf 21] en [bedrijf 22] . Ook werd er een multomap aangetroffen met daarop vermeld [bedrijf 4] waarin zich een uitdraai van de Kamer van Koophandel van dit bedrijf bevond, bankafschriften en een overeenkomst met de ING Bank, evenals enkele facturen onder meer gericht aan [betrokkene 2] . Daarnaast zijn er meerdere kopieën van paspoorten aangetroffen, waaronder die van [betrokkene 2] , [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] . Laatstgenoemde is de echtgenoot van [betrokkene 5] , de tante van [medeverdachte 3] . Terzijde merkt het hof op dat [betrokkene 2] en [betrokkene 4] samen met [medeverdachte 6] en [betrokkene 6] – de vader van [medeverdachte 3] – op 20 juni 2018 in Griekenland zijn aangehouden op verdenking van de invoer van ongeveer 3.000 kilo BMK. Daarnaast werd in de woning aan de [adres 1] een computer in beslag genomen waarop een uittreksel van de Kamer van Koophandel inzake [bedrijf 20] is aangetroffen.
Het hof gaat er niet vanuit dat [medeverdachte 1] permanent woonachtig was in de woning aan de [adres 1] -I, maar stelt vast dat de woning wel anderszins aan hem te linken is. In deze woning woonde namelijk destijds [medeverdachte 6] . [medeverdachte 6] was de (buitenechtelijke) vriendin van [medeverdachte 1] . Zij is in het onderzoek ‘Venijnboom’ op 11 juli 2022 door het gerechtshof Den Haag onherroepelijk veroordeeld voor onder meer deelname aan een criminele organisatie in de periode van 11 april 2011 tot en met 16 december 2013 met [medeverdachte 1] . Zij kennen elkaar dus tenminste al vanaf april 2011 en zijn beiden voor dezelfde strafbare feiten veroordeeld.
Overigens was de huurder van de betreffende woning [bedrijf 16] , waarover [medeverdachte 1] (zoals hiervoor vermeld samen met een partner in Griekenland, [betrokkene 1] ) de leiding had. De huur van de woning werd, namens huurder [bedrijf 16] , betaald door [bedrijf 20] . Ten aanzien van dat bedrijf geldt nog het volgende.
[bedrijf 20] en [bedrijf 23]
[bedrijf 20] is opgericht op 10 oktober 2016 en ontbonden op 2 maart 2020. Enig aandeelhouder en bestuurder is gedurende al die tijd [bedrijf 23] geweest.
[bedrijf 23] is opgericht op 15 november 1989 en ontbonden op 2 maart 2020. Van 13 september 2016 tot 17 april 2019 was [betrokkene 3] , geboren op [datum 2] te [plaats] , enig aandeelhouder. Hij was van 13 september 2016 tot 15 december 2017 tevens bestuurder. Vanaf 15 december 2017 tot de ontbinding was als bestuurder aangesteld [betrokkene 7] , geboren op [datum 3] te [plaats 3] . Uit het dossier blijkt dat [betrokkene 7] de oom is van [betrokkene 3] . Vanaf 17 april 2019 was [bedrijf 24] enig aandeelhouder. [bedrijf 24] is opgericht op 17 april 2019 en eveneens ontbonden per 2 maart 2020. De bestuurder was eveneens [betrokkene 7] .
Op 18 juli 2018 vond in de woning van (de ouders van) [medeverdachte 3] een doorzoeking plaats. Kort na het moment dat de politie aanbelde verliet [medeverdachte 3] via de achterdeur de woning. Hij had onder andere een laptop bij zich en verschillende (pgp) telefoons. Tegen de verbalisant die hem tegen hield verklaarde [medeverdachte 3] aanvankelijk dat hij naar zijn stage moest, maar kort daarna dat hij geen stageplek had. Aanvankelijk wilde [medeverdachte 3] ook zijn laptop(tas) niet afstaan. De verbalisant had – naar het oordeel van het hof terecht – dan ook de indruk dat [medeverdachte 3] de laptop aan het zicht van de politie wilde onttrekken. De verbalisant heeft ter plekke in een iPhone van [medeverdachte 3] gekeken en ziet daarin onder andere een afbeelding van het paspoort van [medeverdachte 4] en een schermafbeelding met daarop de aanvraag van een nieuw wachtwoord (Belgie22) behorende bij het e-mailadres [e-mailadres 1] . De laptop is later onderzocht. Daarin zijn onder andere aangetroffen:
e-mails van en aan [bedrijf 1] , een briefhoofd van [bedrijf 1] , bankafschriften van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en een factuur aan [bedrijf 1] t.a.v.
Conclusie
Samengevat houdt het voorgaande in dat de verdachte met [medeverdachte 1] de feitelijke zeggenschap had over de dekmantelbedrijven [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Deze bv’s zijn verantwoordelijk geweest voor het transport en de betaling van het transport waar de 5.296 kilogram hennep zat verborgen. De verdachte was ten tijde van het transport werkzaam voor [medeverdachte 1] en hield zich onder meer bezig met het regelen van katvangers, waarbij [betrokkene 2] voor hem een katvanger voor [bedrijf 1] heeft geregeld. Uit de geleasede Volkswagen Polo en de verklaringen daarover van [betrokkene 15] , de administratie die is aangetroffen in de woning van [medeverdachte 6] en de aangifte van de ING over de gebruikte device ID’s, blijkt dat [medeverdachte 1] in verband kan worden gebracht met [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Het telefoonnummer van [bedrijf 2] kan worden gekoppeld aan de verdachte en hij heeft grote bedragen contant geld op de bankrekening van [bedrijf 2] gestort. [medeverdachte 1] had daarbij een groot belang aangezien grote bedragen onder meer via [bedrijf 2] gestort zijn op de bankrekening van [bedrijf 16] , een onderneming waarin [medeverdachte 1] via zijn bedrijf [bedrijf 14] voor 90% eigenaar was. Daarnaast heeft [medeverdachte 4] , die in de desbetreffende periode eveneens werkzaam was voor [medeverdachte 1] , het transport gereden.
Genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband beschouwd, zijn naar het oordeel van het hof redengevend voor het bewijs dat de verdachte zich op 26 oktober 2018, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] , heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk (via de Westerschelde) in Nederland invoeren van 5.296 kilo hennep.
Het is dan aan de verdachte een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring te gegeven. Daarin is hij niet geslaagd. De verklaring van de verdachte komt er op neer dat hij zich uitsluitend heeft bezig gehouden met het begeleiden van (legale) containertransporten van fruit en met het – voor de importeurs van fruit – vinden van afnemers, waarvoor de verdachte op commissiebasis kreeg betaald. In het geval de verdachte zich inderdaad met deze legale activiteiten heeft bezig gehouden, doet dat aan de hiervoor vermelde vaststellingen en conclusie niet af. Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat in de eerste kantoorruimte die hij met [medeverdachte 2] betrok ( [adres 5] ) administratie van de vorige huurder was achter gebleven en dat die ook telkens is meegenomen naar de nieuwe kantoorruimtes. Nog daargelaten dat deze stelling in het geheel niet is onderbouwd, in elk geval wat betreft de administratie van de hierboven genoemde bedrijven, doet deze evenmin af aan de hierboven vermelde vaststellingen, waaronder bijvoorbeeld het feit dat het telefoonnummer van de verdachte bij de ING stond geregistreerd, [bedrijf 1] in samenwerking met medeverdachten is opgericht en stukken van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ook bij [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] zijn aangetroffen.
De verweren van de verdediging zijn met het voorgaande verworpen en het feit kan bewezen worden verklaard.
7.8
Feit 4 – invoer 4.322 kilo heroïne
Op 26 december 2018 wordt in de haven van Antwerpen de container voorzien van registratienummer [registratienummer] door de douane gecontroleerd. In de lading meststoffen worden pakketten cocaïne aangetroffen. De volgende dag wordt de volledige lading meststoffen gelost en ontdekt de Belgische douane dat de zakken meststoffen positief testen op cocaïne. Er worden 3.672 pakketten cocaïne gevonden. In totaal wordt een hoeveelheid van 4.322,2 kilo cocaïne aangetroffen. De Belgische autoriteiten nemen 120 representatieve monsters. De Federale Gerechtelijk Politie te Antwerpen heeft 59 representatieve monsters overgedragen aan het Nederlandse onderzoeksteam. Het NFI heeft de 59 monsters onderzocht en die blijken allemaal cocaïne te bevatten.
De container met registratienummer [registratienummer] maakte deel uit van de vier containers die op 1 december 2018 – voorzien van de registratienummers [registratienummer] , [registratienummer 2] , [registratienummer 3] en [registratienummer 4] – in Buenaventura (Colombia) zijn geladen op het schip de [naam schip] . De Bill of Lading met nummer [nummer 5] vermeldt als ‘shipper’ (verzender van de container) [verzender] De ‘consignee’ (ontvanger) alsmede ‘notify’ (degene die de ontvangstbevestiging dient te ontvangen) is [bedrijf 3] in Antwerpen, België (hierna: [bedrijf 3] ). Het gaat om 2000 ‘bultos de abono organico’. In de ‘Huis/House Bill of Lading’ die [bedrijf 3] heeft verstrekt, staat vermeld dat [bedrijf 28] de ‘shipper’ is en dat [bedrijf 29] zowel de consignee als de notify is.
Eerste tussenconclusie
Op 26 december 2018 zijn in de haven van Antwerpen vier containers met meststoffen gearriveerd waarin in één van de containers cocaïne is aangetroffen. In totaal is er een hoeveelheid van 4.322,2 kilogram cocaïne gevonden. Het transport is afkomstig uit Colombia en via de Westerschelde – en daarmee via Nederland – naar de haven van Antwerpen verscheept.
[bedrijf 4]
[bedrijf 29] , de consignee en notify volgens de House Bill of Lading, is door het bedrijf [bedrijf 30] benaderd met de vraag of zij meststoffen kan importeren. [bedrijf 29] heeft contact gelegd met het bedrijf [bedrijf 28] uit Colombia. [bedrijf 29] is daarna door [bedrijf 30] benaderd met de vraag of de BL (Bill of Lading) naar [bedrijf 4] overdragen kan worden (het hof begrijpt: als ontvangende partij). [betrokkene 17] van [bedrijf 29] heeft hierover contact gehad met [bedrijf 4] via het emailadres [e-mailadres 6] . De telefoonnummers eindigend op * [telefoonnummer 3] en * [eindcijfers 7] , evenals voornoemd e-mailadres, staan onder de handtekening in het e-mailbericht van [bedrijf 4] vermeld.
Op 20 december 2018 om 09.45 uur stuurt [betrokkene 17] namens [bedrijf 29] een e-mailbericht naar [betrokkene 18] (van [bedrijf 3] ) en in kopie naar ‘ [e-mailadres 6] ’ met de volgende inhoud: “Please hand over the attached BL to [bedrijf 4] . And please confirm. They will pay the local cost etc.” Als cliëntdetails werden vermeld: [bedrijf 4] , [adres 13] . Bij dit e-mailbericht zijn een aantal bijlagen gevoegd. Een van de bijlagen is een Bill of Lading voorzien van het kenmerk [kenmerk] . Op deze Bill of Lading staat als shipper [bedrijf 28] en als consignee en notify [bedrijf 29] vermeld. De Bill of Lading heeft betrekking op de vier hiervoor genoemde containers ( [registratienummer] , [registratienummer 2] , [registratienummer 3] en [registratienummer 4] ) met ‘2000 bultos de abono organico’ (2000 pakketten organische meststoffen). Een andere bijlage is een document waarin [bedrijf 29] heeft verklaard dat [bedrijf 4] namens [bedrijf 29] de afhandeling van BL [kenmerk] gaat verzorgen.
Diezelfde dag om 11.20 uur wordt namens [bedrijf 4] vanaf het e-mailadres [e-mailadres 6] naar [betrokkene 18] (van [bedrijf 3] ) een e-mailbericht gestuurd met de volgende inhoud: “Goedemorgen, Kunnen jullie ons aanmaken als klant en de lokale vrachtnota sturen. Is deze zending telex-release of originele OBL, en heeft u ook de afschrijf gegevens NOA voor ons.” Dit e-mailbericht is ondertekend door ‘ [naam 9] ’ namens [bedrijf 4] . Onder het e-mailbericht staat het telefoonnummer [telefoonnummer 4] vermeld.
Omstreeks 12.44 uur die dag belt de verdachte met het nummer * [telefoonnummer 3] , naar [bedrijf 3] en doet zich voor als ‘ [betrokkene 2] van [bedrijf 4] ’. Hij zegt dat hij een BL heeft overgenomen en vraagt of [bedrijf 3] daarover een e-mailbericht heeft ontvangen. Hij wil graag als klant aangemaakt worden, aangezien ze dat nog niet zijn.
Conclusie
Alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband beschouwd, zijn naar het oordeel van het hof redengevend voor het bewijs dat de verdachte zich op 31 augustus 2019 schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk (via de Westerschelde) in Nederland invoeren van 4.322 kilo cocaïne. Gelet op het feit dat sprake was van een omvangrijk internationaal cocaïnetransport kan het niet anders dan dat de verdachte dat heeft gedaan tezamen en in vereniging met een of meer anderen. Het is vervolgens aan de verdachte een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring te geven. Daarin is hij niet geslaagd. De verdachte heeft in de kern niet meer verklaard dan dat hij niets te maken heeft met dit transport. Hij heeft naar eigen zeggen weliswaar wel eens contant geld gestort op rekeningen maar hij wil niet zeggen in opdracht van wie hij dat heeft gedaan, waarom en op welke rekeningen hij geld heeft gestort.
De verweren van de verdediging zijn met het voorgaande verworpen en het feit kan bewezen worden verklaard.
7.9
Feit 5 – invoer van 6,58 gram heroïne
In de nacht van 30 op 31 augustus 2019 is door de Engelse autoriteiten in de haven van Felixtowe in Engeland een zeecontainer voorzien van het nummer [containernummer 2] gecontroleerd. De container was afkomstig uit Pakistan. De container was verzegeld met een blauwkleurig zegel van [bedrijf 8] en voorzien van het nummer [zegelnummer 2] . In de container zaten witte handdoeken en tussen de handdoeken zijn pakketten aangetroffen met (in totaal) 1.297 kilogram heroïne De Engelse autoriteiten hebben een hoeveelheid van 6,58 gram van de heroïne teruggeplaatst in de container en de overige heroïne vervangen door dummy’s. De container is vervolgens naar de haven van Antwerpen verscheept. De container was bestemd voor [bedrijf 5] gevestigd te Schiphol.
Op 1 september 2019 wordt de container in de haven van Antwerpen gelost. Op die dag heeft [bedrijf 6] op het emailadres [e-mailadres 7] een emailbericht van [bedrijf 5] ontvangen, welke was verzonden vanaf het emailadres [e-mailadres 8] . In dat emailbericht wordt opdracht gegeven om de container in de haven van Antwerpen op te halen en naar Rotterdam te brengen. Uit de bijlage bij dat emailbericht blijkt dat het onder meer om de container met nummer [containernummer 2] gaat. [bedrijf 6] ( [e-mailadres 7] ) stuurt deze opdracht vervolgens door naar [betrokkene 20] (hierna: [betrokkene 20] ) ( [e-mailadres 9] ), de latere chauffeur van het transport.
Voor het ophalen van deze container heeft [betrokkene 20] op 20 augustus 2019 CMR documenten van [medeverdachte 3] gekregen. [medeverdachte 3] heeft de documenten aan [betrokkene 20] overhandigd bij een benzinestation in Rotterdam. Kort voorafgaand aan deze ontmoeting heeft hij een ontmoeting met de verdachte gehad.
Op 2 september 2019 haalt [betrokkene 20] de container [containernummer 2] op uit Antwerpen met een vrachtwagen met kenteken [kenteken 2] in combinatie met een oplegger met kenteken [kenteken 3] . Hij rijdt vervolgens naar het terrein van ‘ [bedrijf 31] ’, [adres 14] waar hij om 11.00 uur arriveert. Hij heeft daar contact met [betrokkene 9] , [betrokkene 21] en [betrokkene 22] . Vervolgens wordt daar de container gelost door [betrokkene 9] , [betrokkene 22] en [betrokkene 20] . Zij worden om 12.06 uur, in de directe nabijheid van de container, in of nabij de loods aangehouden. Kort daarna wordt ook [betrokkene 21] aangehouden bij de afslag Odijk/Bunnik aan de A12.
Eerste tussenconclusie
Op 2 september 2019 is in de haven van Antwerpen een container opgehaald door [betrokkene 20] waarin zich 6,58 gram heroïne bevond. Deze heroïne maakte deel uit van een grotere partij van 1.297 kilogram heroïne die in de nacht van 30 op 31 augustus 2019 door de Engelse autoriteiten is onderschept en met uitzondering van die 6,58 gram inbeslaggenomen is. De container met daarin de 6,58 gram heroïne is, via de Westerschelde, Nederland binnen gekomen en afgeleverd in de haven van Antwerpen. Vanaf de haven van Antwerpen is de container naar Bergschenhoek (Nederland) vervoerd door [betrokkene 20] , waarna de container door [betrokkene 22] , [betrokkene 9] en [betrokkene 20] werd gelost. De CMR documenten, ten behoeve van het wegvervoer, had [betrokkene 20] twee weken eerder ontvangen van [medeverdachte 3] die kort daarvoor een ontmoeting heeft gehad met de verdachte. De container was bestemd voor [bedrijf 5] .
[bedrijf 5]
Uit het bedrijvenregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat [betrokkene 23] , enig bestuurder van [bedrijf 5] (hierna: [bedrijf 5] ) is. Uit de iCOV-bevraging blijkt dat [betrokkene 23] op geen enkele wijze inkomsten ontvangt uit zijn werkzaamheden voor [bedrijf 5] . Er zijn daarnaast geen aanwijzingen gevonden dat hij daadwerkelijk enige bemoeienis heeft met [bedrijf 5] . Hij kan dan ook, mede gelet op zijn verklaring bij de politie waarin hij zegt niets van de bedrijfsvoering van [bedrijf 5] te weten en geen handelingen uit te voeren voor dat bedrijf, worden gezien als katvanger.
Oprichtingsdocumenten met betrekking tot [bedrijf 5] alsmede correspondentie tussen de Belastingdienst en [bedrijf 5] zijn aangetroffen op een USB-stick in het kantoorpand aan het [adres 8] te Den Haag. [medeverdachte 2] en de verdachte hebben in hoger beroep verklaard dat zij – ten tijde van de doorzoekingen in juli en september 2020 – van dat kantoorpand gebruik maakten. Tijdens de tweede doorzoeking werd in het pand aan het [adres 8] een Asus-laptop inbeslaggenomen. Op deze laptop zijn drie mailboxen opgeslagen. Het betreft onder meer:
de mailbox van [e-mailadres 8] in de periode van 12 februari 2018 tot en met 2 september 2019 met ruim 50 e-mailberichten;
de mailbox van [e-mailadres 7] in de periode van 30 mei 2019 tot en met 2 september 2019 met ruim 300 e-mailberichten.
Bij de doorzoeking is ook een HP-laptop in beslag genomen waarop de mailbox van [e-mailadres 8] stond opgeslagen met daarin ruim 160 e-mailberichten in de periode van 12 februari 2019 tot en met 12 juli 2019. Op deze laptop werden verder de volgende documenten aangetroffen:
Arrival notice [bedrijf 8] met betrekking tot de zending van de containers met nummer [containernummer 2] met als consignee [bedrijf 5] en als contactpersoon [betrokkene 23] (het hof begrijpt: [betrokkene 23] );
Delivery order [bedrijf 8] met betrekking tot de zending van de container met nummer [containernummer 2] ;
T1-document met betrekking tot de zending van container met nummer: [containernummer 2] , waarin ook melding wordt gemaakt van de lading te weten 100% katoenen handdoeken;
Importfactuur [bedrijf 8] met betrekking tot de zending van de container met nummer [containernummer 2] ten name van [bedrijf 5] van 28 augustus 2019 van € 450,00
Op de USB-stick waarop ook het e-mailbericht staat van 1 september 2019 waarin [bedrijf 5] aan [bedrijf 6] de opdracht geeft om de container uit Antwerpen op te halen, staat ook een Word-document getiteld “huurovereenkomst [naam overeenkomst] ”. Uit deze overeenkomst blijkt dat het bedrijf [bedrijf 32] , vertegenwoordigd door [betrokkene 21] geboren op 30 juli 1992, een bedrijfsruimte verhuurt gelegen aan [adres 14] . Deze ruimte wordt verhuurd aan het bedrijf [bedrijf 7] . Op dit bedrijf komt het hof hierna nog terug.
Conclusie
Alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden in onderling verband beschouwd zijn naar het oordeel van het hof redengevend voor het bewijs dat [medeverdachte 2] en de verdachte als medeplegers betrokken zijn geweest bij de invoer van 6,58 gram heroïne. Het is dan aan de verdachte een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring te geven. Daarin is hij niet geslaagd. Ook hier geldt dat de verklaring van de verdachte in de kern niet meer inhoud dan dat hij niets met het drugstransport te maken heeft.
De verweren van de verdediging zijn met het voorgaande verworpen en het feit kan bewezen worden verklaard.
7.10
Feit 6 – invoer 750 kilo cocaïne
Op 3 maart 2020 worden er vanaf de bankrekening [rekeningnummer 4] op naam van [bedrijf 10] drie betalingen van steeds € 12.464,36 gedaan aan [bedrijf 36] . In de omschrijving staat ‘ [bedrijf 9] ’ genoemd. De reeks betalingen heeft een opeenvolgende nummering.
Eind maart 2020 worden drie containers met bananen verscheept met kenmerk [kenmerk 1] , [kenmerk 2] en [kenmerk 3] . De afzender/shipper is [bedrijf 37] uit Guayaquil, Ecuador. De containers zijn bestemd voor [bedrijf 9] , [adres 16] Nederland.
OVC-gesprekken
Op 17 maart 2020 vindt een gesprek plaats tussen [medeverdachte 2] en [betrokkene 16] in de kantoorruimte aan de [adres 6] . In dat gesprek zegt [medeverdachte 2] tegen [betrokkene 16] dat hij nog een ander klusje voor hem heeft waar een beetje voorzichtigheid bij gepast is. [medeverdachte 2] zegt vervolgens: “Wij hebben een chauffeur, een oudere chauffeur, die (…) vroeger voor ons als groep [heeft gewerkt]”. Hij zegt verder dat zij zat werk voor die chauffeur hebben en hij dan wat kan verdienen. En dat hij zijn nummer heeft.
De volgende dag, 18 maart 2020, vindt er, eveneens op de [adres 6] in Rijswijk, tussen de verdachte, voornoemde [medeverdachte 2] en [betrokkene 16] een gesprek plaats. [medeverdachte 2] zegt in dat gesprek “Ik heb eerst gezegd, laten we eerst even die chauffeur regelen, dat is effe prioriteit”. Hij zegt verder dat die chauffeur voor hun groep heeft gereden en dat zij een klus voor die chauffeur hebben. De verdachte zegt dat zij hem voor hen willen laten rijden. [medeverdachte 2] zegt dat hij ‘volle boxen, dozen’ ‘en gewoon met’ kan rijden. [medeverdachte 2] zegt dat [betrokkene 16] tegen hem moet zeggen: “We hebben gewoon werk voor je, je kan gewoon werk sowieso onder continuïteit, we kunnen een truck voor je regelen, want hij heeft ook zelf een transportbedrijf en weet niet of ie een vrachtwagen heeft. Dus we kunnen zeggen, joh, luister es, we kunnen voor jouw transportbedrijf een vrachtwagen leasen. Die financieren wij.” Op een gegeven moment zegt de verdachte dat het gaat om [medeverdachte 4] . [betrokkene 16] vraagt of hij de naam [bedrijf 9] mag noemen. [medeverdachte 2] zegt dan dat hij dat niet mag doen en de verdachte zegt vervolgens dat het nu nog niet mag en er even moet worden gekeken hoe het gesprek is en hoe het gaat. Uit het gesprek kan worden opgemaakt dat er snel met [medeverdachte 4] moet worden afgesproken. Zo zegt de verdachte “en liefst misschien nog vandaag, vanmiddag” (…) “want der moet echt eh” (…) ”gas op gezet worde.” [betrokkene 16] neemt vervolgens telefonisch contact op met [medeverdachte 4] .
Op 19 maart 2020 vindt er in het kantoor aan de [adres 6] een gesprek plaats tussen de verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] zegt onder meer: “Ik weet altijd of ik een pretpakket meekrijg ja, of nee”. De verdachte zegt even later: “Eh, we zijn natuurlijk eh, zijn lekker bezig, maar we hebben altijd eh, eh een goeie ouwe bekende hadden we nodig die toch iets beter eh weet hoe het reilt en zeilt eh.” (…) “In de havens”. En kort daarna zegt [medeverdachte 4] : “(…) in januari een volle bak d’r uit gehaald? Nah, nou, je weet het bedrag wat ik krijg? Een halve ton per bak?” Hij zegt ook: “Ik [heb] er laatst nog eentje uitgehaald, ook een volle bak” en dan zegt de verdachte “ook uit Antwerpen”.
Uit gesprekken die op dezelfde dag plaatsvinden tussen de verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] leidt het hof af dat met een “pretpakket” en een “volle bak” een container met verdovende middelen wordt bedoeld. Zo zegt de verdachte: “En toen als laatst, had ie nog twee paar pretpakketten gereden” en [medeverdachte 2] zegt “Ja, eentje weten we denk ik. Dat is een eh, een, met eh bruin derin.” Even later heeft [medeverdachte 4] het over de laatste keer dat hij een bak heeft gereden en dat dat fout is gegaan. [verdachte] vraagt dan welke fout is gegaan, waarop [medeverdachte 4] antwoordt: “ze hebben ‘m in Engeland onderschept, toen hebben ze hem eh leeggehaald? Dummy’s erin gegooid.” “Was in Bergschenhoek, bij eh [bedrijf 35] .” De verdachte vraagt [medeverdachte 4] of hij iets daarover heeft gehoord. Uit de daarop volgende reactie van [medeverdachte 4] volgt dat hij daarvoor bij de politie Rotterdam is geweest. [medeverdachte 4] zegt dat hij toen hoorde dat het niet om cocaïne maar heroïne ging. Wanneer de verdachte vraagt wanneer dat (kennelijk doelend op het transport) geweest is antwoordt [medeverdachte 2] ; “Dat was net voor die van ons”.
Als de verdachte vraagt “Eh, ben jij nog, ben jij nog oké om eh, om bakken te rijden?” zegt [medeverdachte 4] daarop “ja”. In het vervolg van het gesprek zegt de verdachte: “Oké, maar effe kijke eh, wij hebben, wij hebben wel zat te doen alleen we hebben voor één transportbedrijf wat we hebben eh moeten we alleen eh even een wagen gaan huren, tolkastje halen”. [medeverdachte 2] benadrukt “Er is één voorwaarde. Je mag niks, maar dan ook niks met [bijnaam] of weet ik vee, iemand toegaan dat wij merken, dat we iets doen.” Op de vraag van de verdachte hoe snel zij een havenpas hebben, vraagt [medeverdachte 4] of zij dan een bedrijf hebben. De verdachte antwoordt daarop dat zij een ‘tp-bedrijf’ hebben. En daarna zegt hij dat ze moeten kijken waar zij een tijdelijk een trekker en een trailer kunnen huren. De verdachte vraagt dan aan [medeverdachte 4] of hij daar nog welkom is. [medeverdachte 4] antwoordt dat hij dat niet weet en dat hij eerst een nieuwe pas wil hebben, een Alfapass (het toegangssysteem tot de haven van Antwerpen). [medeverdachte 2] zegt vervolgens: “Ja, maar dan moeten we dan nu effe snel regelen.”
Eerste tussenconclusie
Uit voorgaande gesprekken valt af te leiden dat [medeverdachte 2] en de verdachte willen dat [medeverdachte 4] voor hen als chauffeur containers gaat rijden en dat [medeverdachte 4] daarop positief reageert. In de gesprekken wordt ook (veelal) in versluierde taal (‘volle boxen’, ‘bruin’) gesproken over eerder vervoerde containers met verdovende middelen. De worden cocaïne en heroïne vallen ook letterlijk. Uit de gesprekken volgt verder dat [medeverdachte 2] en de verdachte een transportbedrijf (‘tp’) hebben, dat zij voor [medeverdachte 4] een trekker, een trailer en een toegangspas voor de haven in Antwerpen gaan regelen en dat er haast bij is.
Diezelfde dag, 19 maart 2020, vindt een mailwisseling plaats tussen [e-mailadres 7] en Alfapass met betrekking tot de aanvraag van een Alfapass voor het bedrijf [bedrijf 6] , ten behoeve van chauffeur [medeverdachte 4] .
Op 23 maart 2020 vindt een mailwisseling plaats tussen [e-mailadres 7] en [bedrijf 33] over het huren van een DAF truck, voorzien van het kenteken [kenteken 4] . Vanuit [e-mailadres 7] wordt een e-mailbericht verstuurd naar [e-mailadres 10] met als bijlagen een uittreksel Kamer van Koophandel betreffende [bedrijf 6] , een gescande kopie van het paspoort van [betrokkene 20] , een gescande kopie van het rijbewijs van [medeverdachte 4] , en een gescande kopie van de bestuurderskaart van [medeverdachte 4] .
Conclusie
Uit al het voorgaande volgt dat elf dagen nadat [medeverdachte 4] door [medeverdachte 2] en de verdachte is gevraagd voor hen containers te vervoeren en daarvoor een Alfapass is geregeld, [medeverdachte 4] een container met 750 kilogram cocaïne in de haven van Antwerpen heeft opgehaald. [medeverdachte 2] heeft een (valse) zegel gemaakt die is gebruikt bij dit transport. De container was afkomstig uit Ecuador en bestemd voor [bedrijf 9] over welk bedrijf [medeverdachte 2] en de verdachte de feitelijke zeggenschap hadden.
Alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van het hof redengevend voor het bewijs dat de verdachte met [medeverdachte 2] betrokken is bij de invoer van de 750 kilogram cocaïne op 30 maart 2020. Het is onder deze omstandigheden aan de verdachte een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring te geven voor deze belastende feiten en omstandigheden.
De verdachte heeft verklaard dat hij niets met het transport te maken heeft. Hij heeft [medeverdachte 4] gepolst om containers te vervoeren maar hij heeft hem niet gevraagd om een container met drugs te vervoeren. Verder is de aangetroffen administratie van [bedrijf 9] en [bedrijf 6] niet van hem maar van vorige huurders van kantoorpanden waar de verdachte en [medeverdachte 2] vóór het [adres 8] in hadden gezeten. De door die huurders achtergelaten spullen hebben de verdachte en [medeverdachte 2] (telkens) meegenomen.
Het hof acht de verklaring van de verdachte niet aannemelijk geworden. Dat in het OVC-gesprek van 19 maart 2020 niet letterlijk door de verdachte aan [medeverdachte 4] de vraag is gesteld of hij containers met cocaïne wil vervoeren doet aan het hiervoor vastgestelde niet af. Bovendien werd in dat gesprek, zoals het hof hiervoor heeft vastgesteld, in versluierde taal gesproken over containers met verdovende middelen. Uit het gesprek kan worden afgeleid dat de gespreksdeelnemers begrepen waarover men sprak.
Het hof hecht evenmin geloof aan de verklaring van de verdachte dat de aangetroffen administratie van [bedrijf 9] en [bedrijf 6] van vorige huurders was. Op zichzelf genomen zou dit al extreem toevallig zijn. Daar komt bij dat, zoals reeds besproken, de verdachte en [medeverdachte 2] de feitelijke zeggenschap over [bedrijf 9] hadden en zij ook in OVC- en tapgesprekken met elkaar over [bedrijf 9] spreken. De aangetroffen administratie van [bedrijf 9] op het kantoor van de verdachte en [medeverdachte 2] sluit daarbij aan. Daarnaast is de aangetroffen factuur van 19 maart 2020 betreffende de Alfapass aan [bedrijf 6] in lijn met het OVC gesprek van diezelfde dag waarin de verdachte en [medeverdachte 2] aangeven die pas voor [medeverdachte 4] te zullen regelen.
De verdachte is er dus niet in geslaagd een verklaring te geven die de redengevendheid van de hiervoor genoemde belastende feiten en omstandigheden ontzenuwt. Het hof concludeert dan ook gelet op het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd, dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte 2] , waarbij de materiële bijdrage van de verdachte van dusdanig gewicht is dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de opzettelijke invoer van de in beslag genomen 750 kilogram cocaïne.
7.11
Feit 7 – (gewoonte)witwassen
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het gewoontewitwassen van een bedrag van € 354.470,00 en een BWM 5ER Reihe. Van het witwassen van de overige drie auto’s op de tenlastelegging heeft de advocaat-generaal vrijspraak gevorderd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van (gewoonte)witwassen. Daartoe heeft hij betoogd dat geen sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat de door de verdachte gestorte geldbedragen van misdrijf afkomstig waren. Nu dat vermoeden ontbreekt en volgens de verdediging evenmin kan worden bewezen dat de verdachte zich bezig heeft gehouden met de invoer van verdovende middelen, was de verdachte niet gehouden om een verklaring af te leggen over de herkomst van de gestorte contante bedragen. Voor de BWM geldt dat de verdachte deze heeft betaald met legale inkomsten verkregen uit commissies die hij ontving in de fruithandel.
Vrijspraak witwassen Mercedes Benz, BMW 530D en BMW118I
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen, zoals ook door de advocaat-generaal en de raadsman betoogd, dat de verdachte een Mercedes Benz C 220, BMW 530D X Drive en een BMW 118I heeft witgewassen, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
Contante geldbedragen van in totaal
€ 354.470,00
en een BMW 5ER Reihe
Uit het dossier blijkt dat de verdachte in de periode van 27 maart 2017 tot 1 januari 2020 in totaal contant € 361.850,00 (ten laste gelegd is overigens € 354.470,00) heeft gestort op de bankrekeningen van de hieronder genoemde besloten vennootschappen. Niet gebleken is dat de verdachte een formele relatie had met een van deze bv’s. De verdachte heeft zich bij de politie en bij de zittingen in eerste aanleg telkens op zijn zwijgrecht beroepen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij deze contante geldbedragen telkens heeft gekregen van en gestort in opdracht van een ander.
Beoordeling
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis / 420ter Sr opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp of de geldbedragen afkomstig zijn uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp of de geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp en/of geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat deze een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Vermoeden van witwassen
Gelet op het groot aantal keren dat de verdachte contant geld heeft gestort op rekeningen van bedrijven waarmee hij geen formele relatie heeft, de hoogte van deze contante stortingen en de omstandigheid dat de verdachte – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – betrokken is geweest bij de invoer van ruim 5500 kilogram hennep, bijna 1300 kilogram heroïne, 750 kilogram cocaïne en ruim 4000 kilogram cocaïne, en de vaststelling dat een deel van de bedrijven die geld van de verdachte hebben ontvangen, rechtstreeks is te koppelen aan deze transporten, is het hof van oordeel dat er sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.
Onder de gegeven omstandigheden mag dan ook van de verdachte een concrete, verifieerbare verklaring worden verlangd die niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. De verklaring die de verdachte in hoger beroep heeft afgelegd houdt in de kern niet meer in dan dat hij de geldbedragen in opdracht van een ander heeft ontvangen en gestort, dat hij over de herkomst van het geld geen vragen heeft gesteld en hij het geld verschillende keren bij een benzinestation kreeg overhandigd van een ander dan de opdrachtgever. Wie de opdrachtgever(s) was/waren heeft hij niet willen zeggen en evenmin heeft hij willen verklaren wie de persoon was van wie hij het geld bij het benzinestation overhandigd kreeg. De verdachte heeft aldus zijn verklaring niet of nauwelijks geconcretiseerd. In elk geval is zijn verklaring niet verifieerbaar. Het witwasvermoeden is dan ook niet weerlegd. Gelet hierop kan het niet anders dan dat het door de verdachte gestorte geld van misdrijf afkomstig was en dat de verdachte dat wist. Bewezen kan dus worden dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het witwassen van de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen.
In het licht van het voorgaande is het vermoeden van witwassen eveneens gerechtvaardigd ten aanzien van de aanschaf van de BMW 5ER Reihe waarvan het aankoopbedrag contant is voldaan. De verdachte heeft verklaard dat hij deze BMW heeft gekocht van de commissiebedragen die hij contant heeft ontvangen in de fruithandel. Weliswaar hebben getuigen verklaard dat hij contant commissiebedragen ontving, maar de hoogte van deze bedragen en het aantal keren dat en wanneer hij op deze wijze betaald kreeg, is in het geheel niet verifieerbaar. De verdachte heeft zijn gestelde inkomsten uit deze commissiebedragen ook niet opgegeven bij de Belastingdienst. Van verifieerbare inkomsten is dan ook geen sprake en ook ten aanzien hiervan is het hof van oordeel dat dit vermoeden van witwassen niet is weerlegd. Het hof is daarom van oordeel dat het niet anders kan dan dat het geld waarmee de aanschaf van de BMW 5ER Reihe is voldaan, van misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dat wist. De verdachte heeft zich dus ook schuldig gemaakt aan het witwassen van de BMW 5ER Reihe, voorzien van kenteken [kenteken 6] .
Gewoontewitwassen
Bij de vraag of de verdachte een gewoonte heeft gemaakt van witwassen komt onder meer betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, alsmede aan het aantal gedragingen en het tijdsbestek waarbinnen deze zich hebben afgespeeld. Het hof heeft hiervoor al vastgesteld dat de verdachte in de periode van 27 maart 2017 tot 1 januari 2020 veelvuldig contante geldbedragen heeft gestort op bankrekeningen van verschillende bedrijven waarmee hij geen formele relatie heeft. Mede in aanmerking genomen het vele aantal keren dat de verdachte de stortingen heeft verricht, de totale termijn van ruim twee en een half jaar en de totale hoogte van de gestorte bedragen is het hof van oordeel dat de verdachte in zoverre van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt. Het witwassen van de BMW staat hier naar het oordeel van het hof los van.
7.12
Feit 1 en 2 – criminele organisatie
Onder 1 en 2 is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie in de periode van 1 juli 2018 tot 1 maart 2019, respectievelijk 1 maart 2019 tot 29 september 2020.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman het standpunt ingenomen dat ‘weliswaar bewezen kan worden dat de verdachte op verzoek van [medeverdachte 1] werkzaamheden heeft verricht waarmee hij mogelijk onbedoeld een aandeel heeft gehad in gedragingen die strekten tot – of rechtstreeks verband hielden met – het binnen een organisatie bestaand oogmerk’, maar niet kan worden bewezen dat hij deze werkzaamheden uitvoerde in het kader van een samenwerkingsverband tussen hem en onder andere [medeverdachte 1] .
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat volgens de verdachte hij geen criminele organisatie heeft gevormd met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . De verdachte was weliswaar met hen in meer of mindere mate – bevriend, maar van een samenwerkingsverband in de zin van artikel 140 Sr was geen sprake. Er was geen hiërarchische verhouding, geen gezamenlijk oogmerk tot het plegen van strafbare feiten en heeft de verdachte geen handelingen verricht die kwalificeren als het deelnemen aan een criminele organisatie.
Beoordeling
De rechtspraak van de Hoge Raad over de bestanddelen van artikel 140, eerste lid, Sr laat zich op hoofdlijnen als volgt weergeven.
Van een ‘organisatie’ als bedoeld in artikel 140 Sr is sprake als het gaat om een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon.
Van ‘deelneming’ aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr is sprake als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Het is niet vereist dat vast komt te staan dat de verdachte heeft samengewerkt met, of in ieder geval bekend is met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de verdachte op zichzelf worden beoordeeld. Het is dus bijvoorbeeld niet van belang of andere personen meer hebben gedaan of een belangrijker rol vervulden dan de verdachte. Voor deelneming in de zin van artikel 140 Sr is voldoende dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. De verdachte hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.
Het gaat bij het misdrijf van artikel 140 Sr niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van misdrijven, maar om het ‘oogmerk’ tot het plegen van misdrijven. Voor dat oogmerk kan ook het naaste doel van de organisatie volstaan. Het is niet vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is.
Het oogmerk hoeft niet in de tenlastelegging nader te zijn omschreven, maar moet uit de bewijsvoering blijken. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.
Voor het bewijs voor deelname aan een criminele organisatie zal dus moeten worden vastgesteld dat:
(i) sprake is geweest van een organisatie;
(ii) deze organisatie als oogmerk had het plegen van misdrijven; gelet op de tenlastelegging in dit geval specifiek Opiumwetfeiten en witwassen.
(iii) het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als deelneming aan deze organisatie.
Algemeen
Het hof stelt voorop dat de uitvoering van een internationaal drugstransport van een omvang en complexiteit zoals die is bewezen verklaard onder 3, 4, 5 en 6, een criminele organisatie vergt die het plegen van verscheidene misdrijven tot oogmerk heeft. Bij de uitvoering van deze transporten is immers sprake geweest van verschillende in de Opiumwet strafbaar gestelde misdrijven, zoals het vervoer, de aflevering, de invoer en het aanwezig hebben van de verdovende middelen. De op daarop gerichte besluitvorming en activiteiten van de verschillende deelnemers moeten dus onderling nauw op elkaar zijn afgestemd en droegen naar hun aard een planmatig karakter. Gelet hierop kunnen zowel feit 1 als feit 2 bewezen worden verklaard. Daarnaast overweegt het hof nog het volgende.
Criminele organisatie in de periode van 1 juli 2018 tot 1 maart 2019 (feit 1)
Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van het bewezenverklaarde drugstransport van 26 oktober 2018 (feit 3) is overwogen volgt dat de criminele organisatie onder andere bestond uit de verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] . De verdachte maakte, samen met [medeverdachte 1] , gebruik van de dekmantelbedrijven [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en zette daarvoor [betrokkene 8] en [betrokkene 12] als katvangers in. [verdachte] en [medeverdachte 4] waren ten tijde van het henneptransport in oktober 2018 werkzaam voor [medeverdachte 1] . Ook heeft de verdachte – net zoals [medeverdachte 3] – in die periode geld gestort op de rekening van [bedrijf 2] . Onder [medeverdachte 3] is een laptop in beslag genomen met daarop onder meer gegevens die betrekking hadden op [bedrijf 1] . Geconcludeerd kan dus worden dat ook [medeverdachte 3] deelnam aan de criminele organisatie.
Uit het dossier maakt het hof op dat de organisatie door de tijd heen twee samenstellingen heeft gekend. Op enig moment is er kennelijk ruzie ontstaan dus [medeverdachte 1] en zijn broer [medeverdachte 2] wat heeft gezorgd voor een splitsing van het samenwerkingsverband.
In dit verband acht het hof het OVC-gesprek van 17 maart 2020 op de [adres 6] tussen de verdachte, [medeverdachte 2] en [betrokkene 16] van belang. [medeverdachte 2] heeft het in dat gesprek over een chauffeur, waaruit het hof begrijpt dat hij doelt op [medeverdachte 4] :
We hebben een chauffeur, een oudere chauffeur, die heeft vroeger (…) gewerkt voor ons als groep zijnde (…) en die groep is uit elkaar gegaan, er zat 1 oplichter in (…) die is er dus uitgewerkt en die komt nergens meer aan de bak. Alleen die chauffeur krijgt nog geld van die oplichter en die blijft een beetje plakken aan die oplichter. Voor die chauffeur hebben wij zat werk.
Daarnaast acht het hof het – reeds hiervoor aangehaalde – OVC-gesprek van 19 maart 2020 op de [adres 6] van belang, waarin de verdachte het volgende zegt tegen [medeverdachte 4] :
De reden natuurlijk ook dat ik eh weg ben gegaan eh is natuurlijk ook omdat er niet betaald werd en eh ik was er gewoon een beetje klaar mee. Nou, gezegd eh, de mazzel en eh, dan weet natuurlijk wat het probleem is om wat dinge, andere dinge op te zette eh ook met en, ehm [bijnaam 5] (het hof: [medeverdachte 2] ) samen? Maar ja, dan zijn we een jaar verder en eh we hebben een en ander echt al opgezet en draaiende.
Het hof leidt hieruit af dat de eerste criminele organisatie heeft bestaan tot ongeveer maart 2019. Hierna is een deel van de tot die organisatie behorende personen hun eigen weg gegaan. [verdachte] zegt immers op 19 maart 2020 dat zij al een jaar bezig zijn. Voor deelname aan deze eerste organisatie door [medeverdachte 2] bestaat net te weinig bewijs, omdat niets concreets over zijn handelen kan worden vastgesteld.
Het hof komt zodoende tot de slotsom dat de verdachte in de periode van 1 juli 2018 tot 1 maart 2019 met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, die tot oogmerk had het plegen van misdrijven.
Oogmerk
De wijze van ten laste leggen dwingt dat oogmerk nader te specificeren. Uit de bewezenverklaring van de feiten 3, 4 en 7, en de daarbij betrokken personen, volgt dat het oogmerk van de organisatie gericht was op het plegen van de invoer e.d. van verdovende middelen als bedoeld in lijst I en II van de Opiumwet en witwassen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 primair eerste alternatief, 4 primair, 5 primair eerste alternatief, 6 primair eerste alternatief, 7 en 8 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2, 3 primair eerste alternatief, 4 primair, 5 primair eerste alternatief, 6 primair eerste alternatief , 7 en 8 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaar en 6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd:
33. USB-stick (memorykaart Take MS);
43. telefoon (iPhone encryptie-device);
44. telefoon (iPhone SKY ECC encryptie-device);
45. telefoon (BQ encryptie-device).
Gelast de teruggave aan de verdachte van:
1. horloge (Rolex in doosje inclusief bescheiden en 2 schakels);
5. grijze personenauto (BMW 118i, kenteken G-911-GS);
10. 5 flessen drank (kist met 5 flessen Fonseca port);
11. fles drank (Johnny Walker George V);
12. doos drank (Highland Park Thorfinn);
14. een geldbedrag (vijf keer 100 dollar);
15. een geldbedrag (49 keer 50 euro);
16. een geldbedrag (19 keer 50 euro, 1 keer 20 euro, 2 keer 5 euro);
23. goudkleurige computer (Lenovo Yoga inclusief hoes);
24. modem (Huawei Router);
26. telefoon (Nokia);
31. administratie;
32. USB-stick (memorykaart Sandisk 32 GB);
34. USB-stick (memorykaart Max’L 32 GB);
35. telefoon (Samsung);
42. diverse administratie.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. M.L. Leenaers en mr. J. Piena, in tegenwoordigheid van mr. R.M. ter Horst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 januari 2025.
De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001944-22
datum uitspraak: 10 januari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 juli 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-997090-18 tegen
[verdachte]
,
geboren te [plaats] op [datum] ,
gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Lelystad.
1Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 november, 22 november, 26 november, 27 november, 11 december 2024 en 8 januari 2025 en, op grond van artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank op 8 april 2021 en 26 en 28 oktober 2021 toegelaten wijzigingen is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
1. ZD 11)
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2018 tot 1 maart 2019 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie bestond uit verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en een of meer andere personen en die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in:
- artikel 10, vierde en vijfde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen en het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van (verdovende) middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a lid 5 van de Opiumwet;
- artikel 10a Opiumwet, te weten voorbereidingshandelingen om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen;
- artikel 11, vierde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen van (verdovende) middelen als bedoeld in lijst II van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a lid 5 van de Opiumwet;
- artikel 420 bis/ter/quater van het Wetboek van Strafrecht, te weten gewoontewitwassen, dan wel opzettelijk witwassen, dan wel schuld witwassen van voorwerpen, waaronder geldbedragen en voertuigen;
- artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, te weten valsheid in geschriften, waaronder bankafschriften en contracten;
2.
hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2019 tot 29 september 2020 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie bestond uit verdachte, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en een of meer andere personen en die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in:
- artikel 10, vierde en vijfde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen en het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van (verdovende) middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a lid 5 van de Opiumwet;
- artikel 10a Opiumwet, te weten voorbereidingshandelingen om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen;
- artikel 11, vierde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen van (verdovende) middelen als bedoeld in lijst II van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a lid 5 van de Opiumwet;
- artikel 420 bis/ter/quater van het Wetboek van Strafrecht, te weten gewoontewitwassen, dan wel opzettelijk witwassen, dan wel schuld witwassen van voorwerpen, waaronder geldbedragen en voertuigen;
- artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, te weten valsheid in geschriften, waaronder bankafschriften en contracten
3. ( ZD 6)
hij op of omstreeks 26 oktober 2018 te Antwerpen, in elk geval in België, en/of op de Westerschelde, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (via de Westerschelde) binnen het grondgebied van Nederland en België heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 5.296 kilogram, in elk geval een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
of
[bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] op of omstreeks 26 oktober 2018 te Antwerpen, in elk geval in België, en/of op de Westerschelde, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (via de Westerschelde) binnen het grondgebied van Nederland en België heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 5.296 kilogram, in elk geval een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a die wet, tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en), verdachte, tezamen en in vereniging met een ander/anderen, feitelijk leiding heeft gegeven;
subsidiair:
één of meer (tot nu toe onbekend gebleven) personen op of omstreeks 26 oktober 2018 te Antwerpen, in elk geval in België en/of op de Westerschelde, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (via de Westerschelde) binnen het grondgebied van Nederland en België heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 5.296 kilogram, in elk geval een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 september 2018 (datum verscheping container vanuit Thailand) tot en met 26 oktober 2018 te Leidschendam en/of Voorburg en/of Den Haag en/of Rijnsburg en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door
- het ter beschikking stellen en gebruik (laten) maken van de rechtspersoon [bedrijf 1] als ontvanger van de (dek) lading kokosvezel waartussen en/of de container waarin zich de hennep bevond en van welke rechtspersoon verdachte en/of zijn medeverdachte(n) de feitelijk bestuurder(s) was/waren en die verdachte (mede) heeft (laten) oprichten;
- het ter beschikking stellen en gebruik (laten) maken van de rechtspersoon [bedrijf 2] en/of diens bankrekening welke rechtspersoon is betrokken bij het vervoer en de verscheping van de (dek)lading kokosvezel waartussen en/of de container waarin zich de hennep bevond, welke rechtspersoon een betaling voor het vervoer van de container heeft gedaan en van welke rechtspersoon verdachte en/of zijn medeverdachte(n) de feitelijk bestuurder(s) was/waren/zijn en die verdachte (mede) heeft (laten) oprichten;
4.
Beoordeling
7.1
Ondernemingen
Uit bovengenoemde aangifte van ING Bank blijkt dat op vijf bankrekeningen van verschillende ondernemingen ( [bedrijf 11] , [bedrijf 2] , [bedrijf 1] , [bedrijf 12] en [bedrijf 4] ) in een korte periode veel contante stortingen werden gedaan, waarna er grote overboekingen werden gedaan naar (onder meer) buitenlandse bankrekeningen. Daarbij werd steeds door hetzelfde zogenoemde ‘device-ID’ ingelogd op de accounts van die rekeningen. Een device-ID is een unieke code die ING Bank geeft aan een apparaat waarmee wordt ingelogd op de internetapplicatie ‘Mijn ING’, waarmee klanten van ING Bank gebruik kunnen maken van internetbankieren.
Van deze bedrijven blijken [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) en [bedrijf 1] (hierna [bedrijf 1] ) betrokken bij het nog te bespreken feit 3. De verdachte is officieel geen eigenaar of bestuurder van deze bedrijven (geweest) en heeft betrokkenheid daarbij ontkend. De vraag is dus of de verdachte en of één of meer van zijn medeverdachten anderszins aan deze bedrijven kan worden gelinkt. Voor het antwoord op die vraag is het volgende van belang.
[bedrijf 13] , [bedrijf 14] , [bedrijf 15] en [bedrijf 16] .
In de ten laste gelegde periode kunnen een aantal ondernemingen direct aan de medeverdachte [medeverdachte 1] worden gekoppeld, waaronder: [bedrijf 13] , [bedrijf 14] , [bedrijf 15] , [bedrijf 16] .
[bedrijf 13] is opgericht op 9 januari 2015 en gevestigd in het Verenigd Koninkrijk. [medeverdachte 1] was vanaf de oprichting bestuurder en tot 29 juni 2016 enig aandeelhouder. Het Mauritiaanse bedrijf [bedrijf 17] was vanaf 29 juni 2016 enig aandeelhouder. Op 26 maart 2019 is [bedrijf 13] verplicht geschrapt uit het register en zijn de bezittingen en rechten toegevallen aan het Verenigd Koninkrijk. Overigens blijkt uit het dossier dat [bedrijf 13] (nog steeds) staat geregistreerd als eigenaar van het woonhuis van [medeverdachte 1] .
[bedrijf 14] is opgericht op 29 juni 2016 en eveneens gevestigd in het Verenigd Koninkrijk. [medeverdachte 1] was vanaf de oprichting bestuurder. De enig aandeelhouder was [bedrijf 17] . Ook [bedrijf 14] is op 26 maart 2019 verplicht geschrapt uit het register, waarna de bezittingen en rechten zijn toegevallen aan het Verenigd Koninkrijk. [medeverdachte 1] heeft in het verhoor bij de politie op 15 december 2020 verklaard dat hij bestuurder en directeur was van [bedrijf 14] .
[bedrijf 14] heeft op zijn beurt 70% van de aandelen van de onderneming [bedrijf 15] . De overige 30% van de aandelen in [bedrijf 15] zijn in handen van [bedrijf 18] , welke onderneming eveneens is gevestigd in het Verenigd Koninkrijk. De directeur en aandeelhouder van [bedrijf 18] is [betrokkene 1] . [bedrijf 15] is eigenaar van de [bedrijf 19] in Griekenland.
[bedrijf 14] hield ook 90% van de aandelen van [bedrijf 16] . De overige 10% van de aandelen was in handen van het hiervoor genoemde [bedrijf 18] . [medeverdachte 1] heeft in het verhoor bij de politie op 15 december 2020 verklaard dat hij geen bestuurder is van [bedrijf 16] , maar dat hij daarin een partner heeft zitten genaamd [betrokkene 1] . Zij hebben volgens [medeverdachte 1] samen de leiding over [bedrijf 16] , maar [betrokkene 1] is tekenbevoegd.
Doorzoeking woning [medeverdachte 6]
Tijdens de doorzoeking op 19 juli 2018 in de woning aan de [adres 1] [plaats 2] is administratie aangetroffen van onder meer [bedrijf 1] , [bedrijf 20] , [bedrijf 16] , [bedrijf 12] , [bedrijf 11] , [bedrijf 21] en [bedrijf 22] . Ook werd er een multomap aangetroffen met daarop vermeld [bedrijf 4] waarin zich een uitdraai van de Kamer van Koophandel van dit bedrijf bevond, bankafschriften en een overeenkomst met de ING Bank, evenals enkele facturen onder meer gericht aan [betrokkene 2] . Daarnaast zijn er meerdere kopieën van paspoorten aangetroffen, waaronder die van [betrokkene 2] , [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] . Laatstgenoemde is de echtgenoot van [betrokkene 5] , de tante van [medeverdachte 3] . Terzijde merkt het hof op dat [betrokkene 2] en [betrokkene 4] samen met [medeverdachte 6] en [betrokkene 6] – de vader van [medeverdachte 3] – op 20 juni 2018 in Griekenland zijn aangehouden op verdenking van de invoer van ongeveer 3.000 kilo BMK. Daarnaast werd in de woning aan de [adres 1] een computer in beslag genomen waarop een uittreksel van de Kamer van Koophandel inzake [bedrijf 20] is aangetroffen.
Het hof gaat er niet vanuit dat [medeverdachte 1] permanent woonachtig was in de woning aan de [adres 1] -I, maar stelt vast dat de woning wel anderszins aan hem te linken is. In deze woning woonde namelijk destijds [medeverdachte 6] . [medeverdachte 6] was de (buitenechtelijke) vriendin van [medeverdachte 1] . Zij is in het onderzoek ‘Venijnboom’ op 11 juli 2022 door het gerechtshof Den Haag onherroepelijk veroordeeld voor onder meer deelname aan een criminele organisatie in de periode van 11 april 2011 tot en met 16 december 2013 met [medeverdachte 1] . Zij kennen elkaar dus tenminste al vanaf april 2011 en zijn beiden voor dezelfde strafbare feiten veroordeeld.
Overigens was de huurder van de betreffende woning [bedrijf 16] , waarover [medeverdachte 1] (zoals hiervoor vermeld samen met een partner in Griekenland, [betrokkene 1] ) de leiding had. De huur van de woning werd, namens huurder [bedrijf 16] , betaald door [bedrijf 20] . Ten aanzien van dat bedrijf geldt nog het volgende.
[bedrijf 20] en [bedrijf 23]
[bedrijf 20] is opgericht op 10 oktober 2016 en ontbonden op 2 maart 2020. Enig aandeelhouder en bestuurder is gedurende al die tijd [bedrijf 23] geweest.
[bedrijf 23] is opgericht op 15 november 1989 en ontbonden op 2 maart 2020. Van 13 september 2016 tot 17 april 2019 was [betrokkene 3] , geboren op [datum 2] te [plaats] , enig aandeelhouder. Hij was van 13 september 2016 tot 15 december 2017 tevens bestuurder. Vanaf 15 december 2017 tot de ontbinding was als bestuurder aangesteld [betrokkene 7] , geboren op [datum 3] te [plaats 3] . Uit het dossier blijkt dat [betrokkene 7] de oom is van [betrokkene 3] . Vanaf 17 april 2019 was [bedrijf 24] enig aandeelhouder. [bedrijf 24] is opgericht op 17 april 2019 en eveneens ontbonden per 2 maart 2020. De bestuurder was eveneens [betrokkene 7] .
Op 18 juli 2018 vond in de woning van (de ouders van) [medeverdachte 3] een doorzoeking plaats. Kort na het moment dat de politie aanbelde verliet [medeverdachte 3] via de achterdeur de woning. Hij had onder andere een laptop bij zich en verschillende (pgp) telefoons. Tegen de verbalisant die hem tegen hield verklaarde [medeverdachte 3] aanvankelijk dat hij naar zijn stage moest, maar kort daarna dat hij geen stageplek had. Aanvankelijk wilde [medeverdachte 3] ook zijn laptop(tas) niet afstaan. De verbalisant had – naar het oordeel van het hof terecht – dan ook de indruk dat [medeverdachte 3] de laptop aan het zicht van de politie wilde onttrekken. De verbalisant heeft ter plekke in een iPhone van [medeverdachte 3] gekeken en ziet daarin onder andere een afbeelding van het paspoort van [medeverdachte 4] en een schermafbeelding met daarop de aanvraag van een nieuw wachtwoord (Belgie22) behorende bij het e-mailadres [e-mailadres 1] . De laptop is later onderzocht. Daarin zijn onder andere aangetroffen:
e-mails van en aan [bedrijf 1] , een briefhoofd van [bedrijf 1] , bankafschriften van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en een factuur aan [bedrijf 1] t.a.v.
Conclusie
Samengevat houdt het voorgaande in dat de verdachte met [medeverdachte 1] de feitelijke zeggenschap had over de dekmantelbedrijven [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Deze bv’s zijn verantwoordelijk geweest voor het transport en de betaling van het transport waar de 5.296 kilogram hennep zat verborgen. De verdachte was ten tijde van het transport werkzaam voor [medeverdachte 1] en hield zich onder meer bezig met het regelen van katvangers, waarbij [betrokkene 2] voor hem een katvanger voor [bedrijf 1] heeft geregeld. Uit de geleasede Volkswagen Polo en de verklaringen daarover van [betrokkene 15] , de administratie die is aangetroffen in de woning van [medeverdachte 6] en de aangifte van de ING over de gebruikte device ID’s, blijkt dat [medeverdachte 1] in verband kan worden gebracht met [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Het telefoonnummer van [bedrijf 2] kan worden gekoppeld aan de verdachte en hij heeft grote bedragen contant geld op de bankrekening van [bedrijf 2] gestort. [medeverdachte 1] had daarbij een groot belang aangezien grote bedragen onder meer via [bedrijf 2] gestort zijn op de bankrekening van [bedrijf 16] , een onderneming waarin [medeverdachte 1] via zijn bedrijf [bedrijf 14] voor 90% eigenaar was. Daarnaast heeft [medeverdachte 4] , die in de desbetreffende periode eveneens werkzaam was voor [medeverdachte 1] , het transport gereden.
Genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband beschouwd, zijn naar het oordeel van het hof redengevend voor het bewijs dat de verdachte zich op 26 oktober 2018, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] , heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk (via de Westerschelde) in Nederland invoeren van 5.296 kilo hennep.
Het is dan aan de verdachte een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring te gegeven. Daarin is hij niet geslaagd. De verklaring van de verdachte komt er op neer dat hij zich uitsluitend heeft bezig gehouden met het begeleiden van (legale) containertransporten van fruit en met het – voor de importeurs van fruit – vinden van afnemers, waarvoor de verdachte op commissiebasis kreeg betaald. In het geval de verdachte zich inderdaad met deze legale activiteiten heeft bezig gehouden, doet dat aan de hiervoor vermelde vaststellingen en conclusie niet af. Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat in de eerste kantoorruimte die hij met [medeverdachte 2] betrok ( [adres 5] ) administratie van de vorige huurder was achter gebleven en dat die ook telkens is meegenomen naar de nieuwe kantoorruimtes. Nog daargelaten dat deze stelling in het geheel niet is onderbouwd, in elk geval wat betreft de administratie van de hierboven genoemde bedrijven, doet deze evenmin af aan de hierboven vermelde vaststellingen, waaronder bijvoorbeeld het feit dat het telefoonnummer van de verdachte bij de ING stond geregistreerd, [bedrijf 1] in samenwerking met medeverdachten is opgericht en stukken van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ook bij [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] zijn aangetroffen.
De verweren van de verdediging zijn met het voorgaande verworpen en het feit kan bewezen worden verklaard.
7.8
Feit 4 – invoer 4.322 kilo heroïne
Op 26 december 2018 wordt in de haven van Antwerpen de container voorzien van registratienummer [registratienummer] door de douane gecontroleerd. In de lading meststoffen worden pakketten cocaïne aangetroffen. De volgende dag wordt de volledige lading meststoffen gelost en ontdekt de Belgische douane dat de zakken meststoffen positief testen op cocaïne. Er worden 3.672 pakketten cocaïne gevonden. In totaal wordt een hoeveelheid van 4.322,2 kilo cocaïne aangetroffen. De Belgische autoriteiten nemen 120 representatieve monsters. De Federale Gerechtelijk Politie te Antwerpen heeft 59 representatieve monsters overgedragen aan het Nederlandse onderzoeksteam. Het NFI heeft de 59 monsters onderzocht en die blijken allemaal cocaïne te bevatten.
De container met registratienummer [registratienummer] maakte deel uit van de vier containers die op 1 december 2018 – voorzien van de registratienummers [registratienummer] , [registratienummer 2] , [registratienummer 3] en [registratienummer 4] – in Buenaventura (Colombia) zijn geladen op het schip de [naam schip] . De Bill of Lading met nummer [nummer 5] vermeldt als ‘shipper’ (verzender van de container) [verzender] De ‘consignee’ (ontvanger) alsmede ‘notify’ (degene die de ontvangstbevestiging dient te ontvangen) is [bedrijf 3] in Antwerpen, België (hierna: [bedrijf 3] ). Het gaat om 2000 ‘bultos de abono organico’. In de ‘Huis/House Bill of Lading’ die [bedrijf 3] heeft verstrekt, staat vermeld dat [bedrijf 28] de ‘shipper’ is en dat [bedrijf 29] zowel de consignee als de notify is.
Eerste tussenconclusie
Op 26 december 2018 zijn in de haven van Antwerpen vier containers met meststoffen gearriveerd waarin in één van de containers cocaïne is aangetroffen. In totaal is er een hoeveelheid van 4.322,2 kilogram cocaïne gevonden. Het transport is afkomstig uit Colombia en via de Westerschelde – en daarmee via Nederland – naar de haven van Antwerpen verscheept.
[bedrijf 4]
[bedrijf 29] , de consignee en notify volgens de House Bill of Lading, is door het bedrijf [bedrijf 30] benaderd met de vraag of zij meststoffen kan importeren. [bedrijf 29] heeft contact gelegd met het bedrijf [bedrijf 28] uit Colombia. [bedrijf 29] is daarna door [bedrijf 30] benaderd met de vraag of de BL (Bill of Lading) naar [bedrijf 4] overdragen kan worden (het hof begrijpt: als ontvangende partij). [betrokkene 17] van [bedrijf 29] heeft hierover contact gehad met [bedrijf 4] via het emailadres [e-mailadres 6] . De telefoonnummers eindigend op * [telefoonnummer 3] en * [eindcijfers 7] , evenals voornoemd e-mailadres, staan onder de handtekening in het e-mailbericht van [bedrijf 4] vermeld.
Op 20 december 2018 om 09.45 uur stuurt [betrokkene 17] namens [bedrijf 29] een e-mailbericht naar [betrokkene 18] (van [bedrijf 3] ) en in kopie naar ‘ [e-mailadres 6] ’ met de volgende inhoud: “Please hand over the attached BL to [bedrijf 4] . And please confirm. They will pay the local cost etc.” Als cliëntdetails werden vermeld: [bedrijf 4] , [adres 13] . Bij dit e-mailbericht zijn een aantal bijlagen gevoegd. Een van de bijlagen is een Bill of Lading voorzien van het kenmerk [kenmerk] . Op deze Bill of Lading staat als shipper [bedrijf 28] en als consignee en notify [bedrijf 29] vermeld. De Bill of Lading heeft betrekking op de vier hiervoor genoemde containers ( [registratienummer] , [registratienummer 2] , [registratienummer 3] en [registratienummer 4] ) met ‘2000 bultos de abono organico’ (2000 pakketten organische meststoffen). Een andere bijlage is een document waarin [bedrijf 29] heeft verklaard dat [bedrijf 4] namens [bedrijf 29] de afhandeling van BL [kenmerk] gaat verzorgen.
Diezelfde dag om 11.20 uur wordt namens [bedrijf 4] vanaf het e-mailadres [e-mailadres 6] naar [betrokkene 18] (van [bedrijf 3] ) een e-mailbericht gestuurd met de volgende inhoud: “Goedemorgen, Kunnen jullie ons aanmaken als klant en de lokale vrachtnota sturen. Is deze zending telex-release of originele OBL, en heeft u ook de afschrijf gegevens NOA voor ons.” Dit e-mailbericht is ondertekend door ‘ [naam 9] ’ namens [bedrijf 4] . Onder het e-mailbericht staat het telefoonnummer [telefoonnummer 4] vermeld.
Omstreeks 12.44 uur die dag belt de verdachte met het nummer * [telefoonnummer 3] , naar [bedrijf 3] en doet zich voor als ‘ [betrokkene 2] van [bedrijf 4] ’. Hij zegt dat hij een BL heeft overgenomen en vraagt of [bedrijf 3] daarover een e-mailbericht heeft ontvangen. Hij wil graag als klant aangemaakt worden, aangezien ze dat nog niet zijn.
Conclusie
Alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband beschouwd, zijn naar het oordeel van het hof redengevend voor het bewijs dat de verdachte zich op 31 augustus 2019 schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk (via de Westerschelde) in Nederland invoeren van 4.322 kilo cocaïne. Gelet op het feit dat sprake was van een omvangrijk internationaal cocaïnetransport kan het niet anders dan dat de verdachte dat heeft gedaan tezamen en in vereniging met een of meer anderen. Het is vervolgens aan de verdachte een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring te geven. Daarin is hij niet geslaagd. De verdachte heeft in de kern niet meer verklaard dan dat hij niets te maken heeft met dit transport. Hij heeft naar eigen zeggen weliswaar wel eens contant geld gestort op rekeningen maar hij wil niet zeggen in opdracht van wie hij dat heeft gedaan, waarom en op welke rekeningen hij geld heeft gestort.
De verweren van de verdediging zijn met het voorgaande verworpen en het feit kan bewezen worden verklaard.
7.9
Feit 5 – invoer van 6,58 gram heroïne
In de nacht van 30 op 31 augustus 2019 is door de Engelse autoriteiten in de haven van Felixtowe in Engeland een zeecontainer voorzien van het nummer [containernummer 2] gecontroleerd. De container was afkomstig uit Pakistan. De container was verzegeld met een blauwkleurig zegel van [bedrijf 8] en voorzien van het nummer [zegelnummer 2] . In de container zaten witte handdoeken en tussen de handdoeken zijn pakketten aangetroffen met (in totaal) 1.297 kilogram heroïne De Engelse autoriteiten hebben een hoeveelheid van 6,58 gram van de heroïne teruggeplaatst in de container en de overige heroïne vervangen door dummy’s. De container is vervolgens naar de haven van Antwerpen verscheept. De container was bestemd voor [bedrijf 5] gevestigd te Schiphol.
Op 1 september 2019 wordt de container in de haven van Antwerpen gelost. Op die dag heeft [bedrijf 6] op het emailadres [e-mailadres 7] een emailbericht van [bedrijf 5] ontvangen, welke was verzonden vanaf het emailadres [e-mailadres 8] . In dat emailbericht wordt opdracht gegeven om de container in de haven van Antwerpen op te halen en naar Rotterdam te brengen. Uit de bijlage bij dat emailbericht blijkt dat het onder meer om de container met nummer [containernummer 2] gaat. [bedrijf 6] ( [e-mailadres 7] ) stuurt deze opdracht vervolgens door naar [betrokkene 20] (hierna: [betrokkene 20] ) ( [e-mailadres 9] ), de latere chauffeur van het transport.
Voor het ophalen van deze container heeft [betrokkene 20] op 20 augustus 2019 CMR documenten van [medeverdachte 3] gekregen. [medeverdachte 3] heeft de documenten aan [betrokkene 20] overhandigd bij een benzinestation in Rotterdam. Kort voorafgaand aan deze ontmoeting heeft hij een ontmoeting met de verdachte gehad.
Op 2 september 2019 haalt [betrokkene 20] de container [containernummer 2] op uit Antwerpen met een vrachtwagen met kenteken [kenteken 2] in combinatie met een oplegger met kenteken [kenteken 3] . Hij rijdt vervolgens naar het terrein van ‘ [bedrijf 31] ’, [adres 14] waar hij om 11.00 uur arriveert. Hij heeft daar contact met [betrokkene 9] , [betrokkene 21] en [betrokkene 22] . Vervolgens wordt daar de container gelost door [betrokkene 9] , [betrokkene 22] en [betrokkene 20] . Zij worden om 12.06 uur, in de directe nabijheid van de container, in of nabij de loods aangehouden. Kort daarna wordt ook [betrokkene 21] aangehouden bij de afslag Odijk/Bunnik aan de A12.
Eerste tussenconclusie
Op 2 september 2019 is in de haven van Antwerpen een container opgehaald door [betrokkene 20] waarin zich 6,58 gram heroïne bevond. Deze heroïne maakte deel uit van een grotere partij van 1.297 kilogram heroïne die in de nacht van 30 op 31 augustus 2019 door de Engelse autoriteiten is onderschept en met uitzondering van die 6,58 gram inbeslaggenomen is. De container met daarin de 6,58 gram heroïne is, via de Westerschelde, Nederland binnen gekomen en afgeleverd in de haven van Antwerpen. Vanaf de haven van Antwerpen is de container naar Bergschenhoek (Nederland) vervoerd door [betrokkene 20] , waarna de container door [betrokkene 22] , [betrokkene 9] en [betrokkene 20] werd gelost. De CMR documenten, ten behoeve van het wegvervoer, had [betrokkene 20] twee weken eerder ontvangen van [medeverdachte 3] die kort daarvoor een ontmoeting heeft gehad met de verdachte. De container was bestemd voor [bedrijf 5] .
[bedrijf 5]
Uit het bedrijvenregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat [betrokkene 23] , enig bestuurder van [bedrijf 5] (hierna: [bedrijf 5] ) is. Uit de iCOV-bevraging blijkt dat [betrokkene 23] op geen enkele wijze inkomsten ontvangt uit zijn werkzaamheden voor [bedrijf 5] . Er zijn daarnaast geen aanwijzingen gevonden dat hij daadwerkelijk enige bemoeienis heeft met [bedrijf 5] . Hij kan dan ook, mede gelet op zijn verklaring bij de politie waarin hij zegt niets van de bedrijfsvoering van [bedrijf 5] te weten en geen handelingen uit te voeren voor dat bedrijf, worden gezien als katvanger.
Oprichtingsdocumenten met betrekking tot [bedrijf 5] alsmede correspondentie tussen de Belastingdienst en [bedrijf 5] zijn aangetroffen op een USB-stick in het kantoorpand aan het [adres 8] te Den Haag. [medeverdachte 2] en de verdachte hebben in hoger beroep verklaard dat zij – ten tijde van de doorzoekingen in juli en september 2020 – van dat kantoorpand gebruik maakten. Tijdens de tweede doorzoeking werd in het pand aan het [adres 8] een Asus-laptop inbeslaggenomen. Op deze laptop zijn drie mailboxen opgeslagen. Het betreft onder meer:
de mailbox van [e-mailadres 8] in de periode van 12 februari 2018 tot en met 2 september 2019 met ruim 50 e-mailberichten;
de mailbox van [e-mailadres 7] in de periode van 30 mei 2019 tot en met 2 september 2019 met ruim 300 e-mailberichten.
Bij de doorzoeking is ook een HP-laptop in beslag genomen waarop de mailbox van [e-mailadres 8] stond opgeslagen met daarin ruim 160 e-mailberichten in de periode van 12 februari 2019 tot en met 12 juli 2019. Op deze laptop werden verder de volgende documenten aangetroffen:
Arrival notice [bedrijf 8] met betrekking tot de zending van de containers met nummer [containernummer 2] met als consignee [bedrijf 5] en als contactpersoon [betrokkene 23] (het hof begrijpt: [betrokkene 23] );
Delivery order [bedrijf 8] met betrekking tot de zending van de container met nummer [containernummer 2] ;
T1-document met betrekking tot de zending van container met nummer: [containernummer 2] , waarin ook melding wordt gemaakt van de lading te weten 100% katoenen handdoeken;
Importfactuur [bedrijf 8] met betrekking tot de zending van de container met nummer [containernummer 2] ten name van [bedrijf 5] van 28 augustus 2019 van € 450,00
Op de USB-stick waarop ook het e-mailbericht staat van 1 september 2019 waarin [bedrijf 5] aan [bedrijf 6] de opdracht geeft om de container uit Antwerpen op te halen, staat ook een Word-document getiteld “huurovereenkomst [naam overeenkomst] ”. Uit deze overeenkomst blijkt dat het bedrijf [bedrijf 32] , vertegenwoordigd door [betrokkene 21] geboren op 30 juli 1992, een bedrijfsruimte verhuurt gelegen aan [adres 14] . Deze ruimte wordt verhuurd aan het bedrijf [bedrijf 7] . Op dit bedrijf komt het hof hierna nog terug.
Conclusie
Alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden in onderling verband beschouwd zijn naar het oordeel van het hof redengevend voor het bewijs dat [medeverdachte 2] en de verdachte als medeplegers betrokken zijn geweest bij de invoer van 6,58 gram heroïne. Het is dan aan de verdachte een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring te geven. Daarin is hij niet geslaagd. Ook hier geldt dat de verklaring van de verdachte in de kern niet meer inhoud dan dat hij niets met het drugstransport te maken heeft.
De verweren van de verdediging zijn met het voorgaande verworpen en het feit kan bewezen worden verklaard.
7.10
Feit 6 – invoer 750 kilo cocaïne
Op 3 maart 2020 worden er vanaf de bankrekening [rekeningnummer 4] op naam van [bedrijf 10] drie betalingen van steeds € 12.464,36 gedaan aan [bedrijf 36] . In de omschrijving staat ‘ [bedrijf 9] ’ genoemd. De reeks betalingen heeft een opeenvolgende nummering.
Eind maart 2020 worden drie containers met bananen verscheept met kenmerk [kenmerk 1] , [kenmerk 2] en [kenmerk 3] . De afzender/shipper is [bedrijf 37] uit Guayaquil, Ecuador. De containers zijn bestemd voor [bedrijf 9] , [adres 16] Nederland.
OVC-gesprekken
Op 17 maart 2020 vindt een gesprek plaats tussen [medeverdachte 2] en [betrokkene 16] in de kantoorruimte aan de [adres 6] . In dat gesprek zegt [medeverdachte 2] tegen [betrokkene 16] dat hij nog een ander klusje voor hem heeft waar een beetje voorzichtigheid bij gepast is. [medeverdachte 2] zegt vervolgens: “Wij hebben een chauffeur, een oudere chauffeur, die (…) vroeger voor ons als groep [heeft gewerkt]”. Hij zegt verder dat zij zat werk voor die chauffeur hebben en hij dan wat kan verdienen. En dat hij zijn nummer heeft.
De volgende dag, 18 maart 2020, vindt er, eveneens op de [adres 6] in Rijswijk, tussen de verdachte, voornoemde [medeverdachte 2] en [betrokkene 16] een gesprek plaats. [medeverdachte 2] zegt in dat gesprek “Ik heb eerst gezegd, laten we eerst even die chauffeur regelen, dat is effe prioriteit”. Hij zegt verder dat die chauffeur voor hun groep heeft gereden en dat zij een klus voor die chauffeur hebben. De verdachte zegt dat zij hem voor hen willen laten rijden. [medeverdachte 2] zegt dat hij ‘volle boxen, dozen’ ‘en gewoon met’ kan rijden. [medeverdachte 2] zegt dat [betrokkene 16] tegen hem moet zeggen: “We hebben gewoon werk voor je, je kan gewoon werk sowieso onder continuïteit, we kunnen een truck voor je regelen, want hij heeft ook zelf een transportbedrijf en weet niet of ie een vrachtwagen heeft. Dus we kunnen zeggen, joh, luister es, we kunnen voor jouw transportbedrijf een vrachtwagen leasen. Die financieren wij.” Op een gegeven moment zegt de verdachte dat het gaat om [medeverdachte 4] . [betrokkene 16] vraagt of hij de naam [bedrijf 9] mag noemen. [medeverdachte 2] zegt dan dat hij dat niet mag doen en de verdachte zegt vervolgens dat het nu nog niet mag en er even moet worden gekeken hoe het gesprek is en hoe het gaat. Uit het gesprek kan worden opgemaakt dat er snel met [medeverdachte 4] moet worden afgesproken. Zo zegt de verdachte “en liefst misschien nog vandaag, vanmiddag” (…) “want der moet echt eh” (…) ”gas op gezet worde.” [betrokkene 16] neemt vervolgens telefonisch contact op met [medeverdachte 4] .
Op 19 maart 2020 vindt er in het kantoor aan de [adres 6] een gesprek plaats tussen de verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] zegt onder meer: “Ik weet altijd of ik een pretpakket meekrijg ja, of nee”. De verdachte zegt even later: “Eh, we zijn natuurlijk eh, zijn lekker bezig, maar we hebben altijd eh, eh een goeie ouwe bekende hadden we nodig die toch iets beter eh weet hoe het reilt en zeilt eh.” (…) “In de havens”. En kort daarna zegt [medeverdachte 4] : “(…) in januari een volle bak d’r uit gehaald? Nah, nou, je weet het bedrag wat ik krijg? Een halve ton per bak?” Hij zegt ook: “Ik [heb] er laatst nog eentje uitgehaald, ook een volle bak” en dan zegt de verdachte “ook uit Antwerpen”.
Uit gesprekken die op dezelfde dag plaatsvinden tussen de verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] leidt het hof af dat met een “pretpakket” en een “volle bak” een container met verdovende middelen wordt bedoeld. Zo zegt de verdachte: “En toen als laatst, had ie nog twee paar pretpakketten gereden” en [medeverdachte 2] zegt “Ja, eentje weten we denk ik. Dat is een eh, een, met eh bruin derin.” Even later heeft [medeverdachte 4] het over de laatste keer dat hij een bak heeft gereden en dat dat fout is gegaan. [verdachte] vraagt dan welke fout is gegaan, waarop [medeverdachte 4] antwoordt: “ze hebben ‘m in Engeland onderschept, toen hebben ze hem eh leeggehaald? Dummy’s erin gegooid.” “Was in Bergschenhoek, bij eh [bedrijf 35] .” De verdachte vraagt [medeverdachte 4] of hij iets daarover heeft gehoord. Uit de daarop volgende reactie van [medeverdachte 4] volgt dat hij daarvoor bij de politie Rotterdam is geweest. [medeverdachte 4] zegt dat hij toen hoorde dat het niet om cocaïne maar heroïne ging. Wanneer de verdachte vraagt wanneer dat (kennelijk doelend op het transport) geweest is antwoordt [medeverdachte 2] ; “Dat was net voor die van ons”.
Als de verdachte vraagt “Eh, ben jij nog, ben jij nog oké om eh, om bakken te rijden?” zegt [medeverdachte 4] daarop “ja”. In het vervolg van het gesprek zegt de verdachte: “Oké, maar effe kijke eh, wij hebben, wij hebben wel zat te doen alleen we hebben voor één transportbedrijf wat we hebben eh moeten we alleen eh even een wagen gaan huren, tolkastje halen”. [medeverdachte 2] benadrukt “Er is één voorwaarde. Je mag niks, maar dan ook niks met [bijnaam] of weet ik vee, iemand toegaan dat wij merken, dat we iets doen.” Op de vraag van de verdachte hoe snel zij een havenpas hebben, vraagt [medeverdachte 4] of zij dan een bedrijf hebben. De verdachte antwoordt daarop dat zij een ‘tp-bedrijf’ hebben. En daarna zegt hij dat ze moeten kijken waar zij een tijdelijk een trekker en een trailer kunnen huren. De verdachte vraagt dan aan [medeverdachte 4] of hij daar nog welkom is. [medeverdachte 4] antwoordt dat hij dat niet weet en dat hij eerst een nieuwe pas wil hebben, een Alfapass (het toegangssysteem tot de haven van Antwerpen). [medeverdachte 2] zegt vervolgens: “Ja, maar dan moeten we dan nu effe snel regelen.”
Eerste tussenconclusie
Uit voorgaande gesprekken valt af te leiden dat [medeverdachte 2] en de verdachte willen dat [medeverdachte 4] voor hen als chauffeur containers gaat rijden en dat [medeverdachte 4] daarop positief reageert. In de gesprekken wordt ook (veelal) in versluierde taal (‘volle boxen’, ‘bruin’) gesproken over eerder vervoerde containers met verdovende middelen. De worden cocaïne en heroïne vallen ook letterlijk. Uit de gesprekken volgt verder dat [medeverdachte 2] en de verdachte een transportbedrijf (‘tp’) hebben, dat zij voor [medeverdachte 4] een trekker, een trailer en een toegangspas voor de haven in Antwerpen gaan regelen en dat er haast bij is.
Diezelfde dag, 19 maart 2020, vindt een mailwisseling plaats tussen [e-mailadres 7] en Alfapass met betrekking tot de aanvraag van een Alfapass voor het bedrijf [bedrijf 6] , ten behoeve van chauffeur [medeverdachte 4] .
Op 23 maart 2020 vindt een mailwisseling plaats tussen [e-mailadres 7] en [bedrijf 33] over het huren van een DAF truck, voorzien van het kenteken [kenteken 4] . Vanuit [e-mailadres 7] wordt een e-mailbericht verstuurd naar [e-mailadres 10] met als bijlagen een uittreksel Kamer van Koophandel betreffende [bedrijf 6] , een gescande kopie van het paspoort van [betrokkene 20] , een gescande kopie van het rijbewijs van [medeverdachte 4] , en een gescande kopie van de bestuurderskaart van [medeverdachte 4] .
Conclusie
Uit al het voorgaande volgt dat elf dagen nadat [medeverdachte 4] door [medeverdachte 2] en de verdachte is gevraagd voor hen containers te vervoeren en daarvoor een Alfapass is geregeld, [medeverdachte 4] een container met 750 kilogram cocaïne in de haven van Antwerpen heeft opgehaald. [medeverdachte 2] heeft een (valse) zegel gemaakt die is gebruikt bij dit transport. De container was afkomstig uit Ecuador en bestemd voor [bedrijf 9] over welk bedrijf [medeverdachte 2] en de verdachte de feitelijke zeggenschap hadden.
Alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van het hof redengevend voor het bewijs dat de verdachte met [medeverdachte 2] betrokken is bij de invoer van de 750 kilogram cocaïne op 30 maart 2020. Het is onder deze omstandigheden aan de verdachte een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring te geven voor deze belastende feiten en omstandigheden.
De verdachte heeft verklaard dat hij niets met het transport te maken heeft. Hij heeft [medeverdachte 4] gepolst om containers te vervoeren maar hij heeft hem niet gevraagd om een container met drugs te vervoeren. Verder is de aangetroffen administratie van [bedrijf 9] en [bedrijf 6] niet van hem maar van vorige huurders van kantoorpanden waar de verdachte en [medeverdachte 2] vóór het [adres 8] in hadden gezeten. De door die huurders achtergelaten spullen hebben de verdachte en [medeverdachte 2] (telkens) meegenomen.
Het hof acht de verklaring van de verdachte niet aannemelijk geworden. Dat in het OVC-gesprek van 19 maart 2020 niet letterlijk door de verdachte aan [medeverdachte 4] de vraag is gesteld of hij containers met cocaïne wil vervoeren doet aan het hiervoor vastgestelde niet af. Bovendien werd in dat gesprek, zoals het hof hiervoor heeft vastgesteld, in versluierde taal gesproken over containers met verdovende middelen. Uit het gesprek kan worden afgeleid dat de gespreksdeelnemers begrepen waarover men sprak.
Het hof hecht evenmin geloof aan de verklaring van de verdachte dat de aangetroffen administratie van [bedrijf 9] en [bedrijf 6] van vorige huurders was. Op zichzelf genomen zou dit al extreem toevallig zijn. Daar komt bij dat, zoals reeds besproken, de verdachte en [medeverdachte 2] de feitelijke zeggenschap over [bedrijf 9] hadden en zij ook in OVC- en tapgesprekken met elkaar over [bedrijf 9] spreken. De aangetroffen administratie van [bedrijf 9] op het kantoor van de verdachte en [medeverdachte 2] sluit daarbij aan. Daarnaast is de aangetroffen factuur van 19 maart 2020 betreffende de Alfapass aan [bedrijf 6] in lijn met het OVC gesprek van diezelfde dag waarin de verdachte en [medeverdachte 2] aangeven die pas voor [medeverdachte 4] te zullen regelen.
De verdachte is er dus niet in geslaagd een verklaring te geven die de redengevendheid van de hiervoor genoemde belastende feiten en omstandigheden ontzenuwt. Het hof concludeert dan ook gelet op het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd, dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte 2] , waarbij de materiële bijdrage van de verdachte van dusdanig gewicht is dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de opzettelijke invoer van de in beslag genomen 750 kilogram cocaïne.
7.11
Feit 7 – (gewoonte)witwassen
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het gewoontewitwassen van een bedrag van € 354.470,00 en een BWM 5ER Reihe. Van het witwassen van de overige drie auto’s op de tenlastelegging heeft de advocaat-generaal vrijspraak gevorderd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van (gewoonte)witwassen. Daartoe heeft hij betoogd dat geen sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat de door de verdachte gestorte geldbedragen van misdrijf afkomstig waren. Nu dat vermoeden ontbreekt en volgens de verdediging evenmin kan worden bewezen dat de verdachte zich bezig heeft gehouden met de invoer van verdovende middelen, was de verdachte niet gehouden om een verklaring af te leggen over de herkomst van de gestorte contante bedragen. Voor de BWM geldt dat de verdachte deze heeft betaald met legale inkomsten verkregen uit commissies die hij ontving in de fruithandel.
Vrijspraak witwassen Mercedes Benz, BMW 530D en BMW118I
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen, zoals ook door de advocaat-generaal en de raadsman betoogd, dat de verdachte een Mercedes Benz C 220, BMW 530D X Drive en een BMW 118I heeft witgewassen, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
Contante geldbedragen van in totaal
€ 354.470,00
en een BMW 5ER Reihe
Uit het dossier blijkt dat de verdachte in de periode van 27 maart 2017 tot 1 januari 2020 in totaal contant € 361.850,00 (ten laste gelegd is overigens € 354.470,00) heeft gestort op de bankrekeningen van de hieronder genoemde besloten vennootschappen. Niet gebleken is dat de verdachte een formele relatie had met een van deze bv’s. De verdachte heeft zich bij de politie en bij de zittingen in eerste aanleg telkens op zijn zwijgrecht beroepen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij deze contante geldbedragen telkens heeft gekregen van en gestort in opdracht van een ander.
Beoordeling
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis / 420ter Sr opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp of de geldbedragen afkomstig zijn uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp of de geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp en/of geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat deze een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Vermoeden van witwassen
Gelet op het groot aantal keren dat de verdachte contant geld heeft gestort op rekeningen van bedrijven waarmee hij geen formele relatie heeft, de hoogte van deze contante stortingen en de omstandigheid dat de verdachte – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – betrokken is geweest bij de invoer van ruim 5500 kilogram hennep, bijna 1300 kilogram heroïne, 750 kilogram cocaïne en ruim 4000 kilogram cocaïne, en de vaststelling dat een deel van de bedrijven die geld van de verdachte hebben ontvangen, rechtstreeks is te koppelen aan deze transporten, is het hof van oordeel dat er sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.
Onder de gegeven omstandigheden mag dan ook van de verdachte een concrete, verifieerbare verklaring worden verlangd die niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. De verklaring die de verdachte in hoger beroep heeft afgelegd houdt in de kern niet meer in dan dat hij de geldbedragen in opdracht van een ander heeft ontvangen en gestort, dat hij over de herkomst van het geld geen vragen heeft gesteld en hij het geld verschillende keren bij een benzinestation kreeg overhandigd van een ander dan de opdrachtgever. Wie de opdrachtgever(s) was/waren heeft hij niet willen zeggen en evenmin heeft hij willen verklaren wie de persoon was van wie hij het geld bij het benzinestation overhandigd kreeg. De verdachte heeft aldus zijn verklaring niet of nauwelijks geconcretiseerd. In elk geval is zijn verklaring niet verifieerbaar. Het witwasvermoeden is dan ook niet weerlegd. Gelet hierop kan het niet anders dan dat het door de verdachte gestorte geld van misdrijf afkomstig was en dat de verdachte dat wist. Bewezen kan dus worden dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het witwassen van de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen.
In het licht van het voorgaande is het vermoeden van witwassen eveneens gerechtvaardigd ten aanzien van de aanschaf van de BMW 5ER Reihe waarvan het aankoopbedrag contant is voldaan. De verdachte heeft verklaard dat hij deze BMW heeft gekocht van de commissiebedragen die hij contant heeft ontvangen in de fruithandel. Weliswaar hebben getuigen verklaard dat hij contant commissiebedragen ontving, maar de hoogte van deze bedragen en het aantal keren dat en wanneer hij op deze wijze betaald kreeg, is in het geheel niet verifieerbaar. De verdachte heeft zijn gestelde inkomsten uit deze commissiebedragen ook niet opgegeven bij de Belastingdienst. Van verifieerbare inkomsten is dan ook geen sprake en ook ten aanzien hiervan is het hof van oordeel dat dit vermoeden van witwassen niet is weerlegd. Het hof is daarom van oordeel dat het niet anders kan dan dat het geld waarmee de aanschaf van de BMW 5ER Reihe is voldaan, van misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dat wist. De verdachte heeft zich dus ook schuldig gemaakt aan het witwassen van de BMW 5ER Reihe, voorzien van kenteken [kenteken 6] .
Gewoontewitwassen
Bij de vraag of de verdachte een gewoonte heeft gemaakt van witwassen komt onder meer betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, alsmede aan het aantal gedragingen en het tijdsbestek waarbinnen deze zich hebben afgespeeld. Het hof heeft hiervoor al vastgesteld dat de verdachte in de periode van 27 maart 2017 tot 1 januari 2020 veelvuldig contante geldbedragen heeft gestort op bankrekeningen van verschillende bedrijven waarmee hij geen formele relatie heeft. Mede in aanmerking genomen het vele aantal keren dat de verdachte de stortingen heeft verricht, de totale termijn van ruim twee en een half jaar en de totale hoogte van de gestorte bedragen is het hof van oordeel dat de verdachte in zoverre van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt. Het witwassen van de BMW staat hier naar het oordeel van het hof los van.
7.12
Feit 1 en 2 – criminele organisatie
Onder 1 en 2 is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie in de periode van 1 juli 2018 tot 1 maart 2019, respectievelijk 1 maart 2019 tot 29 september 2020.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman het standpunt ingenomen dat ‘weliswaar bewezen kan worden dat de verdachte op verzoek van [medeverdachte 1] werkzaamheden heeft verricht waarmee hij mogelijk onbedoeld een aandeel heeft gehad in gedragingen die strekten tot – of rechtstreeks verband hielden met – het binnen een organisatie bestaand oogmerk’, maar niet kan worden bewezen dat hij deze werkzaamheden uitvoerde in het kader van een samenwerkingsverband tussen hem en onder andere [medeverdachte 1] .
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat volgens de verdachte hij geen criminele organisatie heeft gevormd met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . De verdachte was weliswaar met hen in meer of mindere mate – bevriend, maar van een samenwerkingsverband in de zin van artikel 140 Sr was geen sprake. Er was geen hiërarchische verhouding, geen gezamenlijk oogmerk tot het plegen van strafbare feiten en heeft de verdachte geen handelingen verricht die kwalificeren als het deelnemen aan een criminele organisatie.
Beoordeling
De rechtspraak van de Hoge Raad over de bestanddelen van artikel 140, eerste lid, Sr laat zich op hoofdlijnen als volgt weergeven.
Van een ‘organisatie’ als bedoeld in artikel 140 Sr is sprake als het gaat om een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon.
Van ‘deelneming’ aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr is sprake als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Het is niet vereist dat vast komt te staan dat de verdachte heeft samengewerkt met, of in ieder geval bekend is met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de verdachte op zichzelf worden beoordeeld. Het is dus bijvoorbeeld niet van belang of andere personen meer hebben gedaan of een belangrijker rol vervulden dan de verdachte. Voor deelneming in de zin van artikel 140 Sr is voldoende dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. De verdachte hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.
Het gaat bij het misdrijf van artikel 140 Sr niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van misdrijven, maar om het ‘oogmerk’ tot het plegen van misdrijven. Voor dat oogmerk kan ook het naaste doel van de organisatie volstaan. Het is niet vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is.
Het oogmerk hoeft niet in de tenlastelegging nader te zijn omschreven, maar moet uit de bewijsvoering blijken. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.
Voor het bewijs voor deelname aan een criminele organisatie zal dus moeten worden vastgesteld dat:
(i) sprake is geweest van een organisatie;
(ii) deze organisatie als oogmerk had het plegen van misdrijven; gelet op de tenlastelegging in dit geval specifiek Opiumwetfeiten en witwassen.
(iii) het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als deelneming aan deze organisatie.
Algemeen
Het hof stelt voorop dat de uitvoering van een internationaal drugstransport van een omvang en complexiteit zoals die is bewezen verklaard onder 3, 4, 5 en 6, een criminele organisatie vergt die het plegen van verscheidene misdrijven tot oogmerk heeft. Bij de uitvoering van deze transporten is immers sprake geweest van verschillende in de Opiumwet strafbaar gestelde misdrijven, zoals het vervoer, de aflevering, de invoer en het aanwezig hebben van de verdovende middelen. De op daarop gerichte besluitvorming en activiteiten van de verschillende deelnemers moeten dus onderling nauw op elkaar zijn afgestemd en droegen naar hun aard een planmatig karakter. Gelet hierop kunnen zowel feit 1 als feit 2 bewezen worden verklaard. Daarnaast overweegt het hof nog het volgende.
Criminele organisatie in de periode van 1 juli 2018 tot 1 maart 2019 (feit 1)
Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van het bewezenverklaarde drugstransport van 26 oktober 2018 (feit 3) is overwogen volgt dat de criminele organisatie onder andere bestond uit de verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] . De verdachte maakte, samen met [medeverdachte 1] , gebruik van de dekmantelbedrijven [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en zette daarvoor [betrokkene 8] en [betrokkene 12] als katvangers in. [verdachte] en [medeverdachte 4] waren ten tijde van het henneptransport in oktober 2018 werkzaam voor [medeverdachte 1] . Ook heeft de verdachte – net zoals [medeverdachte 3] – in die periode geld gestort op de rekening van [bedrijf 2] . Onder [medeverdachte 3] is een laptop in beslag genomen met daarop onder meer gegevens die betrekking hadden op [bedrijf 1] . Geconcludeerd kan dus worden dat ook [medeverdachte 3] deelnam aan de criminele organisatie.
Uit het dossier maakt het hof op dat de organisatie door de tijd heen twee samenstellingen heeft gekend. Op enig moment is er kennelijk ruzie ontstaan dus [medeverdachte 1] en zijn broer [medeverdachte 2] wat heeft gezorgd voor een splitsing van het samenwerkingsverband.
In dit verband acht het hof het OVC-gesprek van 17 maart 2020 op de [adres 6] tussen de verdachte, [medeverdachte 2] en [betrokkene 16] van belang. [medeverdachte 2] heeft het in dat gesprek over een chauffeur, waaruit het hof begrijpt dat hij doelt op [medeverdachte 4] :
We hebben een chauffeur, een oudere chauffeur, die heeft vroeger (…) gewerkt voor ons als groep zijnde (…) en die groep is uit elkaar gegaan, er zat 1 oplichter in (…) die is er dus uitgewerkt en die komt nergens meer aan de bak. Alleen die chauffeur krijgt nog geld van die oplichter en die blijft een beetje plakken aan die oplichter. Voor die chauffeur hebben wij zat werk.
Daarnaast acht het hof het – reeds hiervoor aangehaalde – OVC-gesprek van 19 maart 2020 op de [adres 6] van belang, waarin de verdachte het volgende zegt tegen [medeverdachte 4] :
De reden natuurlijk ook dat ik eh weg ben gegaan eh is natuurlijk ook omdat er niet betaald werd en eh ik was er gewoon een beetje klaar mee. Nou, gezegd eh, de mazzel en eh, dan weet natuurlijk wat het probleem is om wat dinge, andere dinge op te zette eh ook met en, ehm [bijnaam 5] (het hof: [medeverdachte 2] ) samen? Maar ja, dan zijn we een jaar verder en eh we hebben een en ander echt al opgezet en draaiende.
Het hof leidt hieruit af dat de eerste criminele organisatie heeft bestaan tot ongeveer maart 2019. Hierna is een deel van de tot die organisatie behorende personen hun eigen weg gegaan. [verdachte] zegt immers op 19 maart 2020 dat zij al een jaar bezig zijn. Voor deelname aan deze eerste organisatie door [medeverdachte 2] bestaat net te weinig bewijs, omdat niets concreets over zijn handelen kan worden vastgesteld.
Het hof komt zodoende tot de slotsom dat de verdachte in de periode van 1 juli 2018 tot 1 maart 2019 met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, die tot oogmerk had het plegen van misdrijven.
Oogmerk
De wijze van ten laste leggen dwingt dat oogmerk nader te specificeren. Uit de bewezenverklaring van de feiten 3, 4 en 7, en de daarbij betrokken personen, volgt dat het oogmerk van de organisatie gericht was op het plegen van de invoer e.d. van verdovende middelen als bedoeld in lijst I en II van de Opiumwet en witwassen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 primair eerste alternatief, 4 primair, 5 primair eerste alternatief, 6 primair eerste alternatief, 7 en 8 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2, 3 primair eerste alternatief, 4 primair, 5 primair eerste alternatief, 6 primair eerste alternatief , 7 en 8 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaar en 6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd:
33. USB-stick (memorykaart Take MS);
43. telefoon (iPhone encryptie-device);
44. telefoon (iPhone SKY ECC encryptie-device);
45. telefoon (BQ encryptie-device).
Gelast de teruggave aan de verdachte van:
1. horloge (Rolex in doosje inclusief bescheiden en 2 schakels);
5. grijze personenauto (BMW 118i, kenteken G-911-GS);
10. 5 flessen drank (kist met 5 flessen Fonseca port);
11. fles drank (Johnny Walker George V);
12. doos drank (Highland Park Thorfinn);
14. een geldbedrag (vijf keer 100 dollar);
15. een geldbedrag (49 keer 50 euro);
16. een geldbedrag (19 keer 50 euro, 1 keer 20 euro, 2 keer 5 euro);
23. goudkleurige computer (Lenovo Yoga inclusief hoes);
24. modem (Huawei Router);
26. telefoon (Nokia);
31. administratie;
32. USB-stick (memorykaart Sandisk 32 GB);
34. USB-stick (memorykaart Max’L 32 GB);
35. telefoon (Samsung);
42. diverse administratie.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. M.L. Leenaers en mr. J. Piena, in tegenwoordigheid van mr. R.M. ter Horst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 januari 2025.
De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001944-22
datum uitspraak: 10 januari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 juli 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-997090-18 tegen
[verdachte]
,
geboren te [plaats] op [datum] ,
gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Lelystad.
1Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 november, 22 november, 26 november, 27 november, 11 december 2024 en 8 januari 2025 en, op grond van artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank op 8 april 2021 en 26 en 28 oktober 2021 toegelaten wijzigingen is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
1. ZD 11)
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2018 tot 1 maart 2019 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie bestond uit verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en een of meer andere personen en die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in:
- artikel 10, vierde en vijfde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen en het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van (verdovende) middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a lid 5 van de Opiumwet;
- artikel 10a Opiumwet, te weten voorbereidingshandelingen om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen;
- artikel 11, vierde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen van (verdovende) middelen als bedoeld in lijst II van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a lid 5 van de Opiumwet;
- artikel 420 bis/ter/quater van het Wetboek van Strafrecht, te weten gewoontewitwassen, dan wel opzettelijk witwassen, dan wel schuld witwassen van voorwerpen, waaronder geldbedragen en voertuigen;
- artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, te weten valsheid in geschriften, waaronder bankafschriften en contracten;
2.
hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2019 tot 29 september 2020 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie bestond uit verdachte, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en een of meer andere personen en die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in:
- artikel 10, vierde en vijfde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen en het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van (verdovende) middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a lid 5 van de Opiumwet;
- artikel 10a Opiumwet, te weten voorbereidingshandelingen om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen;
- artikel 11, vierde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen van (verdovende) middelen als bedoeld in lijst II van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a lid 5 van de Opiumwet;
- artikel 420 bis/ter/quater van het Wetboek van Strafrecht, te weten gewoontewitwassen, dan wel opzettelijk witwassen, dan wel schuld witwassen van voorwerpen, waaronder geldbedragen en voertuigen;
- artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, te weten valsheid in geschriften, waaronder bankafschriften en contracten
3. ( ZD 6)
hij op of omstreeks 26 oktober 2018 te Antwerpen, in elk geval in België, en/of op de Westerschelde, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (via de Westerschelde) binnen het grondgebied van Nederland en België heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 5.296 kilogram, in elk geval een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
of
[bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] op of omstreeks 26 oktober 2018 te Antwerpen, in elk geval in België, en/of op de Westerschelde, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (via de Westerschelde) binnen het grondgebied van Nederland en België heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 5.296 kilogram, in elk geval een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a die wet, tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en), verdachte, tezamen en in vereniging met een ander/anderen, feitelijk leiding heeft gegeven;
subsidiair:
één of meer (tot nu toe onbekend gebleven) personen op of omstreeks 26 oktober 2018 te Antwerpen, in elk geval in België en/of op de Westerschelde, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (via de Westerschelde) binnen het grondgebied van Nederland en België heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 5.296 kilogram, in elk geval een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 september 2018 (datum verscheping container vanuit Thailand) tot en met 26 oktober 2018 te Leidschendam en/of Voorburg en/of Den Haag en/of Rijnsburg en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door
- het ter beschikking stellen en gebruik (laten) maken van de rechtspersoon [bedrijf 1] als ontvanger van de (dek) lading kokosvezel waartussen en/of de container waarin zich de hennep bevond en van welke rechtspersoon verdachte en/of zijn medeverdachte(n) de feitelijk bestuurder(s) was/waren en die verdachte (mede) heeft (laten) oprichten;
- het ter beschikking stellen en gebruik (laten) maken van de rechtspersoon [bedrijf 2] en/of diens bankrekening welke rechtspersoon is betrokken bij het vervoer en de verscheping van de (dek)lading kokosvezel waartussen en/of de container waarin zich de hennep bevond, welke rechtspersoon een betaling voor het vervoer van de container heeft gedaan en van welke rechtspersoon verdachte en/of zijn medeverdachte(n) de feitelijk bestuurder(s) was/waren/zijn en die verdachte (mede) heeft (laten) oprichten;
4.
Inleiding
( ZD 7)
hij op of omstreeks 26 december 2018 te Antwerpen, in elk geval in België, en/of op de Westerschelde, in elke geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (via de Westerschelde) binnen het grondgebied van Nederland en België heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 4.322 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair
één of meer (tot nu toe onbekend gebleven) personen op of omstreeks 26 december 2018 te Antwerpen, in elk geval in België, en/of op de Westerschelde en/of Hoogvliet Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (via de Westerschelde) binnen het grondgebied van Nederland en België heeft/hebben gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, 4.322 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 december 2018 tot en met 26 december 2018 te Leidschendam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door
- namens [bedrijf 2] , [bedrijf 3] te verzoeken om als nieuwe klant te worden aangemaakt teneinde de lading (met daarin voornoemde cocaïne) bestemd voor [bedrijf 1] in ontvangst te kunnen nemen;
- namens [bedrijf 4] onder meer met [bedrijf 3] te bellen en/of te informeren naar de release pin;
- het (laten) verrichten van een spoedbetaling van 1.968 euro op 21 december 2018 aan [bedrijf 3] ;
- het (laten) verrichten van een contante storting op 17 januari 2019 van 6.500 euro op de bankrekening van [bedrijf 2] , gevolgd door een overboeking van 6.413.50 euro aan [bedrijf 3] ;
- het voeren van telefoongesprekken omtrent de Bill of Lading, teneinde die weer vrij te krijgen;
- het voeren van gesprekken met de douane onder een valse naam omdat de zakken met de lading waren opengesneden;
meer subsidiair
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2018 tot en met 26 december 2018 te Bergschenhoek en/of Leidschendam en/of Voorburg en/of Den Haag en/of Rijnsburg en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van 4322 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of
- zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),
immers heeft hij, verdachte, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
- één of meer geldbedragen gestort op de bedrijfsrekening van [bedrijf 2] en/of
- ( (vervolgens) via de bankrekening van [bedrijf 2] een spoedbetaling (laten) verricht(en) van 1.968 euro op 21 december 2018 aan [bedrijf 3] en/of
- namens [bedrijf 2] , [bedrijf 3] verzocht om als nieuwe klant te worden aangemaakt teneinde de lading (met daarin voornoemde cocaïne) bestemd voor [bedrijf 1] in ontvangst te kunnen nemen en/of
- namens [bedrijf 4] onder meer met [bedrijf 3] gebeld en/of geïnformeerd naar de release pin en/of
- contact opgenomen met (een) chauffeur(s) voor het verdere vervoer van de container waarin de (dek)lading en cocaïne zat en/of
- telefoongesprekken gevoerd onder valse naam omtrent de Bill of Lading, teneinde die weer vrij te krijgen en/of
- gesprekken met de douane gevoerd onder een valse naam omdat de zakken met de lading waren opengesneden;
5.
Beoordeling
[betrokkene 8] met betrekking tot kosten voor een ‘virtueel kantoor’.
Ook blijkt uit het dossier dat [bedrijf 20] huur heeft betaald voor huurwoningen die op naam stonden van [bedrijf 16] , terwijl daarvoor geen compensatie werd ontvangen. Het ging daarbij – zoals reeds benoemd – om de woning van [medeverdachte 6] aan de [adres 1] te Den Haag. Daarnaast werd via [bedrijf 16] onder meer een huurwoning aan de [adres 2] te Den Haag gehuurd, waarvan [betrokkene 9] feitelijk gebruik maakte. [betrokkene 9] stond ook op de loonlijst van [bedrijf 16] . [betrokkene 9] is veroordeeld voor het medeplegen van de verlengde invoer van bijna 1.300 kilo heroïne in het onderzoek 26Astoria. Dit is aan de verdachte onder feit 5 ten laste gelegd (zaaksdossier 9).
De website van [bedrijf 23] , ‘ [website 1] ’, is geregistreerd door ‘ [naam 1] ’ via het e-mailadres ‘ [e-mailadres 2] ’. Met dit e-mailadres zijn ook de websites ‘ [website 2] ’ en ‘ [website 3] ’ geregistreerd. Gelet op de naam waaronder de registratie is verricht, in combinatie met e-mailadressen van bv’s die kunnen worden gekoppeld aan [medeverdachte 1] , stelt het hof vast dat het hij is geweest die de website van [bedrijf 23] heeft geregistreerd.
Dat [medeverdachte 1] in de ten laste gelegde periode ook de beschikking heeft gehad over het geld op de bankrekening van [bedrijf 20] , leidt het hof af uit het volgende.
In de telefoon van [medeverdachte 1] zijn chatgesprekken aangetroffen met telefoonnummer [telefoonnummer 1] (hierna: * [telefoonnummer 1] ). Dat nummer stond opgeslagen als ‘ [betrokkene 3] ’. Uit onderzoek van de politie is gebleken dat dit telefoonnummer werd gebruikt door [betrokkene 3] – van wie een kopie van zijn paspoort bij [medeverdachte 6] thuis lag.
Uit de chatgesprekken blijkt dat [medeverdachte 1] op 14 juni 2018 een foto stuurt naar [betrokkene 3] van de SNS-bankpas van [bedrijf 20] op naam van [betrokkene 3] . [betrokkene 3] vraagt vervolgens ‘hoeveel’. Hierop stuurt [medeverdachte 1] een screenshot van de laatste bij- en afschrijvingen., waaronder een bijschrijving van [bedrijf 12] van € 12.415,00. Vervolgens zegt de verdachte: ‘spoed betaling naar [bedrijf 16] ’. Diezelfde dag wordt van de rekening van [bedrijf 20] een bedrag van € 12.254,55 overgemaakt naar [bedrijf 16] . Zoals hiervoor vermeld was [bedrijf 16] voor 90% in handen van [bedrijf 14] . En van dat bedrijf was [medeverdachte 1] directeur en feitelijk leidinggevende. [bedrijf 20] blijkt vaker een tussenstop te zijn geweest voor geldtransacties die uiteindelijk goeddeels aan [medeverdachte 1] ten gunste kwamen. Zo ontvangt [bedrijf 20] € 340.071,94 na de verkoop van een appartementencomplex in Stellendam. Dat geld wordt vervolgens bijna geheel doorgestort aan [bedrijf 16] (€ 182.509,10) en [bedrijf 15] (€ 157.509,10). Laatstgenoemd bedrijf heeft het ontvangen geld geïnvesteerd in [bedrijf 19] in Griekenland. Overigens zijn in de hierboven genoemde telefoon van [medeverdachte 3] twee foto’s aangetroffen met daarop (i) een muur met de tekst [bedrijf 19] en (ii) de temperatuur met op de achtergrond het terras van [bedrijf 19] in Griekenland.
[medeverdachte 1] had dus niet alleen zeggenschap over [bedrijf 20] , maar daarbij ook een (indirect) groot financieel belang.
7.2
Telefoonnummer [medeverdachte 1]
Bij de doorzoeking op 29 september 2020 van de woning van [medeverdachte 1] aan de [adres 3] in Den Haag is een telefoon (Apple iPhone X) met telefoonnummer [telefoonnummer 2] (hierna: * [telefoonnummer 2] ) aangetroffen met de gebruikersnaam (‘Apple-ID’) ‘ [voorletters] .’ (voorletters van [medeverdachte 1] ). Het hof gaat er daarom vanuit dat genoemd telefoonnummer aan [medeverdachte 1] toebehoorde.
7.3
Telefoonnummer [verdachte]
Het telefoonnummer [telefoonnummer 3] (hierna: * [telefoonnummer 3] ) komt in een aantal zaaksdossiers naar voren. Het hof stelt vast dat de verdachte de vaste gebruiker was van dit telefoonnummer en overweegt daartoe het volgende. Naar aanleiding van de aangifte van de ING is onderzoek gedaan naar de stortingen op de rekening van [bedrijf 2] . Uit onderzoek blijkt dat op de website van [bedrijf 2] als contacttelefoonnummer het nummer * [telefoonnummer 3] stond vermeld en dat bovendien voor de sms-tancodes voor de rekening van [bedrijf 2] dit telefoonnummer was gekoppeld. Dat het de verdachte was die feitelijk gebruik maakte van dit nummer leidt het hof af uit een automatisch bericht van de ING bank aan dit nummer. De gebruiker krijgt een volgnummer en een TAN-code te horen. Hij zegt tijdens dit gesprek (op de achtergrond): “Kijk je uit... [naam 2] ... [naam 2] ...hey!”. De verdachte heeft een dochtertje genaamd [naam 2] en woonde destijds samen met zijn gezin op het adres [adres 4] . Uit onderzoek is naar voren gekomen dat [mastlocatie 1] de aangestraalde mast van het telefoonnummer is. Deze paallocatie staat pal naast het woonadres van de verdachte en geeft dus dekking aan dit adres. Bovendien heeft het onderzoeksteam door middel van stemherkenning (‘SH’) ten aanzien van de verschillende gesprekken aangegeven dat het de verdachte is die tijdens de gesprekken als gebruiker van het nummer * [telefoonnummer 3] te horen is. De verdediging heeft dit ook ten aanzien van de elf gesprekken waarvan de audio-opnamen in hoger beroep ter beschikking zijn gesteld, erkend. Ook het hof hoort op die elf audiobestanden de stem van de verdachte. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de overige gesprekken niet vastgesteld kan worden dat het de verdachte is die aan de gesprekken deelneemt. Het hof deelt dit standpunt niet, omdat ten aanzien van veel van de door de advocaat genoemde gesprekken al in de uitwerking van de gesprekken is aangegeven dat het gebruik door de verdachte op grond van stemherkenning (SH) is vastgesteld. Dat dit ten aanzien van een enkel gesprek niet is vastgesteld rechtvaardigt niet de conclusie dat de verdachte niet de vaste gebruiker van het nummer was. De enkele stelling van de verdachte dat ook een ander/anderen gebruik maakte(n) van het nummer maar dat hij niet wil zeggen wie dat was/waren, is daartoe in elk geval onvoldoende. Het hof gaat er van uit dat de verdachte de vaste gebruiker van het nummer * [telefoonnummer 3] was.
7.4
Bijnamen
[medeverdachte 4] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat [medeverdachte 1] ‘ [bijnaam] ’ wordt genoemd. Daarnaast stelt het hof vast dat uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 1] ook met ‘ [bijnaam 2] ’ of ‘ [bijnaam 3] ’ – een verbastering van zijn voornaam – wordt aangesproken.
De verdachte heeft verklaard dat hij door anderen soms “ [bijnaam 4] ” wordt genoemd. [medeverdachte 2] noemde hij [bijnaam 5] of [naam 4] .
De naam ‘ [bijnaam 6] ’ wordt gebruikt als aanduiding voor [medeverdachte 5],
7.5
Kantoorpanden
[medeverdachte 2] en de verdachte hebben gebruik gemaakt van verschillende kantoren. [betrokkene 10] , leegstandbeheerder, heeft laten weten dat de verdachte en [medeverdachte 2] achtereenvolgens de volgende kantoorpanden in gebruik hebben gehad:
- [adres 5] (mei 2019 tot september 2019);
- [adres 6] (september 2019 tot 29 september 2020);
- [adres 7] (december 2019 tot mei 2020);
- [adres 8] (mei 2020 tot 29 september 2020).
Uit telefoongesprekken blijkt dat het kantoor [adres 5] al een aantal maanden eerder dan mei 2019 bij [verdachte] en [medeverdachte 2] in gebruik was. [medeverdachte 3] kwam daar ook, zo blijkt uit een observatie. Op 11 september 2019 werd er een bus gehuurd om kantoormeubelen te verhuizen.
Conclusie
[bedrijf 3] zegt dat dat even zou duren maar dat hij diezelfde dag nog antwoord zal krijgen op zijn e-mailbericht. De verdachte vraagt ook of [bedrijf 3] een ‘notice of arrival’ heeft. [bedrijf 3] gaat deze doorsturen.Om 15.14 uur e-mailt [betrokkene 18] van [bedrijf 3] naar ‘ [e-mailadres 6] ’ dat in de bijlage de aankomstberichten met afschrijfgegevens, de te betalen kosten en scanningsberichten te vinden zijn en dat de pincode wordt vrijgegeven na ontvangst van ‘betalingsbewijs’, ‘copy ima dok’ / ‘douanedok’ en 'original BL [kenmerk] ’ en ‘correct geendosseerd p de rugzijde’.
[bedrijf 3] ontvangt diezelfde dag een bedrag van € 1.968,00 op haar bankrekening. Hetzelfde bedrag dat zij bij [bedrijf 4] (via het e-mailadres [e-mailadres 6] ) die dag in rekening heeft gebracht voor de kosten van het transport.
Op 21 december 2018 om 10.15 uur stuurt [bedrijf 4] vanuit [e-mailadres 6] een e-mailbericht aan [betrokkene 18] (van [bedrijf 3] ) waarin staat dat in de bijlage de spoedbetaling staat die gisterenmiddag is gedaan en dat de originele gedoceerde B/L vandaag en uiterlijk maandag bij [bedrijf 3] op kantoor zal zijn. Het e-mailbericht is ondertekend door [betrokkene 2] en wederom voorzien van het telefoonnummer * [telefoonnummer 3] . Kort daarna, om 10.17 uur, verzoekt [betrokkene 18] van [bedrijf 3] per e-mailbericht aan [bedrijf 4] om een ‘copy ima/t1 dok’ als ‘bewijs van aanzuivering’ alvorens de pincodes vrijgegeven kunnen worden. Om 15.36 uur die dag stuurt [betrokkene 18] (namens [bedrijf 3] ) een e-mailbericht naar ‘ [bedrijf 4] ’ dat de originele ‘bl’ is ontvangen. Zij deelt mee dat als ze de ‘copy douanedok’ ontvangt zij de pincodes kan mailen. Deze pincodes zijn nodig om de container(s) uit de haven te kunnen ophalen. Wanneer alle formaliteiten rond zijn, wordt aan de consignee een pincode verstrekt. Deze verstrekken vervolgens de pincode aan de chauffeur die de desbetreffende container uit de haven ophaalt.
Op maandag 24 december 2018 om 11.23 uur belt de verdachte (H) met het telefoonnummer * [telefoonnummer 3] naar het telefoonnummer + [telefoonnummer 5] in gebruik bij [betrokkene 19] (J). Het gesprek tussen hen verloopt als volgt:
J: [betrokkene 19]
H: Met mij
J: Hé chef
H: He man, we hebben een probleem. Ik moet voor 12 uur het doorsturen voor die ene T1 code voor aankomende donderdag.
J: Ja die stuur ik zo door, ik heb hem al dus je krijgt hem zo.
H: Stuur hem alsjeblieft nu door want ze gaan 12 uur dicht eh dat kantoor en anders krijg ik die pincode NTV andere chauffeurs voor
J: Je hebt hem met 10 minuutjes op je, hoe noem je dat, email.
H: Als je dat wil doen. En als het goed is heb ik zo de betalingen van een van de twee facturen al meteen voor jou NTV
J: Ja alsjeblieft, die andere facturen, van die nieuwe dan die stuur ik straks ook effe door.
H: Ja als je wil doen graag, zo die T1’s, dan knal ik ze meteen door. Want dan heb ik de pincodes en dan kunnen we dat allemaal afronden deze week.
J: Ja. Oké die zie je zo.
H: Dankjewel.
Een klein half uur later (om 11.48 uur) belt de verdachte (H) weer met [bedrijf 3] (C). Hij doet zich nu voor als ‘ [naam 6] ’ van ‘ [bedrijf 2] ’. Het volgende gesprek wordt gevoerd:
C: [bedrijf 3] met (…) goeiemorgen
H: Ja goedemorgen [bedrijf 2] spreek je, met [naam 6] . Ik spreek met mevrouw [achternaam] (fon)?
C: Die is niet aanwezig. (…) u kunt wel een mail sturen want ze werkt wel van thuis uit.
H: Eh ja maar ze hebt gezegd dat ze er tot 12 uur zou zijn voor de pincodes. Dus ik heb nu alles doorgemaild al half uur geleden.
C: (…) dat wist ik niet. Heeft u een nummer?
H: Ja maar ik heb ze gewoon doorgemaild. Het gaat mij er om dat ik donderdag dat transport opgezet kan worden. Zij zegt toch duidelijk tot 12 uur dus ik stuur half uur geleden stuur ik haar die T1 documenten door.
C: Dan zal ze onderweg zijn waarschijnlijk. (…) aankomen.
H: Ja maar hoe krijg ik dan mail voor de release van (…)? Ik moet dit doorsturen naar de transport.
C: Wacht, dat ga ik even aan een collega doorgeven. Van al die dingen weet ik niet zo veel van. Klein momentje alsjeblieft.
H: Ja.
C: [bedrijf 3] goedemorgen met [naam 10] (fon)
H: Ja goedendag met [naam 6] spreek je, [bedrijf 2] uit Nederland. Eh ik heb vanochtend mevrouw [achternaam] gesproken voor de release pin en zij wacht alleen nog op de T1 documenten...
(...)
Tweede tussenconclusie
[bedrijf 3] was oorspronkelijk de consignee en notify van dit transport maar naar aanleiding van een verzoek van [bedrijf 30] is de Bill of Lading overgedragen aan [bedrijf 4] en daarmee is dat ook het bedrijf voor wie de containers bestemd waren. Aangenomen moet worden, zonder aanwijzingen van het tegendeel, dat degenen die achter dat bedrijf schuil gaan, verantwoordelijk zijn voor de invoer van de verdovende middelen. Dat blijkt in elk geval de verdachte te zijn. Voor de verdere afhandeling van de containers worden verschillende e-mailberichten uitgewisseld waarbij de e-mailberichten van en voor [bedrijf 4] worden verzonden vanaf en verstuurd naar het e-mailadres: [e-mailadres 6] . Op de website van deze handelsmaatschappij staat als contactnummer het nummer * [telefoonnummer 3] vermeld, het nummer dat in gebruik was bij de verdachte. Verder worden de e-mailberichten die namens dit bedrijf worden verzonden ondertekend door [betrokkene 2] , volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel de bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 4] Het hof stelt echter vast op grond van de verschillende opgenomen gesprekken, waarin de stem van de verdachte is herkend, en de omstandigheid dat het telefoonnummer dat hij gebruikte onder de e-mailcorrespondentie staat, dat het de verdachte is geweest die zich als gebruiker van het nummer * [telefoonnummer 3] bij verschillende gelegenheden heeft voorgedaan als [naam 6] of [betrokkene 2] van [bedrijf 4] , onder meer voor het verkrijgen van de ‘pincode’ om de containers uit de haven van Antwerpen te kunnen halen.
De bedrijven [bedrijf 4] en [bedrijf 2] zijn twee verschillende bedrijven. Het hof gaat er gelet op het voorgaande van uit dat het bedrijf [bedrijf 4] het bedrijf is dat verantwoordelijk is voor de invoer van de containers en dat de verdachte de persoon is achter dat bedrijf. Dat hij hiervoor het e-mailadres van [bedrijf 2] heeft gebruikt doet hier niet aan af. Sterker nog: hiervoor is reeds vastgesteld dat onder meer de verdachte feitelijke zeggenschap had over [bedrijf 2] . Ook kan [verdachte] met beide bedrijven in verband worden gebracht gelet op de contante stortingen die hij heeft gedaan op de rekeningen van beide bedrijven. Zo heeft hij op de rekening van [bedrijf 2] in de periode van 18 juni 2018 tot en met 25 januari 2019 contante stortingen gedaan voor in totaal € 262.280,00. Op de rekening van [bedrijf 4] heeft hij op 19 juni 2018 een bedrag van € 14.600,00 contant gestort.
Conclusie
[bedrijf 6]
Behalve administratie met betrekking tot [bedrijf 5] werd tijdens de doorzoeking in juli 2020 op het [adres 8] ook papieren administratie met betrekking tot de onderneming [bedrijf 6] (hierna: [bedrijf 6] ) aangetroffen. Verder werd een ABN Amro bankpas op naam van [bedrijf 6] , een kopie rijbewijs van [betrokkene 20] en een kopie Alfa Pass op naam van [betrokkene 20] aangetroffen.
Tweede tussenconclusie
[bedrijf 5] was een dekmantelbedrijf dat gebruikt is voor de invoer van heroïne. Aangenomen moet worden dat degenen die de feitelijke zeggenschap hadden over [bedrijf 5] verantwoordelijk zijn voor deze invoer. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen waren dat de verdachte en [medeverdachte 2] . Bij die conclusie betrekt het hof nog het volgende.
[adres 5]
Ten tijde van het hiervoor genoemde transport maakten [medeverdachte 2] en de verdachte gebruik van het kantoorpand aan de [adres 5] . Ook [medeverdachte 3] kwam in dat kantoorpand. Hij heeft in opdracht van een ander/anderen websites (en de daaraan gekoppelde emailadressen) gemaakt. Dit blijken onder meer de websites voor [bedrijf 5] en [bedrijf 6] te zijn. Bovendien blijkt dat de bruikleenovereenkomst voor het pand aan de [adres 5] op naam stond van [bedrijf 7] (hierna: [bedrijf 7] ). Dit bedrijf betaalde hostingbedrijf [bedrijf 34] dat weer diensten verleende aan [bedrijf 5] . [bedrijf 7] betaalde ook aan [bedrijf 34] voor de website van [bedrijf 6] . Het bedrijf [bedrijf 7] had als enig aandeelhouder en bestuurder Stichting [bedrijf 7] . Van deze stichting was van 1 maart 2015 tot en met 17 mei 2019 [betrokkene 24] , de zus van [medeverdachte 3] , enig aandeelhouder en bestuurder. Zowel de verdachte als [medeverdachte 3] hebben contante geldbedragen op de rekening van het bedrijf [bedrijf 7] gestort.
Verder blijkt uit het dossier dat de verdachte de gebruiker was van de MIFI-router met IMEI-nummer [IMEI-nummer] en voorzien van IMSI-nummer [IMSI-nummer] . Uit onderzoek naar deze MIFI-router in combinatie met de informatie over het onlinebankieren met rekeningnummer [rekeningnummer 3] op naam van [bedrijf 5] stelt het hof vast dat de verdachte in de periode van 20 november 2019 tot en met 10 december 2019 veertig maal heeft ingelogd op genoemde bankrekening van [bedrijf 5] .
Op 2 september 2019 – de ochtend dat de container door [betrokkene 20] in de haven van Antwerpen wordt opgehaald en vervolgens in Bergschenhoek wordt gelost – arriveert omstreeks 09.48 uur [medeverdachte 3] bij de [adres 5] . Op dat moment stralen de telefoons van de verdachte en [medeverdachte 2] zendmasten in de nabije omgeving aan. Het hof gaat er – gelet hierop en gelet op het feit dat de verdachte en [medeverdachte 2] op dat moment de vaste gebruikers waren van de [adres 5] – van uit dat alle drie de verdachten op dat moment in het kantoor op de [adres 5] aanwezig waren. [medeverdachte 3] heeft, volgens zijn in hoger beroep als getuige afgelegde verklaring, eerder die ochtend – op zijn telefoon van een Sky-contact (het hof begrijpt: een contact dat hij op zijn Sky-telefoon had) – het verzoek ontvangen om twee Sky-telefoons te wissen. Eerder had hij op verzoek Sky-applicaties op telefoons geïnstalleerd. Hoewel hij heeft verklaard niet te weten wie hem vroeg de Sky-telefoons te wissen, heeft hij hieraan wel gevolg gegeven. Diezelfde ochtend merkte hij dat er paniek was in een van de kantoren op de [adres 5] . Hem werd door de ‘aanwezigen’ ook verzocht een tweetal Sky-telefoons op afstand te wissen, waarna hij aangaf dat al te hebben gedaan.
De hiervoor genoemde [betrokkene 22] en [betrokkene 9] hadden allebei een Sky-telefoon. Hun toestellen zijn voorzien van IMSI-nummers die slechts één cijfer afwijken. De telefoons zijn op 30 augustus 2019 kort na elkaar (om 13.27 en 13.28 uur) actief geworden, waarbij zendmasten zijn aangestraald op de locaties Rugulusweg 5 en Maanplein 55. Deze locaties zijn beide gelegen in de directe omgeving van de [straatnaam] in Den Haag. Op het moment van aanhouding – op 2 september 2019 – stonden de telefoons weer op fabrieksinstelling.
Derde tussenconclusie
[medeverdachte 2] , de verdachte en [medeverdachte 3] hebben elk een relatie met de bedrijven [bedrijf 5] en [bedrijf 6] , die gerelateerd kunnen worden aan het heroïnetransport. Op de dag dat de container met de heroïne in Bergschenhoek in beslag wordt genomen, is er paniek op het kantoor op de [adres 5] , de kantoorruimte die door [medeverdachte 2] en de verdachte werd gebruikt, waar [medeverdachte 3] toen aanwezig was en het verzoek kreeg van de aanwezigen om twee Sky-telefoons te wissen. Het hof gaat er gelet hierop vanuit dat het verzoek van [medeverdachte 2] en de verdachte kwam. Bij de uithalers van de heroïne, [betrokkene 22] en [betrokkene 9] , zijn Sky-telefoons aangetroffen die kennelijk kort daarvoor weer naar de fabrieksstand zijn gezet. Het hof begrijpt hieruit dat ze zijn ‘gewist’. Het hof gaat er dan ook vanuit dat [medeverdachte 3] de telefoons van deze personen heeft gewist. Aanwijzingen dat het om heel andere telefoons zou gaan zijn er niet.
Nadere overwegingen
Er zijn nog enkele omstandigheden die het hof betrekt bij het oordeel dat de genoemde verdachten betrokken zijn geweest bij dit transport. Tijdens de doorzoeking in de loods gelegen aan de [adres 14] werden nagemaakte transportzegels voorzien van het opschriftnummer [bedrijf 8] [zegelnummer 2] aangetroffen. De container met nummer [containernummer 2] was op het moment dat deze door de Engelse autoriteiten werd gecontroleerd afgesloten en verzegeld door middel van een daarvoor bestemde transportzegel. Dit zegel komt voor wat betreft het opschrift geheel overeen met de aangetroffen (valse) transportzegels in de loods in Bergschenhoek. Deze transportzegels zaten in een Jumbotas die door [betrokkene 22] naar de loods is meegenomen en naar binnengebracht is.
[medeverdachte 2] heeft ter terechtzitting in hoger beroep als getuige verklaard dat hij valse containerzegels maakte. Hij heeft ook verklaard dat hij hier pas mee gestart is na het transport van 2 september 2019. Het hof acht dat laatste niet aannemelijk nu in het OVC-gesprek van 10 februari 2020 tussen [medeverdachte 2] , [betrokkene 25] , de verdachte en nog een onbekende man, in het kantoor aan de [adres 6] , door [medeverdachte 2] wordt gezegd: “Er staan vier zegels, vier keer een zegel gemaakt en daar is nooit voor betaald.” Even later zegt hij: “Dat is nog. Toen zaten we nog in het ouwe kantoortje. (Ntv) gemaakt, een paar CMA zegels gemaakt nog.” [medeverdachte 2] zegt nog wat later: “Ik heb. De [bedrijf 25] heb ik nog een paar van gemaakt van zelfs, CMA. Naar het oordeel van het hof was er dus al sprake van het namaken van zegels toen ze nog in het ‘oude kantoortje’ (het hof begrijpt: op de [adres 5] ) zaten.
Dat ook de verdachte hierbij betrokken was, leidt het hof af uit de opmerking van [medeverdachte 2] in hetzelfde gesprek dat zij met z’n drieën werken. En verder uit de omstandigheid dat de verdachte op een gegeven moment zegt: “Als we met ze allen willen verdienen aan die zegels, moet je samen ook natuurlijk betalen.”
OVC-gesprekken
Dat [medeverdachte 2] en de verdachte betrokkenheid hadden bij dit transport blijkt verder uit de OVC-gesprekken die de verdachte en [medeverdachte 2] samen en/of met anderen in 2020 hebben gevoerd in hun kantoorruimte op de [adres 6] die onmiskenbaar betrekking hebben op het onderhavige transport (onderzoek Astoria).
Conclusie
Die dag en op 25 maart 2020 vindt er ook een mailwisseling plaats tussen [e-mailadres 7] en [bedrijf 38] over het huren van een Pacton 40ft High Cube chassis, voorzien van het kenteken [kenteken 5] . Kort nadat de verhuurder een ongetekende SEPA-machtiging en een ongetekende huurovereenkomst naar [e-mailadres 7] . stuurt, worden beide documenten (als één gescande bijlage) ondertekend geretourneerd.
Op 25 maart 2020 bestuurt [medeverdachte 4] een DAF truck, voorzien van kenteken [kenteken 4] . De volgende dag bestuurt hij dezelfde truck met daaraan gekoppeld een Pacton High Cube trailer, voorzien van kenteken [kenteken 5] . Kort hierna voorziet de politie de trailer van een GPS-baken.
Op 29 maart 2020 ontvangt [medeverdachte 4] via [e-mailadres 11] een e-mailbericht van [e-mailadres 7] om namens [bedrijf 9] de – hierboven genoemde – containers [kenmerk 3] , [kenmerk 1] en [kenmerk 2] , allemaal gevuld met bananen, in Antwerpen op te halen en in Bleiswijk af te leveren.
Op 30 maart 2020 omstreeks 04.40 uur rijdt [medeverdachte 4] , met oplegger [kenteken 5] , richting Antwerpen. Hij arriveert daar rond 06.30 uur en ongeveer een half uur later vertrekt hij weer. Hij rijdt vervolgens naar de Tweemontstraat in Deurne (Antwerpen) en stopt daar omstreeks 07.55 uur. Hij rijdt de oplegger met container [kenmerk 3] naar een aldaar gelegen loods. Enkele uren later rijdt hij daar weg en wordt kort daarna gearresteerd. De Belgische politie doorzoekt daarna eerder genoemde loods, en neemt daar onder andere 750 kilo cocaïne in bananendozen in beslag, die gelijk waren aan de lading in container [kenmerk 3] . Verder werd een doorgeknipt originele containerzegel voorzien van nummer [zegelnummer 3] , behorende bij container [kenmerk 3] , in beslag genomen. De container [kenmerk 3] was bij aantreffen voorzien van een intacte zegel met nummer [zegelnummer 3] .
De Belgische politie treft in de cabine van de vrachtwagen met kentekenplaat [kenteken 4] het hiervoor genoemde huurcontract voor de vrachtwagen en het huurcontract voor een koelwagen bij firma [bedrijf 38] aan. Verder treft de Belgische politie een document aan waaruit blijkt dat [medeverdachte 4] , rijdende voor de firma [bedrijf 6] , de container met nummer [kenmerk 3] die als bestemming [bedrijf 9] , [adres 16] heeft, op 30 maart 2020 om 06.56 uur heeft afgehaald op Kaai 188. Ook worden drie documenten van [bedrijf 36] met de gegevens van de drie containers, [kenmerk 1] , [kenmerk 2] en [kenmerk 3] aangetroffen. Op de documenten staat als afzender/shipper: [bedrijf 37] Guayaquil – Ecuador vermeld. Op het document is bij de gegevens van de container [kenmerk 3] het zegelnummer [zegelnummer 3] genoteerd. De CMR-vrachtbrief van [medeverdachte 4] voor de container [kenmerk 3] wordt ook aangetroffen.
Nadat door de Belgische autoriteiten de partij van 750 kilogram cocaïne in beslag is genomen, zijn daar in totaal achttien monsters van genomen, die later zijn overgedragen aan het onderzoeksteam 26Coalcity. Genoemde monsters zijn vervolgens door het Nederlands Forensisch Instituut onderzocht. Uit dit onderzoek is gebleken dat alle achttien monsters cocaïne, vermeld op lijst 1 van de Opiumwet, bevatten.
[bedrijf 9] (bestemming van de zending)
Uit het bedrijvenregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat [bedrijf 9] in juli 2013 is opgericht met als activiteitenomschrijving: groothandel in groente en fruit, en dat [betrokkene 16] , geboren op [geboortedatum 3] , sinds 25 januari 2019 aandeelhouder en bestuurder is. [betrokkene 16] heeft verklaard dat [bedrijf 9] alleen op zijn naam staat, maar dat hij nog nooit werk voor dat bedrijf heeft uitgevoerd.
In het pand aan het [adres 8] te Den Haag, dat door de verdachte en [medeverdachte 2] als kantoor werd gebruikt, is tijdens de doorzoeking in de nacht van 29 op 30 juli 2020 onder andere een ordner aangetroffen met papieren administratie en inlogcodes die betrekking hebben op [bedrijf 9] . Daarnaast werd er een kopie van het rijbewijs van [betrokkene 16] , geboren op [geboortedatum 3] , aangetroffen. Op een van de USB-sticks die daar ook gevonden is, staat onder andere een aanvraag EORI-nummer (een identificatienummer van de Belastingdienst/Douane ten behoeve van internationale handel) voor de onderneming [bedrijf 9] . Op de USB-stick staan verder de “Bills of Lading” voor verschillende containers met bananen voor [bedrijf 9] . Ook staan op de USB-stick facturen van Durexporta, Guayaquil Ecuador, gericht aan [bedrijf 9] , voor de aankoop van “fresh bananas”. Hierbij worden voor een deel dezelfde containernummers vermeld als waarvan de Bill of Lading is aangetroffen. Ten slotte staat er ook een screenshot op van twee betalingen vanaf de rekening van [bedrijf 9] naar de rekening van containerrederij MSC.
De verdachte heeft in 2019 contant geld gestort op de rekening van [bedrijf 9] Ook spreekt hij in (telefoon)gesprekken over [bedrijf 9] of doet zich voor als vertegenwoordiger van het bedrijf. Op 25 februari 2020 voert de verdachte een telefoongesprek met [bedrijf 43] over het opzetten en vervoeren van containers, waarin hij zich voordoet als [betrokkene 16] van [bedrijf 9] . Verder spreken de verdachte en [medeverdachte 2] met elkaar over [bedrijf 9] . [medeverdachte 2] zegt in een gesprek op 17 april 2020 tegen de verdachte: “Ja, of eh ik haal, of dat we rekening van [bedrijf 9] , daar moet geld af hè?”. De verdachte heeft het dan over pinnen en zegt dat hij niet met zijn eigen kop wil gaan pinnen. [medeverdachte 2] zegt dan: “Nee, jij. Ben je gek man. Dat moeten wij helemaal niet meer doen. Daar ben ik eh, sinds de laatste keer eh, wij moeten niet meer op de werkvloer kome. Wij moeten niet meer geld storte. Wij moeten niet meer.” De verdachte zegt dan onder meer “Eh, dan, dan zegge ze wel van, nou, we hebbe een foto van die stort of opneemt?”(…) “Dan met de tijd erop. Dan heb je al een beeld van hem.” Daarop zegt [medeverdachte 2] “Ja, maar dat is wel verdenking. Dat is wel misschien een aanleiding om die te volgen of in ieder geval te. Dus dat niet meer doen. We gaan niet meer op de werkvloer, want dan geven we maar iemand wat geld om dat te regele. Maar we gaan niet, we gaan niet eh storte. We gaan niet meer. Maar we gaan niet, we gaan niet eh storte. We gaan niet meer.” [medeverdachte 2] zegt ook dat ze niet meer gaan doen wat hij heeft gedaan: “die chauffeur daar aan het ophale bij ze truck. Dat soort dinge allemaal gaan we ook niet meer doen. Wij moeten gewoon uit het zicht blijve.” De verdachte antwoordt dat zij iets daarvoor moeten geven als er wordt gepind waarop [medeverdachte 2] oppert dat zij het kunnen overmaken naar een andere rekening. De verdachte zegt dan als je het geld naar een andere rekening overmaakt er wel wordt gekeken waar het vandaan komt. [medeverdachte 2] zegt dat zij moeten kijken naar de rekeningen waar het op kan. De verdachte vraagt wie er nou iets moest doen. [medeverdachte 2] zegt dat ‘ [bijnaam 10] ’ geld wilde. De verdachte zegt dan: “Ja, maar niet van [bedrijf 9] .” Hij vraagt dan hoe van [bedrijf 9] kan worden doorgestort naar [bedrijf 10] . Hij merkt op dat de [bedrijf 10] -rekening volgens hem dichtgaat. [medeverdachte 2] zegt dan; “Nou, eh het geld moet er wel af. Dat is niet zo een probleem.”
[bedrijf 6] (vervoerder van de zending)
Tijdens de (heimelijke) doorzoeking in de nacht van 29 op 30 juli 2020 in het pand aan het [adres 8] te Den Haag, is administratie met betrekking tot [bedrijf 6] , een ABN Amro bankpas op naam van [bedrijf 6] , een kopie van het rijbewijs van [betrokkene 20] en een kopie Alfa Pass op naam van [betrokkene 20] aangetroffen.
Beoordeling
Niet bewezen kan worden dat het oogmerk van de organisatie ook gericht was op het plegen van valsheid in geschrift.
Het verweer van de verdediging, dat in de kern genomen neerkomt op een andere waardering van de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, is met het voorgaande verworpen.
Criminele organisatie in de periode van 1 maart 2019 tot 29 september 2020 (feit 2)
Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van de bewezen verklaarde drugstransporten van 31 augustus 2019 (feit 5) en 30 maart 2020 (feit 6) is overwogen volgt dat de criminele organisatie in deze periode bestond uit de verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] .
Oogmerk
De wijze van ten laste leggen dwingt het oogmerk van die criminele organisatie nader te specificeren. Uit de bewezenverklaring van de feiten 5, 6 en 7 , en de daarbij betrokken personen, volgt dat het oogmerk van de organisatie gericht was op het plegen van de invoer e.d. van verdovende middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet en witwassen.
Het verweer van de verdediging, dat in de kern genomen neerkomt op een andere waardering van de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, is met het voorgaande verworpen.
7.13
Feit 8 – Wet wapens en munitie
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het voorhanden hebben van een boksbeugel, een pepperspraypistool en een patroon kan worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van dit feit, omdat de verdachte niet wist dat de boksbeugel, het pepperspraypistool en het patroon in de doos zaten die in zijn berging lag. De verdachte heeft deze doos jaren geleden in bewaring gekregen van een vriend die inmiddels is overleden en was van de inhoud van de doos niet op de hoogte.
Oordeel van het hof
Tijdens de doorzoeking op 29 september 2020 in de woning van de verdachte ( [adres 17] ) is in een berging behorend bij de woning een verhuisdoos aangetroffen met daarin een blikken trommel met daarin onder meer een boksbeugel, pepperspraypistool en een patroon. Uit onderzoek is gebleken dat de boksbeugel een wapen is in de zin van artikel 2 lid 1, categorie I onder 3° van de Wet Wapens en Munitie, het pepperspraypistool is een wapen dat bestemd is voor het treffen van personen met een weerloosmakende en/of traanverwekkende stof, in de zin van artikel 2, lid 1, categorie II, onder 6° van de Wet wapens en munitie en de kogelpatroon is een patroon van het kaliber 7,65 br en is munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie.
Voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van wapens en/of munitie in de zin van artikel 13 of artikel 26 WWM is volgens vaste jurisprudentie vereist dat de verdachte zich in meer of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van dat wapen of die munitie. Daarnaast moet de verdachte een zekere beschikkingsmacht over het wapen hebben gehad. De criteria aanwezigheid, machtsrelatie en bewustheid staan doorgaans in een samenhangend verband met elkaar.
In dit geval zijn de wapens en de patroon aangetroffen in een trommel, in een doos in de berging die behoort bij de woning van de verdachte. De verdachte heeft in eerste aanleg daarover geen verklaring afgelegd. Eerst in hoger beroep heeft hij verklaard dat hij wist van de doos in zijn berging, maar stelt niet te hebben geweten wat er in zat omdat de doos met inhoud van een inmiddels overleden vriend is geweest die hem had gevraagd of de doos in zijn woning kon worden bewaard. Dat standpunt acht het hof niet geloofwaardig nu het allereerst al niet aannemelijk is dat de verdachte nimmer in de doos heeft gekeken, ook niet na het overlijden van de vriend, maar bovendien omdat in dezelfde doos ook een foto is aangetroffen waarop de verdachte met een wapen is te zien. Dat ook die foto van de inmiddels overleden vriend van de verdachte was en daarmee de gehele inhoud van de doos enkel aan de overleden vriend toebehoorde is dan ook niet aannemelijk geworden.
Het hof acht het onder feit 8 tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.
8Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 primair eerste alternatief, 4 primair, 5 primair eerste alternatief, 6 primair eerste alternatief, 7 en 8 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2018 tot 1 maart 2019 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie bestond uit verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , en die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in:
artikel 10, vierde en vijfde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen en het afleveren en vervoeren van middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet;
artikel 10a Opiumwet, te weten voorbereidingshandelingen om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen;
artikel 11, vierde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen van middelen als bedoeld in lijst II van de Opiumwet;
artikel 420 bis/ter van het Wetboek van Strafrecht, te weten gewoontewitwassen, dan wel opzettelijk witwassen van voorwerpen, waaronder geldbedragen;
2.
hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2019 tot 29 september 2020 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie bestond uit verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , en die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in:
artikel 10, vierde en vijfde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen en het afleveren en vervoeren van middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet;
artikel 10a Opiumwet, te weten voorbereidingshandelingen om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen;
artikel 420 bis/ter van het Wetboek van Strafrecht, te weten gewoontewitwassen, dan wel opzettelijk witwassen van voorwerpen, waaronder geldbedragen;
3.
primair, eerste alternatief
hij op 26 oktober 2018 via de Westerschelde, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 5.296 kilogram hennep;
4.
primair
hij op 26 december 2018 via de Westerschelde, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 4.322 kilo cocaïne;
5.
primair, eerste alternatief
hij op 2 september 2019 in Bergschenhoek, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en opzettelijk heeft afgeleverd en vervoerd ongeveer 6,58 gram heroïne;
6.
primair, eerste alternatief
hij op 30 maart 2020 via de Westerschelde, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 750 kilo cocaïne;
7.
Inleiding
( ZD 7)
hij op of omstreeks 26 december 2018 te Antwerpen, in elk geval in België, en/of op de Westerschelde, in elke geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (via de Westerschelde) binnen het grondgebied van Nederland en België heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 4.322 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair
één of meer (tot nu toe onbekend gebleven) personen op of omstreeks 26 december 2018 te Antwerpen, in elk geval in België, en/of op de Westerschelde en/of Hoogvliet Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (via de Westerschelde) binnen het grondgebied van Nederland en België heeft/hebben gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, 4.322 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 december 2018 tot en met 26 december 2018 te Leidschendam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door
- namens [bedrijf 2] , [bedrijf 3] te verzoeken om als nieuwe klant te worden aangemaakt teneinde de lading (met daarin voornoemde cocaïne) bestemd voor [bedrijf 1] in ontvangst te kunnen nemen;
- namens [bedrijf 4] onder meer met [bedrijf 3] te bellen en/of te informeren naar de release pin;
- het (laten) verrichten van een spoedbetaling van 1.968 euro op 21 december 2018 aan [bedrijf 3] ;
- het (laten) verrichten van een contante storting op 17 januari 2019 van 6.500 euro op de bankrekening van [bedrijf 2] , gevolgd door een overboeking van 6.413.50 euro aan [bedrijf 3] ;
- het voeren van telefoongesprekken omtrent de Bill of Lading, teneinde die weer vrij te krijgen;
- het voeren van gesprekken met de douane onder een valse naam omdat de zakken met de lading waren opengesneden;
meer subsidiair
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2018 tot en met 26 december 2018 te Bergschenhoek en/of Leidschendam en/of Voorburg en/of Den Haag en/of Rijnsburg en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van 4322 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of
- zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),
immers heeft hij, verdachte, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
- één of meer geldbedragen gestort op de bedrijfsrekening van [bedrijf 2] en/of
- ( (vervolgens) via de bankrekening van [bedrijf 2] een spoedbetaling (laten) verricht(en) van 1.968 euro op 21 december 2018 aan [bedrijf 3] en/of
- namens [bedrijf 2] , [bedrijf 3] verzocht om als nieuwe klant te worden aangemaakt teneinde de lading (met daarin voornoemde cocaïne) bestemd voor [bedrijf 1] in ontvangst te kunnen nemen en/of
- namens [bedrijf 4] onder meer met [bedrijf 3] gebeld en/of geïnformeerd naar de release pin en/of
- contact opgenomen met (een) chauffeur(s) voor het verdere vervoer van de container waarin de (dek)lading en cocaïne zat en/of
- telefoongesprekken gevoerd onder valse naam omtrent de Bill of Lading, teneinde die weer vrij te krijgen en/of
- gesprekken met de douane gevoerd onder een valse naam omdat de zakken met de lading waren opengesneden;
5.
Beoordeling
[betrokkene 8] met betrekking tot kosten voor een ‘virtueel kantoor’.
Ook blijkt uit het dossier dat [bedrijf 20] huur heeft betaald voor huurwoningen die op naam stonden van [bedrijf 16] , terwijl daarvoor geen compensatie werd ontvangen. Het ging daarbij – zoals reeds benoemd – om de woning van [medeverdachte 6] aan de [adres 1] te Den Haag. Daarnaast werd via [bedrijf 16] onder meer een huurwoning aan de [adres 2] te Den Haag gehuurd, waarvan [betrokkene 9] feitelijk gebruik maakte. [betrokkene 9] stond ook op de loonlijst van [bedrijf 16] . [betrokkene 9] is veroordeeld voor het medeplegen van de verlengde invoer van bijna 1.300 kilo heroïne in het onderzoek 26Astoria. Dit is aan de verdachte onder feit 5 ten laste gelegd (zaaksdossier 9).
De website van [bedrijf 23] , ‘ [website 1] ’, is geregistreerd door ‘ [naam 1] ’ via het e-mailadres ‘ [e-mailadres 2] ’. Met dit e-mailadres zijn ook de websites ‘ [website 2] ’ en ‘ [website 3] ’ geregistreerd. Gelet op de naam waaronder de registratie is verricht, in combinatie met e-mailadressen van bv’s die kunnen worden gekoppeld aan [medeverdachte 1] , stelt het hof vast dat het hij is geweest die de website van [bedrijf 23] heeft geregistreerd.
Dat [medeverdachte 1] in de ten laste gelegde periode ook de beschikking heeft gehad over het geld op de bankrekening van [bedrijf 20] , leidt het hof af uit het volgende.
In de telefoon van [medeverdachte 1] zijn chatgesprekken aangetroffen met telefoonnummer [telefoonnummer 1] (hierna: * [telefoonnummer 1] ). Dat nummer stond opgeslagen als ‘ [betrokkene 3] ’. Uit onderzoek van de politie is gebleken dat dit telefoonnummer werd gebruikt door [betrokkene 3] – van wie een kopie van zijn paspoort bij [medeverdachte 6] thuis lag.
Uit de chatgesprekken blijkt dat [medeverdachte 1] op 14 juni 2018 een foto stuurt naar [betrokkene 3] van de SNS-bankpas van [bedrijf 20] op naam van [betrokkene 3] . [betrokkene 3] vraagt vervolgens ‘hoeveel’. Hierop stuurt [medeverdachte 1] een screenshot van de laatste bij- en afschrijvingen., waaronder een bijschrijving van [bedrijf 12] van € 12.415,00. Vervolgens zegt de verdachte: ‘spoed betaling naar [bedrijf 16] ’. Diezelfde dag wordt van de rekening van [bedrijf 20] een bedrag van € 12.254,55 overgemaakt naar [bedrijf 16] . Zoals hiervoor vermeld was [bedrijf 16] voor 90% in handen van [bedrijf 14] . En van dat bedrijf was [medeverdachte 1] directeur en feitelijk leidinggevende. [bedrijf 20] blijkt vaker een tussenstop te zijn geweest voor geldtransacties die uiteindelijk goeddeels aan [medeverdachte 1] ten gunste kwamen. Zo ontvangt [bedrijf 20] € 340.071,94 na de verkoop van een appartementencomplex in Stellendam. Dat geld wordt vervolgens bijna geheel doorgestort aan [bedrijf 16] (€ 182.509,10) en [bedrijf 15] (€ 157.509,10). Laatstgenoemd bedrijf heeft het ontvangen geld geïnvesteerd in [bedrijf 19] in Griekenland. Overigens zijn in de hierboven genoemde telefoon van [medeverdachte 3] twee foto’s aangetroffen met daarop (i) een muur met de tekst [bedrijf 19] en (ii) de temperatuur met op de achtergrond het terras van [bedrijf 19] in Griekenland.
[medeverdachte 1] had dus niet alleen zeggenschap over [bedrijf 20] , maar daarbij ook een (indirect) groot financieel belang.
7.2
Telefoonnummer [medeverdachte 1]
Bij de doorzoeking op 29 september 2020 van de woning van [medeverdachte 1] aan de [adres 3] in Den Haag is een telefoon (Apple iPhone X) met telefoonnummer [telefoonnummer 2] (hierna: * [telefoonnummer 2] ) aangetroffen met de gebruikersnaam (‘Apple-ID’) ‘ [voorletters] .’ (voorletters van [medeverdachte 1] ). Het hof gaat er daarom vanuit dat genoemd telefoonnummer aan [medeverdachte 1] toebehoorde.
7.3
Telefoonnummer [verdachte]
Het telefoonnummer [telefoonnummer 3] (hierna: * [telefoonnummer 3] ) komt in een aantal zaaksdossiers naar voren. Het hof stelt vast dat de verdachte de vaste gebruiker was van dit telefoonnummer en overweegt daartoe het volgende. Naar aanleiding van de aangifte van de ING is onderzoek gedaan naar de stortingen op de rekening van [bedrijf 2] . Uit onderzoek blijkt dat op de website van [bedrijf 2] als contacttelefoonnummer het nummer * [telefoonnummer 3] stond vermeld en dat bovendien voor de sms-tancodes voor de rekening van [bedrijf 2] dit telefoonnummer was gekoppeld. Dat het de verdachte was die feitelijk gebruik maakte van dit nummer leidt het hof af uit een automatisch bericht van de ING bank aan dit nummer. De gebruiker krijgt een volgnummer en een TAN-code te horen. Hij zegt tijdens dit gesprek (op de achtergrond): “Kijk je uit... [naam 2] ... [naam 2] ...hey!”. De verdachte heeft een dochtertje genaamd [naam 2] en woonde destijds samen met zijn gezin op het adres [adres 4] . Uit onderzoek is naar voren gekomen dat [mastlocatie 1] de aangestraalde mast van het telefoonnummer is. Deze paallocatie staat pal naast het woonadres van de verdachte en geeft dus dekking aan dit adres. Bovendien heeft het onderzoeksteam door middel van stemherkenning (‘SH’) ten aanzien van de verschillende gesprekken aangegeven dat het de verdachte is die tijdens de gesprekken als gebruiker van het nummer * [telefoonnummer 3] te horen is. De verdediging heeft dit ook ten aanzien van de elf gesprekken waarvan de audio-opnamen in hoger beroep ter beschikking zijn gesteld, erkend. Ook het hof hoort op die elf audiobestanden de stem van de verdachte. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de overige gesprekken niet vastgesteld kan worden dat het de verdachte is die aan de gesprekken deelneemt. Het hof deelt dit standpunt niet, omdat ten aanzien van veel van de door de advocaat genoemde gesprekken al in de uitwerking van de gesprekken is aangegeven dat het gebruik door de verdachte op grond van stemherkenning (SH) is vastgesteld. Dat dit ten aanzien van een enkel gesprek niet is vastgesteld rechtvaardigt niet de conclusie dat de verdachte niet de vaste gebruiker van het nummer was. De enkele stelling van de verdachte dat ook een ander/anderen gebruik maakte(n) van het nummer maar dat hij niet wil zeggen wie dat was/waren, is daartoe in elk geval onvoldoende. Het hof gaat er van uit dat de verdachte de vaste gebruiker van het nummer * [telefoonnummer 3] was.
7.4
Bijnamen
[medeverdachte 4] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat [medeverdachte 1] ‘ [bijnaam] ’ wordt genoemd. Daarnaast stelt het hof vast dat uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 1] ook met ‘ [bijnaam 2] ’ of ‘ [bijnaam 3] ’ – een verbastering van zijn voornaam – wordt aangesproken.
De verdachte heeft verklaard dat hij door anderen soms “ [bijnaam 4] ” wordt genoemd. [medeverdachte 2] noemde hij [bijnaam 5] of [naam 4] .
De naam ‘ [bijnaam 6] ’ wordt gebruikt als aanduiding voor [medeverdachte 5],
7.5
Kantoorpanden
[medeverdachte 2] en de verdachte hebben gebruik gemaakt van verschillende kantoren. [betrokkene 10] , leegstandbeheerder, heeft laten weten dat de verdachte en [medeverdachte 2] achtereenvolgens de volgende kantoorpanden in gebruik hebben gehad:
- [adres 5] (mei 2019 tot september 2019);
- [adres 6] (september 2019 tot 29 september 2020);
- [adres 7] (december 2019 tot mei 2020);
- [adres 8] (mei 2020 tot 29 september 2020).
Uit telefoongesprekken blijkt dat het kantoor [adres 5] al een aantal maanden eerder dan mei 2019 bij [verdachte] en [medeverdachte 2] in gebruik was. [medeverdachte 3] kwam daar ook, zo blijkt uit een observatie. Op 11 september 2019 werd er een bus gehuurd om kantoormeubelen te verhuizen.
Conclusie
[bedrijf 3] zegt dat dat even zou duren maar dat hij diezelfde dag nog antwoord zal krijgen op zijn e-mailbericht. De verdachte vraagt ook of [bedrijf 3] een ‘notice of arrival’ heeft. [bedrijf 3] gaat deze doorsturen.Om 15.14 uur e-mailt [betrokkene 18] van [bedrijf 3] naar ‘ [e-mailadres 6] ’ dat in de bijlage de aankomstberichten met afschrijfgegevens, de te betalen kosten en scanningsberichten te vinden zijn en dat de pincode wordt vrijgegeven na ontvangst van ‘betalingsbewijs’, ‘copy ima dok’ / ‘douanedok’ en 'original BL [kenmerk] ’ en ‘correct geendosseerd p de rugzijde’.
[bedrijf 3] ontvangt diezelfde dag een bedrag van € 1.968,00 op haar bankrekening. Hetzelfde bedrag dat zij bij [bedrijf 4] (via het e-mailadres [e-mailadres 6] ) die dag in rekening heeft gebracht voor de kosten van het transport.
Op 21 december 2018 om 10.15 uur stuurt [bedrijf 4] vanuit [e-mailadres 6] een e-mailbericht aan [betrokkene 18] (van [bedrijf 3] ) waarin staat dat in de bijlage de spoedbetaling staat die gisterenmiddag is gedaan en dat de originele gedoceerde B/L vandaag en uiterlijk maandag bij [bedrijf 3] op kantoor zal zijn. Het e-mailbericht is ondertekend door [betrokkene 2] en wederom voorzien van het telefoonnummer * [telefoonnummer 3] . Kort daarna, om 10.17 uur, verzoekt [betrokkene 18] van [bedrijf 3] per e-mailbericht aan [bedrijf 4] om een ‘copy ima/t1 dok’ als ‘bewijs van aanzuivering’ alvorens de pincodes vrijgegeven kunnen worden. Om 15.36 uur die dag stuurt [betrokkene 18] (namens [bedrijf 3] ) een e-mailbericht naar ‘ [bedrijf 4] ’ dat de originele ‘bl’ is ontvangen. Zij deelt mee dat als ze de ‘copy douanedok’ ontvangt zij de pincodes kan mailen. Deze pincodes zijn nodig om de container(s) uit de haven te kunnen ophalen. Wanneer alle formaliteiten rond zijn, wordt aan de consignee een pincode verstrekt. Deze verstrekken vervolgens de pincode aan de chauffeur die de desbetreffende container uit de haven ophaalt.
Op maandag 24 december 2018 om 11.23 uur belt de verdachte (H) met het telefoonnummer * [telefoonnummer 3] naar het telefoonnummer + [telefoonnummer 5] in gebruik bij [betrokkene 19] (J). Het gesprek tussen hen verloopt als volgt:
J: [betrokkene 19]
H: Met mij
J: Hé chef
H: He man, we hebben een probleem. Ik moet voor 12 uur het doorsturen voor die ene T1 code voor aankomende donderdag.
J: Ja die stuur ik zo door, ik heb hem al dus je krijgt hem zo.
H: Stuur hem alsjeblieft nu door want ze gaan 12 uur dicht eh dat kantoor en anders krijg ik die pincode NTV andere chauffeurs voor
J: Je hebt hem met 10 minuutjes op je, hoe noem je dat, email.
H: Als je dat wil doen. En als het goed is heb ik zo de betalingen van een van de twee facturen al meteen voor jou NTV
J: Ja alsjeblieft, die andere facturen, van die nieuwe dan die stuur ik straks ook effe door.
H: Ja als je wil doen graag, zo die T1’s, dan knal ik ze meteen door. Want dan heb ik de pincodes en dan kunnen we dat allemaal afronden deze week.
J: Ja. Oké die zie je zo.
H: Dankjewel.
Een klein half uur later (om 11.48 uur) belt de verdachte (H) weer met [bedrijf 3] (C). Hij doet zich nu voor als ‘ [naam 6] ’ van ‘ [bedrijf 2] ’. Het volgende gesprek wordt gevoerd:
C: [bedrijf 3] met (…) goeiemorgen
H: Ja goedemorgen [bedrijf 2] spreek je, met [naam 6] . Ik spreek met mevrouw [achternaam] (fon)?
C: Die is niet aanwezig. (…) u kunt wel een mail sturen want ze werkt wel van thuis uit.
H: Eh ja maar ze hebt gezegd dat ze er tot 12 uur zou zijn voor de pincodes. Dus ik heb nu alles doorgemaild al half uur geleden.
C: (…) dat wist ik niet. Heeft u een nummer?
H: Ja maar ik heb ze gewoon doorgemaild. Het gaat mij er om dat ik donderdag dat transport opgezet kan worden. Zij zegt toch duidelijk tot 12 uur dus ik stuur half uur geleden stuur ik haar die T1 documenten door.
C: Dan zal ze onderweg zijn waarschijnlijk. (…) aankomen.
H: Ja maar hoe krijg ik dan mail voor de release van (…)? Ik moet dit doorsturen naar de transport.
C: Wacht, dat ga ik even aan een collega doorgeven. Van al die dingen weet ik niet zo veel van. Klein momentje alsjeblieft.
H: Ja.
C: [bedrijf 3] goedemorgen met [naam 10] (fon)
H: Ja goedendag met [naam 6] spreek je, [bedrijf 2] uit Nederland. Eh ik heb vanochtend mevrouw [achternaam] gesproken voor de release pin en zij wacht alleen nog op de T1 documenten...
(...)
Tweede tussenconclusie
[bedrijf 3] was oorspronkelijk de consignee en notify van dit transport maar naar aanleiding van een verzoek van [bedrijf 30] is de Bill of Lading overgedragen aan [bedrijf 4] en daarmee is dat ook het bedrijf voor wie de containers bestemd waren. Aangenomen moet worden, zonder aanwijzingen van het tegendeel, dat degenen die achter dat bedrijf schuil gaan, verantwoordelijk zijn voor de invoer van de verdovende middelen. Dat blijkt in elk geval de verdachte te zijn. Voor de verdere afhandeling van de containers worden verschillende e-mailberichten uitgewisseld waarbij de e-mailberichten van en voor [bedrijf 4] worden verzonden vanaf en verstuurd naar het e-mailadres: [e-mailadres 6] . Op de website van deze handelsmaatschappij staat als contactnummer het nummer * [telefoonnummer 3] vermeld, het nummer dat in gebruik was bij de verdachte. Verder worden de e-mailberichten die namens dit bedrijf worden verzonden ondertekend door [betrokkene 2] , volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel de bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 4] Het hof stelt echter vast op grond van de verschillende opgenomen gesprekken, waarin de stem van de verdachte is herkend, en de omstandigheid dat het telefoonnummer dat hij gebruikte onder de e-mailcorrespondentie staat, dat het de verdachte is geweest die zich als gebruiker van het nummer * [telefoonnummer 3] bij verschillende gelegenheden heeft voorgedaan als [naam 6] of [betrokkene 2] van [bedrijf 4] , onder meer voor het verkrijgen van de ‘pincode’ om de containers uit de haven van Antwerpen te kunnen halen.
De bedrijven [bedrijf 4] en [bedrijf 2] zijn twee verschillende bedrijven. Het hof gaat er gelet op het voorgaande van uit dat het bedrijf [bedrijf 4] het bedrijf is dat verantwoordelijk is voor de invoer van de containers en dat de verdachte de persoon is achter dat bedrijf. Dat hij hiervoor het e-mailadres van [bedrijf 2] heeft gebruikt doet hier niet aan af. Sterker nog: hiervoor is reeds vastgesteld dat onder meer de verdachte feitelijke zeggenschap had over [bedrijf 2] . Ook kan [verdachte] met beide bedrijven in verband worden gebracht gelet op de contante stortingen die hij heeft gedaan op de rekeningen van beide bedrijven. Zo heeft hij op de rekening van [bedrijf 2] in de periode van 18 juni 2018 tot en met 25 januari 2019 contante stortingen gedaan voor in totaal € 262.280,00. Op de rekening van [bedrijf 4] heeft hij op 19 juni 2018 een bedrag van € 14.600,00 contant gestort.
Conclusie
[bedrijf 6]
Behalve administratie met betrekking tot [bedrijf 5] werd tijdens de doorzoeking in juli 2020 op het [adres 8] ook papieren administratie met betrekking tot de onderneming [bedrijf 6] (hierna: [bedrijf 6] ) aangetroffen. Verder werd een ABN Amro bankpas op naam van [bedrijf 6] , een kopie rijbewijs van [betrokkene 20] en een kopie Alfa Pass op naam van [betrokkene 20] aangetroffen.
Tweede tussenconclusie
[bedrijf 5] was een dekmantelbedrijf dat gebruikt is voor de invoer van heroïne. Aangenomen moet worden dat degenen die de feitelijke zeggenschap hadden over [bedrijf 5] verantwoordelijk zijn voor deze invoer. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen waren dat de verdachte en [medeverdachte 2] . Bij die conclusie betrekt het hof nog het volgende.
[adres 5]
Ten tijde van het hiervoor genoemde transport maakten [medeverdachte 2] en de verdachte gebruik van het kantoorpand aan de [adres 5] . Ook [medeverdachte 3] kwam in dat kantoorpand. Hij heeft in opdracht van een ander/anderen websites (en de daaraan gekoppelde emailadressen) gemaakt. Dit blijken onder meer de websites voor [bedrijf 5] en [bedrijf 6] te zijn. Bovendien blijkt dat de bruikleenovereenkomst voor het pand aan de [adres 5] op naam stond van [bedrijf 7] (hierna: [bedrijf 7] ). Dit bedrijf betaalde hostingbedrijf [bedrijf 34] dat weer diensten verleende aan [bedrijf 5] . [bedrijf 7] betaalde ook aan [bedrijf 34] voor de website van [bedrijf 6] . Het bedrijf [bedrijf 7] had als enig aandeelhouder en bestuurder Stichting [bedrijf 7] . Van deze stichting was van 1 maart 2015 tot en met 17 mei 2019 [betrokkene 24] , de zus van [medeverdachte 3] , enig aandeelhouder en bestuurder. Zowel de verdachte als [medeverdachte 3] hebben contante geldbedragen op de rekening van het bedrijf [bedrijf 7] gestort.
Verder blijkt uit het dossier dat de verdachte de gebruiker was van de MIFI-router met IMEI-nummer [IMEI-nummer] en voorzien van IMSI-nummer [IMSI-nummer] . Uit onderzoek naar deze MIFI-router in combinatie met de informatie over het onlinebankieren met rekeningnummer [rekeningnummer 3] op naam van [bedrijf 5] stelt het hof vast dat de verdachte in de periode van 20 november 2019 tot en met 10 december 2019 veertig maal heeft ingelogd op genoemde bankrekening van [bedrijf 5] .
Op 2 september 2019 – de ochtend dat de container door [betrokkene 20] in de haven van Antwerpen wordt opgehaald en vervolgens in Bergschenhoek wordt gelost – arriveert omstreeks 09.48 uur [medeverdachte 3] bij de [adres 5] . Op dat moment stralen de telefoons van de verdachte en [medeverdachte 2] zendmasten in de nabije omgeving aan. Het hof gaat er – gelet hierop en gelet op het feit dat de verdachte en [medeverdachte 2] op dat moment de vaste gebruikers waren van de [adres 5] – van uit dat alle drie de verdachten op dat moment in het kantoor op de [adres 5] aanwezig waren. [medeverdachte 3] heeft, volgens zijn in hoger beroep als getuige afgelegde verklaring, eerder die ochtend – op zijn telefoon van een Sky-contact (het hof begrijpt: een contact dat hij op zijn Sky-telefoon had) – het verzoek ontvangen om twee Sky-telefoons te wissen. Eerder had hij op verzoek Sky-applicaties op telefoons geïnstalleerd. Hoewel hij heeft verklaard niet te weten wie hem vroeg de Sky-telefoons te wissen, heeft hij hieraan wel gevolg gegeven. Diezelfde ochtend merkte hij dat er paniek was in een van de kantoren op de [adres 5] . Hem werd door de ‘aanwezigen’ ook verzocht een tweetal Sky-telefoons op afstand te wissen, waarna hij aangaf dat al te hebben gedaan.
De hiervoor genoemde [betrokkene 22] en [betrokkene 9] hadden allebei een Sky-telefoon. Hun toestellen zijn voorzien van IMSI-nummers die slechts één cijfer afwijken. De telefoons zijn op 30 augustus 2019 kort na elkaar (om 13.27 en 13.28 uur) actief geworden, waarbij zendmasten zijn aangestraald op de locaties Rugulusweg 5 en Maanplein 55. Deze locaties zijn beide gelegen in de directe omgeving van de [straatnaam] in Den Haag. Op het moment van aanhouding – op 2 september 2019 – stonden de telefoons weer op fabrieksinstelling.
Derde tussenconclusie
[medeverdachte 2] , de verdachte en [medeverdachte 3] hebben elk een relatie met de bedrijven [bedrijf 5] en [bedrijf 6] , die gerelateerd kunnen worden aan het heroïnetransport. Op de dag dat de container met de heroïne in Bergschenhoek in beslag wordt genomen, is er paniek op het kantoor op de [adres 5] , de kantoorruimte die door [medeverdachte 2] en de verdachte werd gebruikt, waar [medeverdachte 3] toen aanwezig was en het verzoek kreeg van de aanwezigen om twee Sky-telefoons te wissen. Het hof gaat er gelet hierop vanuit dat het verzoek van [medeverdachte 2] en de verdachte kwam. Bij de uithalers van de heroïne, [betrokkene 22] en [betrokkene 9] , zijn Sky-telefoons aangetroffen die kennelijk kort daarvoor weer naar de fabrieksstand zijn gezet. Het hof begrijpt hieruit dat ze zijn ‘gewist’. Het hof gaat er dan ook vanuit dat [medeverdachte 3] de telefoons van deze personen heeft gewist. Aanwijzingen dat het om heel andere telefoons zou gaan zijn er niet.
Nadere overwegingen
Er zijn nog enkele omstandigheden die het hof betrekt bij het oordeel dat de genoemde verdachten betrokken zijn geweest bij dit transport. Tijdens de doorzoeking in de loods gelegen aan de [adres 14] werden nagemaakte transportzegels voorzien van het opschriftnummer [bedrijf 8] [zegelnummer 2] aangetroffen. De container met nummer [containernummer 2] was op het moment dat deze door de Engelse autoriteiten werd gecontroleerd afgesloten en verzegeld door middel van een daarvoor bestemde transportzegel. Dit zegel komt voor wat betreft het opschrift geheel overeen met de aangetroffen (valse) transportzegels in de loods in Bergschenhoek. Deze transportzegels zaten in een Jumbotas die door [betrokkene 22] naar de loods is meegenomen en naar binnengebracht is.
[medeverdachte 2] heeft ter terechtzitting in hoger beroep als getuige verklaard dat hij valse containerzegels maakte. Hij heeft ook verklaard dat hij hier pas mee gestart is na het transport van 2 september 2019. Het hof acht dat laatste niet aannemelijk nu in het OVC-gesprek van 10 februari 2020 tussen [medeverdachte 2] , [betrokkene 25] , de verdachte en nog een onbekende man, in het kantoor aan de [adres 6] , door [medeverdachte 2] wordt gezegd: “Er staan vier zegels, vier keer een zegel gemaakt en daar is nooit voor betaald.” Even later zegt hij: “Dat is nog. Toen zaten we nog in het ouwe kantoortje. (Ntv) gemaakt, een paar CMA zegels gemaakt nog.” [medeverdachte 2] zegt nog wat later: “Ik heb. De [bedrijf 25] heb ik nog een paar van gemaakt van zelfs, CMA. Naar het oordeel van het hof was er dus al sprake van het namaken van zegels toen ze nog in het ‘oude kantoortje’ (het hof begrijpt: op de [adres 5] ) zaten.
Dat ook de verdachte hierbij betrokken was, leidt het hof af uit de opmerking van [medeverdachte 2] in hetzelfde gesprek dat zij met z’n drieën werken. En verder uit de omstandigheid dat de verdachte op een gegeven moment zegt: “Als we met ze allen willen verdienen aan die zegels, moet je samen ook natuurlijk betalen.”
OVC-gesprekken
Dat [medeverdachte 2] en de verdachte betrokkenheid hadden bij dit transport blijkt verder uit de OVC-gesprekken die de verdachte en [medeverdachte 2] samen en/of met anderen in 2020 hebben gevoerd in hun kantoorruimte op de [adres 6] die onmiskenbaar betrekking hebben op het onderhavige transport (onderzoek Astoria).
Conclusie
Die dag en op 25 maart 2020 vindt er ook een mailwisseling plaats tussen [e-mailadres 7] en [bedrijf 38] over het huren van een Pacton 40ft High Cube chassis, voorzien van het kenteken [kenteken 5] . Kort nadat de verhuurder een ongetekende SEPA-machtiging en een ongetekende huurovereenkomst naar [e-mailadres 7] . stuurt, worden beide documenten (als één gescande bijlage) ondertekend geretourneerd.
Op 25 maart 2020 bestuurt [medeverdachte 4] een DAF truck, voorzien van kenteken [kenteken 4] . De volgende dag bestuurt hij dezelfde truck met daaraan gekoppeld een Pacton High Cube trailer, voorzien van kenteken [kenteken 5] . Kort hierna voorziet de politie de trailer van een GPS-baken.
Op 29 maart 2020 ontvangt [medeverdachte 4] via [e-mailadres 11] een e-mailbericht van [e-mailadres 7] om namens [bedrijf 9] de – hierboven genoemde – containers [kenmerk 3] , [kenmerk 1] en [kenmerk 2] , allemaal gevuld met bananen, in Antwerpen op te halen en in Bleiswijk af te leveren.
Op 30 maart 2020 omstreeks 04.40 uur rijdt [medeverdachte 4] , met oplegger [kenteken 5] , richting Antwerpen. Hij arriveert daar rond 06.30 uur en ongeveer een half uur later vertrekt hij weer. Hij rijdt vervolgens naar de Tweemontstraat in Deurne (Antwerpen) en stopt daar omstreeks 07.55 uur. Hij rijdt de oplegger met container [kenmerk 3] naar een aldaar gelegen loods. Enkele uren later rijdt hij daar weg en wordt kort daarna gearresteerd. De Belgische politie doorzoekt daarna eerder genoemde loods, en neemt daar onder andere 750 kilo cocaïne in bananendozen in beslag, die gelijk waren aan de lading in container [kenmerk 3] . Verder werd een doorgeknipt originele containerzegel voorzien van nummer [zegelnummer 3] , behorende bij container [kenmerk 3] , in beslag genomen. De container [kenmerk 3] was bij aantreffen voorzien van een intacte zegel met nummer [zegelnummer 3] .
De Belgische politie treft in de cabine van de vrachtwagen met kentekenplaat [kenteken 4] het hiervoor genoemde huurcontract voor de vrachtwagen en het huurcontract voor een koelwagen bij firma [bedrijf 38] aan. Verder treft de Belgische politie een document aan waaruit blijkt dat [medeverdachte 4] , rijdende voor de firma [bedrijf 6] , de container met nummer [kenmerk 3] die als bestemming [bedrijf 9] , [adres 16] heeft, op 30 maart 2020 om 06.56 uur heeft afgehaald op Kaai 188. Ook worden drie documenten van [bedrijf 36] met de gegevens van de drie containers, [kenmerk 1] , [kenmerk 2] en [kenmerk 3] aangetroffen. Op de documenten staat als afzender/shipper: [bedrijf 37] Guayaquil – Ecuador vermeld. Op het document is bij de gegevens van de container [kenmerk 3] het zegelnummer [zegelnummer 3] genoteerd. De CMR-vrachtbrief van [medeverdachte 4] voor de container [kenmerk 3] wordt ook aangetroffen.
Nadat door de Belgische autoriteiten de partij van 750 kilogram cocaïne in beslag is genomen, zijn daar in totaal achttien monsters van genomen, die later zijn overgedragen aan het onderzoeksteam 26Coalcity. Genoemde monsters zijn vervolgens door het Nederlands Forensisch Instituut onderzocht. Uit dit onderzoek is gebleken dat alle achttien monsters cocaïne, vermeld op lijst 1 van de Opiumwet, bevatten.
[bedrijf 9] (bestemming van de zending)
Uit het bedrijvenregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat [bedrijf 9] in juli 2013 is opgericht met als activiteitenomschrijving: groothandel in groente en fruit, en dat [betrokkene 16] , geboren op [geboortedatum 3] , sinds 25 januari 2019 aandeelhouder en bestuurder is. [betrokkene 16] heeft verklaard dat [bedrijf 9] alleen op zijn naam staat, maar dat hij nog nooit werk voor dat bedrijf heeft uitgevoerd.
In het pand aan het [adres 8] te Den Haag, dat door de verdachte en [medeverdachte 2] als kantoor werd gebruikt, is tijdens de doorzoeking in de nacht van 29 op 30 juli 2020 onder andere een ordner aangetroffen met papieren administratie en inlogcodes die betrekking hebben op [bedrijf 9] . Daarnaast werd er een kopie van het rijbewijs van [betrokkene 16] , geboren op [geboortedatum 3] , aangetroffen. Op een van de USB-sticks die daar ook gevonden is, staat onder andere een aanvraag EORI-nummer (een identificatienummer van de Belastingdienst/Douane ten behoeve van internationale handel) voor de onderneming [bedrijf 9] . Op de USB-stick staan verder de “Bills of Lading” voor verschillende containers met bananen voor [bedrijf 9] . Ook staan op de USB-stick facturen van Durexporta, Guayaquil Ecuador, gericht aan [bedrijf 9] , voor de aankoop van “fresh bananas”. Hierbij worden voor een deel dezelfde containernummers vermeld als waarvan de Bill of Lading is aangetroffen. Ten slotte staat er ook een screenshot op van twee betalingen vanaf de rekening van [bedrijf 9] naar de rekening van containerrederij MSC.
De verdachte heeft in 2019 contant geld gestort op de rekening van [bedrijf 9] Ook spreekt hij in (telefoon)gesprekken over [bedrijf 9] of doet zich voor als vertegenwoordiger van het bedrijf. Op 25 februari 2020 voert de verdachte een telefoongesprek met [bedrijf 43] over het opzetten en vervoeren van containers, waarin hij zich voordoet als [betrokkene 16] van [bedrijf 9] . Verder spreken de verdachte en [medeverdachte 2] met elkaar over [bedrijf 9] . [medeverdachte 2] zegt in een gesprek op 17 april 2020 tegen de verdachte: “Ja, of eh ik haal, of dat we rekening van [bedrijf 9] , daar moet geld af hè?”. De verdachte heeft het dan over pinnen en zegt dat hij niet met zijn eigen kop wil gaan pinnen. [medeverdachte 2] zegt dan: “Nee, jij. Ben je gek man. Dat moeten wij helemaal niet meer doen. Daar ben ik eh, sinds de laatste keer eh, wij moeten niet meer op de werkvloer kome. Wij moeten niet meer geld storte. Wij moeten niet meer.” De verdachte zegt dan onder meer “Eh, dan, dan zegge ze wel van, nou, we hebbe een foto van die stort of opneemt?”(…) “Dan met de tijd erop. Dan heb je al een beeld van hem.” Daarop zegt [medeverdachte 2] “Ja, maar dat is wel verdenking. Dat is wel misschien een aanleiding om die te volgen of in ieder geval te. Dus dat niet meer doen. We gaan niet meer op de werkvloer, want dan geven we maar iemand wat geld om dat te regele. Maar we gaan niet, we gaan niet eh storte. We gaan niet meer. Maar we gaan niet, we gaan niet eh storte. We gaan niet meer.” [medeverdachte 2] zegt ook dat ze niet meer gaan doen wat hij heeft gedaan: “die chauffeur daar aan het ophale bij ze truck. Dat soort dinge allemaal gaan we ook niet meer doen. Wij moeten gewoon uit het zicht blijve.” De verdachte antwoordt dat zij iets daarvoor moeten geven als er wordt gepind waarop [medeverdachte 2] oppert dat zij het kunnen overmaken naar een andere rekening. De verdachte zegt dan als je het geld naar een andere rekening overmaakt er wel wordt gekeken waar het vandaan komt. [medeverdachte 2] zegt dat zij moeten kijken naar de rekeningen waar het op kan. De verdachte vraagt wie er nou iets moest doen. [medeverdachte 2] zegt dat ‘ [bijnaam 10] ’ geld wilde. De verdachte zegt dan: “Ja, maar niet van [bedrijf 9] .” Hij vraagt dan hoe van [bedrijf 9] kan worden doorgestort naar [bedrijf 10] . Hij merkt op dat de [bedrijf 10] -rekening volgens hem dichtgaat. [medeverdachte 2] zegt dan; “Nou, eh het geld moet er wel af. Dat is niet zo een probleem.”
[bedrijf 6] (vervoerder van de zending)
Tijdens de (heimelijke) doorzoeking in de nacht van 29 op 30 juli 2020 in het pand aan het [adres 8] te Den Haag, is administratie met betrekking tot [bedrijf 6] , een ABN Amro bankpas op naam van [bedrijf 6] , een kopie van het rijbewijs van [betrokkene 20] en een kopie Alfa Pass op naam van [betrokkene 20] aangetroffen.
Beoordeling
Niet bewezen kan worden dat het oogmerk van de organisatie ook gericht was op het plegen van valsheid in geschrift.
Het verweer van de verdediging, dat in de kern genomen neerkomt op een andere waardering van de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, is met het voorgaande verworpen.
Criminele organisatie in de periode van 1 maart 2019 tot 29 september 2020 (feit 2)
Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van de bewezen verklaarde drugstransporten van 31 augustus 2019 (feit 5) en 30 maart 2020 (feit 6) is overwogen volgt dat de criminele organisatie in deze periode bestond uit de verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] .
Oogmerk
De wijze van ten laste leggen dwingt het oogmerk van die criminele organisatie nader te specificeren. Uit de bewezenverklaring van de feiten 5, 6 en 7 , en de daarbij betrokken personen, volgt dat het oogmerk van de organisatie gericht was op het plegen van de invoer e.d. van verdovende middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet en witwassen.
Het verweer van de verdediging, dat in de kern genomen neerkomt op een andere waardering van de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, is met het voorgaande verworpen.
7.13
Feit 8 – Wet wapens en munitie
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het voorhanden hebben van een boksbeugel, een pepperspraypistool en een patroon kan worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van dit feit, omdat de verdachte niet wist dat de boksbeugel, het pepperspraypistool en het patroon in de doos zaten die in zijn berging lag. De verdachte heeft deze doos jaren geleden in bewaring gekregen van een vriend die inmiddels is overleden en was van de inhoud van de doos niet op de hoogte.
Oordeel van het hof
Tijdens de doorzoeking op 29 september 2020 in de woning van de verdachte ( [adres 17] ) is in een berging behorend bij de woning een verhuisdoos aangetroffen met daarin een blikken trommel met daarin onder meer een boksbeugel, pepperspraypistool en een patroon. Uit onderzoek is gebleken dat de boksbeugel een wapen is in de zin van artikel 2 lid 1, categorie I onder 3° van de Wet Wapens en Munitie, het pepperspraypistool is een wapen dat bestemd is voor het treffen van personen met een weerloosmakende en/of traanverwekkende stof, in de zin van artikel 2, lid 1, categorie II, onder 6° van de Wet wapens en munitie en de kogelpatroon is een patroon van het kaliber 7,65 br en is munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie.
Voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van wapens en/of munitie in de zin van artikel 13 of artikel 26 WWM is volgens vaste jurisprudentie vereist dat de verdachte zich in meer of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van dat wapen of die munitie. Daarnaast moet de verdachte een zekere beschikkingsmacht over het wapen hebben gehad. De criteria aanwezigheid, machtsrelatie en bewustheid staan doorgaans in een samenhangend verband met elkaar.
In dit geval zijn de wapens en de patroon aangetroffen in een trommel, in een doos in de berging die behoort bij de woning van de verdachte. De verdachte heeft in eerste aanleg daarover geen verklaring afgelegd. Eerst in hoger beroep heeft hij verklaard dat hij wist van de doos in zijn berging, maar stelt niet te hebben geweten wat er in zat omdat de doos met inhoud van een inmiddels overleden vriend is geweest die hem had gevraagd of de doos in zijn woning kon worden bewaard. Dat standpunt acht het hof niet geloofwaardig nu het allereerst al niet aannemelijk is dat de verdachte nimmer in de doos heeft gekeken, ook niet na het overlijden van de vriend, maar bovendien omdat in dezelfde doos ook een foto is aangetroffen waarop de verdachte met een wapen is te zien. Dat ook die foto van de inmiddels overleden vriend van de verdachte was en daarmee de gehele inhoud van de doos enkel aan de overleden vriend toebehoorde is dan ook niet aannemelijk geworden.
Het hof acht het onder feit 8 tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.
8Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 primair eerste alternatief, 4 primair, 5 primair eerste alternatief, 6 primair eerste alternatief, 7 en 8 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2018 tot 1 maart 2019 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie bestond uit verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , en die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in:
artikel 10, vierde en vijfde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen en het afleveren en vervoeren van middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet;
artikel 10a Opiumwet, te weten voorbereidingshandelingen om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen;
artikel 11, vierde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen van middelen als bedoeld in lijst II van de Opiumwet;
artikel 420 bis/ter van het Wetboek van Strafrecht, te weten gewoontewitwassen, dan wel opzettelijk witwassen van voorwerpen, waaronder geldbedragen;
2.
hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2019 tot 29 september 2020 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie bestond uit verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , en die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in:
artikel 10, vierde en vijfde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen en het afleveren en vervoeren van middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet;
artikel 10a Opiumwet, te weten voorbereidingshandelingen om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen;
artikel 420 bis/ter van het Wetboek van Strafrecht, te weten gewoontewitwassen, dan wel opzettelijk witwassen van voorwerpen, waaronder geldbedragen;
3.
primair, eerste alternatief
hij op 26 oktober 2018 via de Westerschelde, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 5.296 kilogram hennep;
4.
primair
hij op 26 december 2018 via de Westerschelde, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 4.322 kilo cocaïne;
5.
primair, eerste alternatief
hij op 2 september 2019 in Bergschenhoek, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en opzettelijk heeft afgeleverd en vervoerd ongeveer 6,58 gram heroïne;
6.
primair, eerste alternatief
hij op 30 maart 2020 via de Westerschelde, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 750 kilo cocaïne;
7.
Inleiding
( ZD 7)
hij op of omstreeks 26 december 2018 te Antwerpen, in elk geval in België, en/of op de Westerschelde, in elke geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (via de Westerschelde) binnen het grondgebied van Nederland en België heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 4.322 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair
één of meer (tot nu toe onbekend gebleven) personen op of omstreeks 26 december 2018 te Antwerpen, in elk geval in België, en/of op de Westerschelde en/of Hoogvliet Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (via de Westerschelde) binnen het grondgebied van Nederland en België heeft/hebben gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, 4.322 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 december 2018 tot en met 26 december 2018 te Leidschendam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door
- namens [bedrijf 2] , [bedrijf 3] te verzoeken om als nieuwe klant te worden aangemaakt teneinde de lading (met daarin voornoemde cocaïne) bestemd voor [bedrijf 1] in ontvangst te kunnen nemen;
- namens [bedrijf 4] onder meer met [bedrijf 3] te bellen en/of te informeren naar de release pin;
- het (laten) verrichten van een spoedbetaling van 1.968 euro op 21 december 2018 aan [bedrijf 3] ;
- het (laten) verrichten van een contante storting op 17 januari 2019 van 6.500 euro op de bankrekening van [bedrijf 2] , gevolgd door een overboeking van 6.413.50 euro aan [bedrijf 3] ;
- het voeren van telefoongesprekken omtrent de Bill of Lading, teneinde die weer vrij te krijgen;
- het voeren van gesprekken met de douane onder een valse naam omdat de zakken met de lading waren opengesneden;
meer subsidiair
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2018 tot en met 26 december 2018 te Bergschenhoek en/of Leidschendam en/of Voorburg en/of Den Haag en/of Rijnsburg en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van 4322 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of
- zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),
immers heeft hij, verdachte, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
- één of meer geldbedragen gestort op de bedrijfsrekening van [bedrijf 2] en/of
- ( (vervolgens) via de bankrekening van [bedrijf 2] een spoedbetaling (laten) verricht(en) van 1.968 euro op 21 december 2018 aan [bedrijf 3] en/of
- namens [bedrijf 2] , [bedrijf 3] verzocht om als nieuwe klant te worden aangemaakt teneinde de lading (met daarin voornoemde cocaïne) bestemd voor [bedrijf 1] in ontvangst te kunnen nemen en/of
- namens [bedrijf 4] onder meer met [bedrijf 3] gebeld en/of geïnformeerd naar de release pin en/of
- contact opgenomen met (een) chauffeur(s) voor het verdere vervoer van de container waarin de (dek)lading en cocaïne zat en/of
- telefoongesprekken gevoerd onder valse naam omtrent de Bill of Lading, teneinde die weer vrij te krijgen en/of
- gesprekken met de douane gevoerd onder een valse naam omdat de zakken met de lading waren opengesneden;
5.
Inleiding
( ZD 9)
hij op of omstreeks 2 september 2019 te Bergschenhoek, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en/of opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 6,58 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
of
[bedrijf 5] en/of [bedrijf 6] op of omstreeks 2 september 2019 te Bergschenhoek, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, natuurlijke personen en/of rechtspersonen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland hebben/heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en/of opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 6,58 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die Wet,
tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en), verdachte, tezamen en in vereniging met een ander/anderen, feitelijk leiding heeft gegeven;
subsidiair
één of meer (tot nu toe onbekend gebleven) personen op of omstreeks 2 september 2019 te Bergschenhoek, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en/of opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 6,58 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 juni 2019 [datum eerste storting op rekening [bedrijf 5] ] tot en met 2 september 2019 te Leidschendam en/of Voorburg en/of Den Haag en/of Rijnsburg en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door
- een chauffeur te regelen voor de container waarin de (dek)lading en heroïne zat;
- één of meer valse containerzegels ter beschikking te stellen voor de container waarin de (dek)lading en heroïne zat;
- één of meer mededaders te voorzien van een (Apple) telefoon met daarop de communicatie applicatie Sky-ecc (PGP-software);
- één of meer rechtspersonen, waaronder [bedrijf 5] en/of [bedrijf 7] ter beschikking te stellen en/of te laten gebruiken t.b.v. de invoer en het vervoer van de container met (dek)lading en heroïne van welke rechtspersonen verdachte en/of zijn medeverdachte(n) de feitelijk bestuurder(s) was/waren;
- één of meer geldbedragen te (laten) storten op een rekening ( [rekeningnummer 1] ) van [bedrijf 5] waarvan vervolgens aan [bedrijf 8] een deel is doorbetaald, zijnde de verscheper van de container met voornoemde heroïne;
6. ( ZD 10)
hij op of omstreeks 30 maart 2020 te Antwerpen, in elk geval in België, en/of op de Westerschelde, in elke geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (via de Westerschelde) binnen het grondgebied van Nederland en België heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 750 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
of
[bedrijf 6] en/of [bedrijf 9] en/of [bedrijf 10] op of omstreeks 30 maart 2020 te Antwerpen, in elk geval in België, en/of op de Westerschelde, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland en België hebben/heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 750 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die Wet,
tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en), verdachte, tezamen en in vereniging met een ander/anderen, feitelijk leiding heeft gegeven;
subsidiair
één of meer tot nu toe onbekend gebleven personen op of omstreeks 30 maart 2020 te Antwerpen, in elk geval in België, en/of op de Westerschelde, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (via de Westerschelde) binnen het grondgebied van Nederland en België heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, 750 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2020 tot en met 30 maart 2020 te Leidschendam en/of Rijswijk en/of Voorburg en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door
- één of meer rechtspersonen, waaronder [bedrijf 6] en/of [bedrijf 9] en/of [bedrijf 10] en de bankrekeningen van deze rechtspersonen ter beschikking te stellen en/of te laten gebruiken t.b.v. de invoer van de container met een (dek)lading bananen en voornoemde cocaïne, van welke rechtspersonen verdachte en/of zijn medeverdachte(n) de feitelijk bestuurder(s) was/waren;
- het regelen van betalingen (via rechtspersonen) ten behoeve van de invoer van de container met een (dek)lading bananen en voornoemde cocaïne;
- een chauffeur te regelen voor het afhalen en het vervoer van de container waarin de (dek)lading en cocaïne zat;
7.
Beoordeling
Op diezelfde dag zegt de verdachte in een telefoongesprek dat hij bezig is met het verhuizen van kantoorspullen naar het kantoor waar hij op dat moment is. Dat nieuwe kantoor is [adres 6] dat tot en met 29 september 2020 werd gehuurd. Ook maken zij tot mei 2020 gebruik van [adres 7] . Ten slotte maken [medeverdachte 2] en de verdachte in de periode mei 2020 tot en met 29 september 2020 gebruik van een kantoor gevestigd aan [adres 8] .
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd dat hij van deze kantoorpanden gebruik heeft gemaakt. Voor het betrekken van het kantoorpand aan de [adres 5] zou hij gebruik hebben gemaakt van het kantoor van ‘iemand’ (wiens naam hij niet wil noemen) aan de [adres 9] .
De bruikleenovereenkomst voor deze panden (met uitzondering van het pand aan de [adres 9] ) stond op naam van [bedrijf 7] . De bemiddelingsvergoeding bedroeg € 250,00 per maand en werd altijd contant voldaan.
In het kantoor aan de [adres 6] is vertrouwelijke communicatie opgenomen (OVC). Het hof gaat ervan uit dat de gesprekken die daar zijn gevoerd en opgenomen vanwege onder meer de stemherkenning kunnen worden toegeschreven aan de gespreksdeelnemers die in de transscripties worden genoemd.
7.6
Doorzoekingen
Op 22 april 2020 heeft een heimelijke inkijk plaatsgevonden in het kantoor [adres 7] . Er is toen gezien dat daar onder meer twee zwartgekleurde printers van het merk Brother en een laserapparaat stonden.
In de nacht van 30 juli 2020 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in het kantoor [adres 8] . Er stond daar een laptop, een laser-graveermachine en twee geldtelmachines. Verder stonden er dozen met daarin blanco containerzegels. In het keukenblok lag boven het systeem plafond een witte enveloppe met daarin een stapel 20 euro biljetten. Dit betreft een stapel met een geschat totaal bedrag van € 10.000,00. Ten slotte werden er ook ordners met (naar het hof begrijpt) bedrijfsadministratie aangetroffen.
Op 29 september 2020 is het kantoor aan [adres 8] wederom doorzocht. De containerzegels en printplaten werden nu ook aangetroffen. Hetzelfde geldt voor de laptop en het lasergraveerapparaat. Beide apparaten waren door middel van diverse kabels met elkaar verbonden. Er lagen diverse containerzegels en printplaten met dezelfde nummers maar met een afwijkende graveerdruk ofwel graveerdikte. Dergelijke containerzegels zijn normaliter van een uniek nummer voorzien maar er lagen drie containerzegels met een zelfde nummer. Er lagen ook witte hard kunststof platen waar diverse nummers met bedrijfsgegevens op gegraveerd stonden.
7.7
Feit 3 – invoer 5.296 kilo hash (zaaksdossier 6)
De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij op 26 oktober 2018, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk (via de Westerschelde) ongeveer 5.296 kilogram hennep binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.
Uit de bewijsmiddelen blijkt het volgende.
Op 24 september 2018 wordt in de haven van Laem Chabang (Thailand) een zeecontainer [containernummer 1] met 20 pallets met ‘cocopeat blocks’ (kokosvezel blokken) op containerschip [schip] geladen. De bestemming is Antwerpen.
Op de Sea Waybill (zeevrachtbrief) die bij de container behoort, staan de gegevens van de consigne (ontvanger) vermeld: [bedrijf 1] , [adres 10] . Als contactpersoon staat [betrokkene 8] vermeld en het telefoonnummer eindigend op * [cijfers] .
De verscheping van de container wordt verzorgd door containerrederij [bedrijf 25] . In de administratie van [bedrijf 25] is de verscheping van deze container bekend onder carrier’s reference nummer [nummer] met daaraan gekoppeld de ‘Bill of Lading (B/L)’ met het nummer [nummer 2] .
Op 25 oktober 2018 om 10.56 uur stort de verdachte bij het ING-filiaal aan de Prins Bernhardlaan 175 in Voorburg € 4.550,00 op rekening * [eindcijfers 1] van [bedrijf 2] . [medeverdachte 3] stort ook bij het zelfde ING-filiaal aan de Prins Bernhardlaan in Voorburg op die dag om 13.32 uur € 6.000,00 op dezelfde rekening.
Diezelfde dag wordt vanaf bankrekening * [eindcijfers 1] van [bedrijf 2] een spoedbetaling van € 1.732,81 aan [bedrijf 25] verricht. Bij de betaling wordt onder meer vermeld: [bedrijf 25] , invoice [nummer 3] , customer: [nummer 4] . In de administratie van [bedrijf 25] is het klantnummer [nummer 4] aan [bedrijf 1] toegekend. De spoedbetaling heeft betrekking op shipment [nummer] – B/L no. [nummer 2] .
Op diezelfde dag om 12.59 uur wordt namens [bedrijf 1] ( [e-mailadres 3] ) een e-mail gestuurd naar [bedrijf 25] ( [e-mailadres 4] ) met in de onderwerpregel de vermelding: “Payment [nummer 3] [bedrijf 1] 001 [nummer 2] ”. Onder de e-mail staat [betrokkene 8] en het telefoonnummer * [cijfers] . In het e-mailbericht staat dat de spoedbetaling als bijlage aan de e-mail is toegevoegd.
Op 26 oktober 2018 arriveert genoemde container, geladen met 20 pallets met ‘cocopeat blocks’, in de haven van Antwerpen. De douane stelt vast dat in 12 van de 20 pallets in totaal ongeveer 5.296 kilogram marihuana aanwezig is. Nadat de verdovende middelen door de Belgische douane uit de container zijn gehaald, is de container terug op de kaai gezet en vrijgegeven, waarna deze door [medeverdachte 4] is opgehaald.
Op 31 oktober 2018 wordt namens [bedrijf 1] een e-mail naar de heer [betrokkene 11] via e-mailadres [e-mailadres 5] gestuurd. Onder deze e-mail staat de naam [betrokkene 8] . Er wordt meegedeeld dat de container [containernummer 1] die dag is opgehaald, ingeklaard en gelost, dat er 14 pallets ontbreken en dat de zegel niet klopt zoals op de BL staat vermeld en er een gele zegel met het nummer: [zegelnummer 1] op zit.
Door de Belgische autoriteiten zijn 10 monsters van de marihuana aan de Nederlandse autoriteiten overhandigd. Op 25 juni 2019 heeft de politie met indicatieve testen een onderzoek naar de monsters ingesteld. Het resultaat hield in dat er een indicatie was dat het om THC ging, zijnde de werkzame stof in hennep en hasjiesj, vermeld op Lijst II van de Opiumwet. Het Nederlands Forensisch Instituut heeft ook onderzoek naar de monsters gedaan en is tot de conclusie gekomen dat de monsters hennep bevatten.
[bedrijf 1]
De container met verdovende middelen was bestemd voor [bedrijf 1] Deze bv is op 11 april 2018 opgericht. Enig aandeelhouder/bestuurder is [betrokkene 8] , geboren op [geboortedatum 1] . [betrokkene 8] heeft verklaard dat hij een studieschuld had en dat hij door [betrokkene 2] was benaderd om samen [bedrijf 1] op te zetten, hij een bankrekening heeft geopend maar verder niets met het bedrijf heeft gedaan en de bankgegevens aan [betrokkene 2] heeft overgedragen. Hij heeft ten slotte verklaard dat hij een katvanger was. In de telefoon die in Griekenland in beslag is genomen onder [betrokkene 2] met telefoonnummer * [eindcijfers 2] zijn onder meer WhatsApp-gesprekken aangetroffen tussen de gebruiker ‘ [betrokkene 2] ’ en het telefoonnummer * [eindcijfers 3] , dat gebruik maakt van de WhatsApp-naam ‘ [bijnaam 7] ’. Gelet op het voorgaande, het gegeven dat de voornaam van [betrokkene 8] ‘ [naam 5] ’ is en de inhoud van de gesprekken, gaat het hof ervan uit dat deze telefoonnummers respectievelijk aan [betrokkene 2] en [betrokkene 8] toebehoren. De verklaring van [betrokkene 8] wordt ondersteund door de gesprekken die in de telefoon van [betrokkene 2] zijn aangetroffen.
Conclusie
Op 19 maart 2020 zijn [medeverdachte 2] (P), [verdachte] (H) en [medeverdachte 4] (K) op de [adres 6] en wordt het volgende besproken:
P: Bergschenhoek, waar in Bergschenhoek.
K: Bij eh [bedrijf 35] daar eigenlijk hè eh. Groot bedrijventerrein. En die gozer die is toen gevlucht, dat heb ik wel meegekregen, die is bij de A12 bij Utrecht is die eh, is van de weg afgehaald en eh, ja, opgepakt en verder, verder niks.
Het hof merkt op dat op het adres [adres 15] in Bergschenhoek [bedrijf 35] is gevestigd. Dit is op hetzelfde industrieterrein als [bedrijf 31] , [adres 14] , alwaar de container [containernummer 2] met de heroïne is afgeleverd. De aanhouding van [betrokkene 21] vond plaats bij een afslag op de A12 nabij Utrecht.
Het gesprek gaat als volgt verder:
P: Is dat eh eh, dat waren eh badjassen, met handdoeken derin.
K: Nou, [naam 11] die hoorde ...
P: Ja, ja.
K: En toen hoorde ik het ook, eh, geen cocaïne, maar heroïne.
H: Ja.
P: De lading was handdoeken of was.
K: Zou zo maar, ja, ja, ja. Towels.
P: Ja, towels.
K: Ja, towels.
De lading betrof handdoeken voor welke bestelling ook een factuur en overschrijvingen zijn aangetroffen in de administratie van [bedrijf 5] , aangetroffen op het [adres 8] . Maar ook in eerdere gesprekken wordt al gerefereerd aan dit transport, in het bijzonder wordt er gesproken over de aanhouding van [betrokkene 22] , [betrokkene 9] , [betrokkene 20] en [betrokkene 21] .
Op 19 februari 2020 hebben [medeverdachte 2] en [betrokkene 25] in de kantoorruimte op de [adres 6] een gesprek over een dossier en een rechtszitting. [medeverdachte 2] zegt onder andere het volgende: “Ik was gister even bij die advocaat van die neger. Even doorgenomen”. En: “Dit is zo’n dossiertje. Ik heb gisteren daar alles doorgenomen.” En: “Nee, hij was gezien met een plastic tasje toch, naar binnenlopen en in die tas zaten stanleymessen en de zegels.”. En “zegel geknipt” en “Die andere gozer die [betrokkene 9] ook, die andere, die met die andere bril”. Het hof leidt uit dit gesprek af dat met ‘die neger’ [betrokkene 20] wordt bedoeld. Hij is samen met [betrokkene 9] aangehouden en is de enige van de vier aangehouden verdachten in onderzoek Astoria met een zwarte huidskleur. [medeverdachte 2] heeft ter terechtzitting in hoger beroep, als getuige, ook verklaard dat met “die neger” [betrokkene 20] bedoeld kan zijn.
Op 13 maart 2020 spreken de verdachte (H) en [medeverdachte 2] (P) elkaar en is ook [betrokkene 16] (RH) aanwezig. In dit gesprek wordt het volgende gezegd:
RH: Een van de, een van de chauffies die heef 8 jaar boven ze hoof?
P: Een van de wat?
RH: Die gechauffeurd heeft, zeg maar? 8 jaar? Eis?
P: Die gechauffeurd heeft?
RH: [naam 12] of [bijnaam 9] , hoe die heet? [naam 12] of [bijnaam 9] of [bijnaam 9] of [naam 12] ? Is 8 jaar tegen geëist? En die gaat in hoger beroep?
P: Ja.
Later die dag om 12.21 uur wordt het volgende gezegd:
RH: Hij staat in verbinding, [naam 13] , met die advocaat, die [bijnaam 9] , die (ntv). Wist je dat?
(…)
P: Die advocaat van die [bijnaam 9] , dat is onze advocaat.
RH: Ja.
P: Die staat op de payroll bij ons.
RH: Ja.
H: Onze advocaat.
P: Hier.
H: Die betale wij. Al die mensen die der al aan vast zitte, dat zijn.
RH: Ja, ja. Dat zijn der meer, die bierbuike.
H: Die advocaat, die betale we.
[medeverdachte 2] heeft in hoger beroep als getuige verklaard dat met [bijnaam 9] , [betrokkene 21] wordt bedoeld.
Tot slot acht het hof het navolgende OVC-gesprek nog relevant.
OVC-gesprek 12 september 2019
Op 12 september 2019 zegt de moeder van [medeverdachte 3] , [betrokkene 26] , tegen [betrokkene 13] , de (toenmalige) partner van de verdachte, in een gesprek waarin het onder andere gaat over [naam 8] (het hof begrijpt: [verdachte] ) en [bijnaam 5] (het hof begrijpt: [medeverdachte 2] ) dat toen het twee weken terug misging, die jongen ‘gewoon alles [heeft] gedaan!’ Zij zegt vervolgens dat [medeverdachte 3] gelijk ingreep en dat hij (het hof begrijpt: [medeverdachte 2] ) daar maar stond met zijn handen in het haar te vloeken en te schelden en helemaal niets deed en toen tegen [medeverdachte 3] zei wat hij moest doen en dat [medeverdachte 3] toen heeft gezegd dat hij dat allang had gedaan. Dit komt overeen met wat [medeverdachte 3] in hoger beroep als getuige heeft verklaard, zoals hierboven reeds weergeven, namelijk dat hij op 2 september 2019 in de ochtenduren het verzoek had gekregen om twee Sky-telefoons op afstand te wissen. Hij merkte later dat er “paniek” was op het kantoor [adres 5] en toen hem daar (opnieuw) werd gevraagd of hij twee Sky-telefoons wilde wissen, hij zei dat al gedaan te hebben. Het hof gaat er dan ook vanuit dat in dit OVC-gesprek gesproken is over het transport van 2 september 2019 en de verdachte en [medeverdachte 2] toen op de [adres 5] aanwezig waren.
Vierde tussenconclusie
Uit de verschillende OVC-gesprekken blijkt dat [medeverdachte 2] en de verdachte met derden spreken over de inbeslagname van de heroïne in Bergschenhoek, welke heroïne deel uit maakte van de grotere partij die in Engeland eind augustus 2019 inbeslaggenomen is en waarvan de deklading handdoeken betrof.
Beoordeling
hij in de periode van 27 maart 2017 tot en met 31 december 2019 in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij en zijn mededader(s) (telkens) voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij wist, dat hierna genoemde voorwerp - onmiddellijk en/of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, te weten: een geldbedrag van (in totaal) 354.470 euro (contant gestort op bankrekeningen van rechtspersonen);
en
hij in de periode van 18 mei 2019 tot en met 31 december 2019 in Nederland zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen immers heeft hij het nagenoemde voorwerp verworven, voorhanden gehad en/of gebruikt, terwijl hij wist dat dit voorwerp - onmiddellijk en/of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, te weten: een voertuig, te weten een BMW type 5ER Reihe;
8.
hij op 29 september 2020 te Voorburg voorhanden heeft gehad:
een wapen (te weten een boksbeugel) in de zin van artikel 2 lid 1, categorie I onder 3 van de Wet wapens en munitie;
een wapen (te weten een pepper spray pistool) in de zin van artikel 2 lid 1, categorie II onder 6 van de Wet wapens en munitie;
munitie (te weten een patroon) in de zin van artikel 2 lid 2, categorie II of III van de Wet wapens en munitie.
Hetgeen onder 1, 2, 3 primair (eerste alternatief), 4 primair, 5 primair (eerste alternatief), 6 primair (eerste alternatief), 7 en 8 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
9Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 3 primair (eerste alternatief), 4 primair, 5 primair (eerste alternatief), 6 primair (eerste alternatief), 7 en 8 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, artikel 10a, eerste lid en artikel 11, derde lid van de Opiumwet.
en
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a van de Opiumwet.
en
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Het onder 3 primair, eerste alternatief, 4 primair, 5 primair, eerste alternatief en 6 primair, eerste alternatief bewezenverklaarde levert telkens op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 7 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van gewoontewitwassen
en
witwassen.
Het onder 8 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
10Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 2, 3 primair (eerste alternatief), 4 primair, 5 primair (eerste alternatief), 6 primair (eerste alternatief), 7 en 8 bewezenverklaarde uitsluit.
11Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 3 primair (eerste alternatief), 4 primair, 5 primair (eerste alternatief), 6 primair (eerste alternatief), 7 en 8 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaar met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor deze feiten, rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaar en 6 maanden met aftrek van voorarrest.
De verdediging heeft aangevoerd dat bij een bewezenverklaring van feit 1 en 2, de rol van de verdachte slechts aan te merken is als die van een loopjongen. Verder heeft de verdediging verzocht in strafmatigende zin rekening te houden met de eerdere Belgische veroordeling van de verdachte, de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke situatie van de verdachte.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft deelgenomen aan twee criminele (drugs)organisaties. Het doel van de organisaties was onder andere de invoer van cocaïne en heroïne naar Nederland. Daarbij werd onder meer gebruik gemaakt van een complexe structuur van bedrijven waarbij van een reguliere bedrijfsvoering geen sprake was en waarvan door de organisatie ingeschakelde katvangers de formele bestuurders waren. Op geraffineerde wijze werd zo getracht buiten het zicht te blijven. De rol van de verdachte binnen die organisaties was geenszins die van een loopjongen. Uit het dossier blijkt dat hij een regelende rol had, zo organiseerde hij de katvangers, maar stortte ook grote sommen contant geld op rekeningen van bedrijven.
Het deelnemen aan een criminele organisatie is een delict dat de openbare orde raakt. De strafwaardigheid van deelneming aan een criminele organisatie wordt niet alleen bepaald door de organisatiegraad en het ontwrichtende karakter daarvan voor de openbare orde, maar ook door de misdrijven die worden beoogd. Internationale drugstransporten worden als ernstige misdrijven gezien.
De verdachte heeft zich daarnaast tezamen met anderen schuldig gemaakt aan vier internationale drugstransporten. Daarbij gaat het steeds om zeer grote hoeveelheden: 5.296 kilogram hennep, 4.322 kilogram cocaïne en 750 kilogram cocaïne. Ten aanzien van feit 5 gaat het hof in het kader van de straftoemeting uit van een hoeveelheid van 1.279 kilogram heroïne, zijnde de oorspronkelijke inhoud van de container.
Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Het gebruik van en de georganiseerde (internationale) handel in drugs leidt bovendien direct en indirect tot vele andere vormen van criminaliteit en vormt aldus een bron van overlast voor de samenleving. De verdachte heeft met zijn handelen kennelijk alleen oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en zich niets aangetrokken van de maatschappelijke gevolgen. Dit acht het hof zeer kwalijk.
Daar komt bij dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van (gewoonte)witwassen en heeft daarmee opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie onttrokken. Witwassen houdt verband met de onderliggende criminaliteit en tast de legale economie aan. Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het overtreden van de Wet wapens en munitie door het voorhanden hebben van een boksbeugel, pepperspraypistool en een patroon. Dat feit heeft het hof echter, vanwege de relatief geringe ernst ten opzichte van de overige feiten, niet betrokken bij de straftoemeting.
Inleiding
( ZD 9)
hij op of omstreeks 2 september 2019 te Bergschenhoek, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en/of opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 6,58 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
of
[bedrijf 5] en/of [bedrijf 6] op of omstreeks 2 september 2019 te Bergschenhoek, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, natuurlijke personen en/of rechtspersonen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland hebben/heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en/of opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 6,58 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die Wet,
tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en), verdachte, tezamen en in vereniging met een ander/anderen, feitelijk leiding heeft gegeven;
subsidiair
één of meer (tot nu toe onbekend gebleven) personen op of omstreeks 2 september 2019 te Bergschenhoek, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en/of opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 6,58 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 juni 2019 [datum eerste storting op rekening [bedrijf 5] ] tot en met 2 september 2019 te Leidschendam en/of Voorburg en/of Den Haag en/of Rijnsburg en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door
- een chauffeur te regelen voor de container waarin de (dek)lading en heroïne zat;
- één of meer valse containerzegels ter beschikking te stellen voor de container waarin de (dek)lading en heroïne zat;
- één of meer mededaders te voorzien van een (Apple) telefoon met daarop de communicatie applicatie Sky-ecc (PGP-software);
- één of meer rechtspersonen, waaronder [bedrijf 5] en/of [bedrijf 7] ter beschikking te stellen en/of te laten gebruiken t.b.v. de invoer en het vervoer van de container met (dek)lading en heroïne van welke rechtspersonen verdachte en/of zijn medeverdachte(n) de feitelijk bestuurder(s) was/waren;
- één of meer geldbedragen te (laten) storten op een rekening ( [rekeningnummer 1] ) van [bedrijf 5] waarvan vervolgens aan [bedrijf 8] een deel is doorbetaald, zijnde de verscheper van de container met voornoemde heroïne;
6. ( ZD 10)
hij op of omstreeks 30 maart 2020 te Antwerpen, in elk geval in België, en/of op de Westerschelde, in elke geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (via de Westerschelde) binnen het grondgebied van Nederland en België heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 750 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
of
[bedrijf 6] en/of [bedrijf 9] en/of [bedrijf 10] op of omstreeks 30 maart 2020 te Antwerpen, in elk geval in België, en/of op de Westerschelde, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland en België hebben/heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 750 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die Wet,
tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en), verdachte, tezamen en in vereniging met een ander/anderen, feitelijk leiding heeft gegeven;
subsidiair
één of meer tot nu toe onbekend gebleven personen op of omstreeks 30 maart 2020 te Antwerpen, in elk geval in België, en/of op de Westerschelde, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (via de Westerschelde) binnen het grondgebied van Nederland en België heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, 750 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2020 tot en met 30 maart 2020 te Leidschendam en/of Rijswijk en/of Voorburg en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door
- één of meer rechtspersonen, waaronder [bedrijf 6] en/of [bedrijf 9] en/of [bedrijf 10] en de bankrekeningen van deze rechtspersonen ter beschikking te stellen en/of te laten gebruiken t.b.v. de invoer van de container met een (dek)lading bananen en voornoemde cocaïne, van welke rechtspersonen verdachte en/of zijn medeverdachte(n) de feitelijk bestuurder(s) was/waren;
- het regelen van betalingen (via rechtspersonen) ten behoeve van de invoer van de container met een (dek)lading bananen en voornoemde cocaïne;
- een chauffeur te regelen voor het afhalen en het vervoer van de container waarin de (dek)lading en cocaïne zat;
7.
Beoordeling
Op diezelfde dag zegt de verdachte in een telefoongesprek dat hij bezig is met het verhuizen van kantoorspullen naar het kantoor waar hij op dat moment is. Dat nieuwe kantoor is [adres 6] dat tot en met 29 september 2020 werd gehuurd. Ook maken zij tot mei 2020 gebruik van [adres 7] . Ten slotte maken [medeverdachte 2] en de verdachte in de periode mei 2020 tot en met 29 september 2020 gebruik van een kantoor gevestigd aan [adres 8] .
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd dat hij van deze kantoorpanden gebruik heeft gemaakt. Voor het betrekken van het kantoorpand aan de [adres 5] zou hij gebruik hebben gemaakt van het kantoor van ‘iemand’ (wiens naam hij niet wil noemen) aan de [adres 9] .
De bruikleenovereenkomst voor deze panden (met uitzondering van het pand aan de [adres 9] ) stond op naam van [bedrijf 7] . De bemiddelingsvergoeding bedroeg € 250,00 per maand en werd altijd contant voldaan.
In het kantoor aan de [adres 6] is vertrouwelijke communicatie opgenomen (OVC). Het hof gaat ervan uit dat de gesprekken die daar zijn gevoerd en opgenomen vanwege onder meer de stemherkenning kunnen worden toegeschreven aan de gespreksdeelnemers die in de transscripties worden genoemd.
7.6
Doorzoekingen
Op 22 april 2020 heeft een heimelijke inkijk plaatsgevonden in het kantoor [adres 7] . Er is toen gezien dat daar onder meer twee zwartgekleurde printers van het merk Brother en een laserapparaat stonden.
In de nacht van 30 juli 2020 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in het kantoor [adres 8] . Er stond daar een laptop, een laser-graveermachine en twee geldtelmachines. Verder stonden er dozen met daarin blanco containerzegels. In het keukenblok lag boven het systeem plafond een witte enveloppe met daarin een stapel 20 euro biljetten. Dit betreft een stapel met een geschat totaal bedrag van € 10.000,00. Ten slotte werden er ook ordners met (naar het hof begrijpt) bedrijfsadministratie aangetroffen.
Op 29 september 2020 is het kantoor aan [adres 8] wederom doorzocht. De containerzegels en printplaten werden nu ook aangetroffen. Hetzelfde geldt voor de laptop en het lasergraveerapparaat. Beide apparaten waren door middel van diverse kabels met elkaar verbonden. Er lagen diverse containerzegels en printplaten met dezelfde nummers maar met een afwijkende graveerdruk ofwel graveerdikte. Dergelijke containerzegels zijn normaliter van een uniek nummer voorzien maar er lagen drie containerzegels met een zelfde nummer. Er lagen ook witte hard kunststof platen waar diverse nummers met bedrijfsgegevens op gegraveerd stonden.
7.7
Feit 3 – invoer 5.296 kilo hash (zaaksdossier 6)
De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij op 26 oktober 2018, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk (via de Westerschelde) ongeveer 5.296 kilogram hennep binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.
Uit de bewijsmiddelen blijkt het volgende.
Op 24 september 2018 wordt in de haven van Laem Chabang (Thailand) een zeecontainer [containernummer 1] met 20 pallets met ‘cocopeat blocks’ (kokosvezel blokken) op containerschip [schip] geladen. De bestemming is Antwerpen.
Op de Sea Waybill (zeevrachtbrief) die bij de container behoort, staan de gegevens van de consigne (ontvanger) vermeld: [bedrijf 1] , [adres 10] . Als contactpersoon staat [betrokkene 8] vermeld en het telefoonnummer eindigend op * [cijfers] .
De verscheping van de container wordt verzorgd door containerrederij [bedrijf 25] . In de administratie van [bedrijf 25] is de verscheping van deze container bekend onder carrier’s reference nummer [nummer] met daaraan gekoppeld de ‘Bill of Lading (B/L)’ met het nummer [nummer 2] .
Op 25 oktober 2018 om 10.56 uur stort de verdachte bij het ING-filiaal aan de Prins Bernhardlaan 175 in Voorburg € 4.550,00 op rekening * [eindcijfers 1] van [bedrijf 2] . [medeverdachte 3] stort ook bij het zelfde ING-filiaal aan de Prins Bernhardlaan in Voorburg op die dag om 13.32 uur € 6.000,00 op dezelfde rekening.
Diezelfde dag wordt vanaf bankrekening * [eindcijfers 1] van [bedrijf 2] een spoedbetaling van € 1.732,81 aan [bedrijf 25] verricht. Bij de betaling wordt onder meer vermeld: [bedrijf 25] , invoice [nummer 3] , customer: [nummer 4] . In de administratie van [bedrijf 25] is het klantnummer [nummer 4] aan [bedrijf 1] toegekend. De spoedbetaling heeft betrekking op shipment [nummer] – B/L no. [nummer 2] .
Op diezelfde dag om 12.59 uur wordt namens [bedrijf 1] ( [e-mailadres 3] ) een e-mail gestuurd naar [bedrijf 25] ( [e-mailadres 4] ) met in de onderwerpregel de vermelding: “Payment [nummer 3] [bedrijf 1] 001 [nummer 2] ”. Onder de e-mail staat [betrokkene 8] en het telefoonnummer * [cijfers] . In het e-mailbericht staat dat de spoedbetaling als bijlage aan de e-mail is toegevoegd.
Op 26 oktober 2018 arriveert genoemde container, geladen met 20 pallets met ‘cocopeat blocks’, in de haven van Antwerpen. De douane stelt vast dat in 12 van de 20 pallets in totaal ongeveer 5.296 kilogram marihuana aanwezig is. Nadat de verdovende middelen door de Belgische douane uit de container zijn gehaald, is de container terug op de kaai gezet en vrijgegeven, waarna deze door [medeverdachte 4] is opgehaald.
Op 31 oktober 2018 wordt namens [bedrijf 1] een e-mail naar de heer [betrokkene 11] via e-mailadres [e-mailadres 5] gestuurd. Onder deze e-mail staat de naam [betrokkene 8] . Er wordt meegedeeld dat de container [containernummer 1] die dag is opgehaald, ingeklaard en gelost, dat er 14 pallets ontbreken en dat de zegel niet klopt zoals op de BL staat vermeld en er een gele zegel met het nummer: [zegelnummer 1] op zit.
Door de Belgische autoriteiten zijn 10 monsters van de marihuana aan de Nederlandse autoriteiten overhandigd. Op 25 juni 2019 heeft de politie met indicatieve testen een onderzoek naar de monsters ingesteld. Het resultaat hield in dat er een indicatie was dat het om THC ging, zijnde de werkzame stof in hennep en hasjiesj, vermeld op Lijst II van de Opiumwet. Het Nederlands Forensisch Instituut heeft ook onderzoek naar de monsters gedaan en is tot de conclusie gekomen dat de monsters hennep bevatten.
[bedrijf 1]
De container met verdovende middelen was bestemd voor [bedrijf 1] Deze bv is op 11 april 2018 opgericht. Enig aandeelhouder/bestuurder is [betrokkene 8] , geboren op [geboortedatum 1] . [betrokkene 8] heeft verklaard dat hij een studieschuld had en dat hij door [betrokkene 2] was benaderd om samen [bedrijf 1] op te zetten, hij een bankrekening heeft geopend maar verder niets met het bedrijf heeft gedaan en de bankgegevens aan [betrokkene 2] heeft overgedragen. Hij heeft ten slotte verklaard dat hij een katvanger was. In de telefoon die in Griekenland in beslag is genomen onder [betrokkene 2] met telefoonnummer * [eindcijfers 2] zijn onder meer WhatsApp-gesprekken aangetroffen tussen de gebruiker ‘ [betrokkene 2] ’ en het telefoonnummer * [eindcijfers 3] , dat gebruik maakt van de WhatsApp-naam ‘ [bijnaam 7] ’. Gelet op het voorgaande, het gegeven dat de voornaam van [betrokkene 8] ‘ [naam 5] ’ is en de inhoud van de gesprekken, gaat het hof ervan uit dat deze telefoonnummers respectievelijk aan [betrokkene 2] en [betrokkene 8] toebehoren. De verklaring van [betrokkene 8] wordt ondersteund door de gesprekken die in de telefoon van [betrokkene 2] zijn aangetroffen.
Conclusie
Op 19 maart 2020 zijn [medeverdachte 2] (P), [verdachte] (H) en [medeverdachte 4] (K) op de [adres 6] en wordt het volgende besproken:
P: Bergschenhoek, waar in Bergschenhoek.
K: Bij eh [bedrijf 35] daar eigenlijk hè eh. Groot bedrijventerrein. En die gozer die is toen gevlucht, dat heb ik wel meegekregen, die is bij de A12 bij Utrecht is die eh, is van de weg afgehaald en eh, ja, opgepakt en verder, verder niks.
Het hof merkt op dat op het adres [adres 15] in Bergschenhoek [bedrijf 35] is gevestigd. Dit is op hetzelfde industrieterrein als [bedrijf 31] , [adres 14] , alwaar de container [containernummer 2] met de heroïne is afgeleverd. De aanhouding van [betrokkene 21] vond plaats bij een afslag op de A12 nabij Utrecht.
Het gesprek gaat als volgt verder:
P: Is dat eh eh, dat waren eh badjassen, met handdoeken derin.
K: Nou, [naam 11] die hoorde ...
P: Ja, ja.
K: En toen hoorde ik het ook, eh, geen cocaïne, maar heroïne.
H: Ja.
P: De lading was handdoeken of was.
K: Zou zo maar, ja, ja, ja. Towels.
P: Ja, towels.
K: Ja, towels.
De lading betrof handdoeken voor welke bestelling ook een factuur en overschrijvingen zijn aangetroffen in de administratie van [bedrijf 5] , aangetroffen op het [adres 8] . Maar ook in eerdere gesprekken wordt al gerefereerd aan dit transport, in het bijzonder wordt er gesproken over de aanhouding van [betrokkene 22] , [betrokkene 9] , [betrokkene 20] en [betrokkene 21] .
Op 19 februari 2020 hebben [medeverdachte 2] en [betrokkene 25] in de kantoorruimte op de [adres 6] een gesprek over een dossier en een rechtszitting. [medeverdachte 2] zegt onder andere het volgende: “Ik was gister even bij die advocaat van die neger. Even doorgenomen”. En: “Dit is zo’n dossiertje. Ik heb gisteren daar alles doorgenomen.” En: “Nee, hij was gezien met een plastic tasje toch, naar binnenlopen en in die tas zaten stanleymessen en de zegels.”. En “zegel geknipt” en “Die andere gozer die [betrokkene 9] ook, die andere, die met die andere bril”. Het hof leidt uit dit gesprek af dat met ‘die neger’ [betrokkene 20] wordt bedoeld. Hij is samen met [betrokkene 9] aangehouden en is de enige van de vier aangehouden verdachten in onderzoek Astoria met een zwarte huidskleur. [medeverdachte 2] heeft ter terechtzitting in hoger beroep, als getuige, ook verklaard dat met “die neger” [betrokkene 20] bedoeld kan zijn.
Op 13 maart 2020 spreken de verdachte (H) en [medeverdachte 2] (P) elkaar en is ook [betrokkene 16] (RH) aanwezig. In dit gesprek wordt het volgende gezegd:
RH: Een van de, een van de chauffies die heef 8 jaar boven ze hoof?
P: Een van de wat?
RH: Die gechauffeurd heeft, zeg maar? 8 jaar? Eis?
P: Die gechauffeurd heeft?
RH: [naam 12] of [bijnaam 9] , hoe die heet? [naam 12] of [bijnaam 9] of [bijnaam 9] of [naam 12] ? Is 8 jaar tegen geëist? En die gaat in hoger beroep?
P: Ja.
Later die dag om 12.21 uur wordt het volgende gezegd:
RH: Hij staat in verbinding, [naam 13] , met die advocaat, die [bijnaam 9] , die (ntv). Wist je dat?
(…)
P: Die advocaat van die [bijnaam 9] , dat is onze advocaat.
RH: Ja.
P: Die staat op de payroll bij ons.
RH: Ja.
H: Onze advocaat.
P: Hier.
H: Die betale wij. Al die mensen die der al aan vast zitte, dat zijn.
RH: Ja, ja. Dat zijn der meer, die bierbuike.
H: Die advocaat, die betale we.
[medeverdachte 2] heeft in hoger beroep als getuige verklaard dat met [bijnaam 9] , [betrokkene 21] wordt bedoeld.
Tot slot acht het hof het navolgende OVC-gesprek nog relevant.
OVC-gesprek 12 september 2019
Op 12 september 2019 zegt de moeder van [medeverdachte 3] , [betrokkene 26] , tegen [betrokkene 13] , de (toenmalige) partner van de verdachte, in een gesprek waarin het onder andere gaat over [naam 8] (het hof begrijpt: [verdachte] ) en [bijnaam 5] (het hof begrijpt: [medeverdachte 2] ) dat toen het twee weken terug misging, die jongen ‘gewoon alles [heeft] gedaan!’ Zij zegt vervolgens dat [medeverdachte 3] gelijk ingreep en dat hij (het hof begrijpt: [medeverdachte 2] ) daar maar stond met zijn handen in het haar te vloeken en te schelden en helemaal niets deed en toen tegen [medeverdachte 3] zei wat hij moest doen en dat [medeverdachte 3] toen heeft gezegd dat hij dat allang had gedaan. Dit komt overeen met wat [medeverdachte 3] in hoger beroep als getuige heeft verklaard, zoals hierboven reeds weergeven, namelijk dat hij op 2 september 2019 in de ochtenduren het verzoek had gekregen om twee Sky-telefoons op afstand te wissen. Hij merkte later dat er “paniek” was op het kantoor [adres 5] en toen hem daar (opnieuw) werd gevraagd of hij twee Sky-telefoons wilde wissen, hij zei dat al gedaan te hebben. Het hof gaat er dan ook vanuit dat in dit OVC-gesprek gesproken is over het transport van 2 september 2019 en de verdachte en [medeverdachte 2] toen op de [adres 5] aanwezig waren.
Vierde tussenconclusie
Uit de verschillende OVC-gesprekken blijkt dat [medeverdachte 2] en de verdachte met derden spreken over de inbeslagname van de heroïne in Bergschenhoek, welke heroïne deel uit maakte van de grotere partij die in Engeland eind augustus 2019 inbeslaggenomen is en waarvan de deklading handdoeken betrof.
Beoordeling
hij in de periode van 27 maart 2017 tot en met 31 december 2019 in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij en zijn mededader(s) (telkens) voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij wist, dat hierna genoemde voorwerp - onmiddellijk en/of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, te weten: een geldbedrag van (in totaal) 354.470 euro (contant gestort op bankrekeningen van rechtspersonen);
en
hij in de periode van 18 mei 2019 tot en met 31 december 2019 in Nederland zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen immers heeft hij het nagenoemde voorwerp verworven, voorhanden gehad en/of gebruikt, terwijl hij wist dat dit voorwerp - onmiddellijk en/of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, te weten: een voertuig, te weten een BMW type 5ER Reihe;
8.
hij op 29 september 2020 te Voorburg voorhanden heeft gehad:
een wapen (te weten een boksbeugel) in de zin van artikel 2 lid 1, categorie I onder 3 van de Wet wapens en munitie;
een wapen (te weten een pepper spray pistool) in de zin van artikel 2 lid 1, categorie II onder 6 van de Wet wapens en munitie;
munitie (te weten een patroon) in de zin van artikel 2 lid 2, categorie II of III van de Wet wapens en munitie.
Hetgeen onder 1, 2, 3 primair (eerste alternatief), 4 primair, 5 primair (eerste alternatief), 6 primair (eerste alternatief), 7 en 8 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
9Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 3 primair (eerste alternatief), 4 primair, 5 primair (eerste alternatief), 6 primair (eerste alternatief), 7 en 8 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, artikel 10a, eerste lid en artikel 11, derde lid van de Opiumwet.
en
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a van de Opiumwet.
en
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Het onder 3 primair, eerste alternatief, 4 primair, 5 primair, eerste alternatief en 6 primair, eerste alternatief bewezenverklaarde levert telkens op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 7 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van gewoontewitwassen
en
witwassen.
Het onder 8 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
10Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 2, 3 primair (eerste alternatief), 4 primair, 5 primair (eerste alternatief), 6 primair (eerste alternatief), 7 en 8 bewezenverklaarde uitsluit.
11Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 3 primair (eerste alternatief), 4 primair, 5 primair (eerste alternatief), 6 primair (eerste alternatief), 7 en 8 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaar met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor deze feiten, rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaar en 6 maanden met aftrek van voorarrest.
De verdediging heeft aangevoerd dat bij een bewezenverklaring van feit 1 en 2, de rol van de verdachte slechts aan te merken is als die van een loopjongen. Verder heeft de verdediging verzocht in strafmatigende zin rekening te houden met de eerdere Belgische veroordeling van de verdachte, de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke situatie van de verdachte.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft deelgenomen aan twee criminele (drugs)organisaties. Het doel van de organisaties was onder andere de invoer van cocaïne en heroïne naar Nederland. Daarbij werd onder meer gebruik gemaakt van een complexe structuur van bedrijven waarbij van een reguliere bedrijfsvoering geen sprake was en waarvan door de organisatie ingeschakelde katvangers de formele bestuurders waren. Op geraffineerde wijze werd zo getracht buiten het zicht te blijven. De rol van de verdachte binnen die organisaties was geenszins die van een loopjongen. Uit het dossier blijkt dat hij een regelende rol had, zo organiseerde hij de katvangers, maar stortte ook grote sommen contant geld op rekeningen van bedrijven.
Het deelnemen aan een criminele organisatie is een delict dat de openbare orde raakt. De strafwaardigheid van deelneming aan een criminele organisatie wordt niet alleen bepaald door de organisatiegraad en het ontwrichtende karakter daarvan voor de openbare orde, maar ook door de misdrijven die worden beoogd. Internationale drugstransporten worden als ernstige misdrijven gezien.
De verdachte heeft zich daarnaast tezamen met anderen schuldig gemaakt aan vier internationale drugstransporten. Daarbij gaat het steeds om zeer grote hoeveelheden: 5.296 kilogram hennep, 4.322 kilogram cocaïne en 750 kilogram cocaïne. Ten aanzien van feit 5 gaat het hof in het kader van de straftoemeting uit van een hoeveelheid van 1.279 kilogram heroïne, zijnde de oorspronkelijke inhoud van de container.
Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Het gebruik van en de georganiseerde (internationale) handel in drugs leidt bovendien direct en indirect tot vele andere vormen van criminaliteit en vormt aldus een bron van overlast voor de samenleving. De verdachte heeft met zijn handelen kennelijk alleen oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en zich niets aangetrokken van de maatschappelijke gevolgen. Dit acht het hof zeer kwalijk.
Daar komt bij dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van (gewoonte)witwassen en heeft daarmee opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie onttrokken. Witwassen houdt verband met de onderliggende criminaliteit en tast de legale economie aan. Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het overtreden van de Wet wapens en munitie door het voorhanden hebben van een boksbeugel, pepperspraypistool en een patroon. Dat feit heeft het hof echter, vanwege de relatief geringe ernst ten opzichte van de overige feiten, niet betrokken bij de straftoemeting.
Inleiding
( ZD 9)
hij op of omstreeks 2 september 2019 te Bergschenhoek, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en/of opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 6,58 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
of
[bedrijf 5] en/of [bedrijf 6] op of omstreeks 2 september 2019 te Bergschenhoek, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, natuurlijke personen en/of rechtspersonen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland hebben/heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en/of opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 6,58 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die Wet,
tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en), verdachte, tezamen en in vereniging met een ander/anderen, feitelijk leiding heeft gegeven;
subsidiair
één of meer (tot nu toe onbekend gebleven) personen op of omstreeks 2 september 2019 te Bergschenhoek, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en/of opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 6,58 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 juni 2019 [datum eerste storting op rekening [bedrijf 5] ] tot en met 2 september 2019 te Leidschendam en/of Voorburg en/of Den Haag en/of Rijnsburg en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door
- een chauffeur te regelen voor de container waarin de (dek)lading en heroïne zat;
- één of meer valse containerzegels ter beschikking te stellen voor de container waarin de (dek)lading en heroïne zat;
- één of meer mededaders te voorzien van een (Apple) telefoon met daarop de communicatie applicatie Sky-ecc (PGP-software);
- één of meer rechtspersonen, waaronder [bedrijf 5] en/of [bedrijf 7] ter beschikking te stellen en/of te laten gebruiken t.b.v. de invoer en het vervoer van de container met (dek)lading en heroïne van welke rechtspersonen verdachte en/of zijn medeverdachte(n) de feitelijk bestuurder(s) was/waren;
- één of meer geldbedragen te (laten) storten op een rekening ( [rekeningnummer 1] ) van [bedrijf 5] waarvan vervolgens aan [bedrijf 8] een deel is doorbetaald, zijnde de verscheper van de container met voornoemde heroïne;
6. ( ZD 10)
hij op of omstreeks 30 maart 2020 te Antwerpen, in elk geval in België, en/of op de Westerschelde, in elke geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (via de Westerschelde) binnen het grondgebied van Nederland en België heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 750 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
of
[bedrijf 6] en/of [bedrijf 9] en/of [bedrijf 10] op of omstreeks 30 maart 2020 te Antwerpen, in elk geval in België, en/of op de Westerschelde, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland en België hebben/heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 750 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die Wet,
tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en), verdachte, tezamen en in vereniging met een ander/anderen, feitelijk leiding heeft gegeven;
subsidiair
één of meer tot nu toe onbekend gebleven personen op of omstreeks 30 maart 2020 te Antwerpen, in elk geval in België, en/of op de Westerschelde, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (via de Westerschelde) binnen het grondgebied van Nederland en België heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, 750 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2020 tot en met 30 maart 2020 te Leidschendam en/of Rijswijk en/of Voorburg en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door
- één of meer rechtspersonen, waaronder [bedrijf 6] en/of [bedrijf 9] en/of [bedrijf 10] en de bankrekeningen van deze rechtspersonen ter beschikking te stellen en/of te laten gebruiken t.b.v. de invoer van de container met een (dek)lading bananen en voornoemde cocaïne, van welke rechtspersonen verdachte en/of zijn medeverdachte(n) de feitelijk bestuurder(s) was/waren;
- het regelen van betalingen (via rechtspersonen) ten behoeve van de invoer van de container met een (dek)lading bananen en voornoemde cocaïne;
- een chauffeur te regelen voor het afhalen en het vervoer van de container waarin de (dek)lading en cocaïne zat;
7.
Inleiding
( ZD 1)
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2019 te Leidschendam en/of Den Haag, in elk geval Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans aan schuldwitwassen, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) (telkens), van een of meer (hierna genoemde) voorwerpen de werkelijke aard, herkomst, vindplaats, vervreemding of verplaatsing verborgen en/of verhuld, dan wel verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende van dat/die voorwerp(en) was, en/of (telkens) verworven, voorhanden gehad, overgedragen, omgezet en/of gebruikt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat hierna genoemde voorwerp(en) - onmiddellijk en/of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, te weten:
- een geldbedrag van (in totaal) 354.470 euro (contant gestort op bankrekeningen van rechtspersonen);
- vier voertuigen, te weten een Mercedes Benz C 220, BMW type 5ER Reihe, BMW 530D X Drive en een BMW 118I);
8. ( ZD 13)
hij op of omstreeks 29 september 2020 te Voorburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen voorhanden heeft gehad:
- een wapen (te weten een boksbeugel) in de zin van artikel 2 lid 1, categorie I onder 3 van de Wet wapens en munitie;
- een wapen (te weten een pepper spray pistool) in de zin van artikel 2 lid 1, categorie II onder 6 van de Wet wapens en munitie;
- munitie (te weten een patroon) in de zin van artikel 2 lid 2, categorie II of III van de Wet wapens en munitie.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
3Vernietiging vonnis
Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht zal worden vernietigd, omdat het hof tot een iets andere bewezenverklaring komt. Het hof heeft de motivering van zijn beslissingen grotendeels ontleend aan de motivering van de rechtbank, zij het dat die motivering op enkele onderdelen is aangepast, mede naar aanleiding van in hoger beroep gevoerde verweren.
4Inleiding
Op 22 oktober 2018 heeft ING Bank aangifte gedaan van witwassen. ING heeft geconstateerd dat in een korte periode op vijf rekeningen veel contant geld werd gestort, waarna er betalingen werden gedaan naar buitenlandse bankrekeningen. Naar aanleiding van deze aangifte is de politie een onderzoek gestart. Hieruit is naar voren gekomen dat de bedrijven waaraan de rekeningen toebehoorden, werden gebruikt voor transporten van verdovende middelen dan wel anderszins daarmee in verband kunnen worden gebracht.
In dit onderzoek, dat de naam ‘Coalcity’ heeft gekregen, zijn naast de verdachte verschillende medeverdachten naar voren gekomen, waaronder [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ), [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ), [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ) en [medeverdachte 1] . Het Openbaar Ministerie beschuldigt de verdachte en zijn medeverdachten ervan dat zij in twee verschillende periodes een criminele (drugs)organisatie vormden. De verdachte wordt verder verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het met anderen invoeren van verdovende middelen. Alle genoemde verdachten zijn door de rechtbank veroordeeld. In hoger beroep zijn alleen nog de zaken tegen de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] aan de orde.
Voor de leesbaarheid worden de medeverdachten met hun achternaam aangeduid.
5Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich aan de hand van een uitgebreid schriftelijk requisitoir op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen, met uitzondering van de volgende onderdelen:
- feit 2, derde gedachtestreepje (invoer van softdrugs);
- feit 1 en feit 2, vijfde gedachtestreepje (valsheid in geschrifte);
- feit 7, tweede gedachtestreepje: Mercedes Benz C220, BMW D XDrive en BMW 118I.
6Standpunt van de verdediging ten aanzien van de feiten 3, 4, 5 en 6
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de feiten 3, 4, 5 en 6 is toegegeven dat het dossier voldoende aanknopingspunten bevat die de conclusie rechtvaardigen dat de verdachte handelingen heeft verricht die mede hebben bijgedragen aan de invoer van ladingen drugs. Er is volgens de verdediging echter geen bewijs dat de verdachte opzet had op de deelneming aan een strafbaar feit en evenmin had hij opzet op de ten laste gelegde gronddelicten. Subsidiair is aangevoerd dat hooguit medeplichtigheid kan worden bewezen.
Beoordeling
Hieruit komt naar voren dat [betrokkene 8] tegen betaling van € 500,00 (op papier) bestuurder van [bedrijf 1] is geworden en [betrokkene 8] zich realiseerde dat hij slechts op papier bestuurder was.
[bedrijf 2]
is opgericht op 21 maart 2017. Zij is met ingang van 24 januari 2019 uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Vanaf 18 juli 2017 was als enig aandeelhouder/bestuurder geregistreerd [betrokkene 12] , geboren op [geboortedatum 2] . Er zijn van [betrokkene 12] in de Basisregistratie Personen per 26 juni 2016 geen adresgegevens geregistreerd. De ING Bank heeft aan [bedrijf 2] een rekening met nummer [rekeningnummer 2] (hierna: * [eindcijfers 1] ) toegekend, waaraan voor het (per sms) ontvangen van TAN-codes telefoonnummer * [telefoonnummer 3] ) is gekoppeld. Op de website [website 4] . staat hetzelfde telefoonnummer als contactnummer vermeld. De verdachte was, zoals hierover overwogen, de vaste gebruiker van het nummer * [telefoonnummer 3] . De verdachte belde met dit telefoonnummer in de periode van 24 december 2018 tot en met 2 januari 2019 namens [bedrijf 2] naar derden, waarbij hij zich voorstelde met valse namen, waaronder [naam 6] en [betrokkene 2] .
Op de dag van bovengenoemde spoedbetaling, 25 oktober 2018, wordt van 08.31 uur tot en met 14.24 uur zes keer ingelogd op Mijn ING en de zakelijke rekening van [bedrijf 2] . Telefoonnummer * [telefoonnummer 3] is in dat tijdsbestek één keer gebeld door het ING-nummer *8888, dat in gebruik is bij de ING bank om geautomatiseerd volgnummers en TAN-codes voor betalingen te beluisteren. Voorts kwamen vijf sms-berichten van servicenummer 1420 en vijf sms-berichten van nummer *0230 (een sms-centrale) binnen. Het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 3] straalde tijdens die activiteiten zendmasten aan op de locaties Maanplein 55 (KPN-315045756) en Regulusweg 5 (KPN-315049151/52) in Den Haag. Het in die tijd door de verdachte gebruikte kantorenpand aan de [adres 5] valt binnen het zendbereik van beide zendmasten.
Dekmantelbedrijven
Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] zogenoemde dekmantelbedrijven zijn en hun bestuurders katvangers. De bv’s zijn gebruikt bij het ten laste gelegde drugstransport. De container met verdovende middelen was immers bestemd voor [bedrijf 1] en de spoedbetaling is, namens dat bedrijf, gedaan door [bedrijf 2] . Aangenomen moet worden, zonder aanwijzingen van het tegendeel, dat degenen die achter deze bedrijven schuil gaan, verantwoordelijk zijn voor de invoer van de verdovende middelen. In ieder geval had de verdachte vergaande feitelijke zeggenschap over [bedrijf 2] .
Betrokkenheid verdachte en [medeverdachte 1] bij [bedrijf 1]
In de telefoon die in Griekenland in beslag is genomen onder [betrokkene 2] zijn onder meer WhatsApp-gesprekken aangetroffen tussen [betrokkene 2] en [medeverdachte 1] . Uit deze gesprekken leidt het hof af dat [bedrijf 1] door [betrokkene 8] is opgericht, maar op initiatief van [betrokkene 2] en met wetenschap van de verdachte en [medeverdachte 1] . [betrokkene 8] is daarbij ingezet als katvanger. In de eerste plaats slaat het hof daarbij acht op het volgende. Op 18 maart 2018 bericht [betrokkene 2] aan [medeverdachte 1] dat hij iemand heeft voor ‘ [bijnaam 4] ’ (de bijnaam van de verdachte), een ‘normale gozer met studieschuld’. Uit hetgeen eerder is weergegeven, in het bijzonder ook de verklaring van [betrokkene 8] , volgt dat dit gaat over [betrokkene 8] . [medeverdachte 1] reageert daarop met ‘top’. [medeverdachte 1] weet kennelijk waar het over gaat en reageert instemmend.
Daarnaast blijkt uit WhatsApp-berichten dat [betrokkene 2] werkzaam was voor [medeverdachte 1] . Zo vraagt [betrokkene 2] regelmatig aan [medeverdachte 1] of ze kunnen afspreken en of hij geld kan krijgen. Op 8 maart 2018 laat [betrokkene 2] aan [medeverdachte 1] weten: ‘heb alleen nog € 30,00 in me zak zitten dus als je iets zou kunnen regelen zou fijn zijn’. Ook vraagt [betrokkene 2] zowel op 12 als op 14 maart 2018 of hij ergens naartoe moet komen en voegt hij daar op 12 maart 2018 aan toe of hij misschien een voorschot kan krijgen. Voorts vraagt [betrokkene 2] aan [medeverdachte 1] op 13 maart 2018 of het misschien een idee is als hij in de tussentijd een parttime horeca baantje zoekt en vraagt [betrokkene 2] op 16 maart 2018 of [medeverdachte 1] hem vandaag nog nodig heeft. [medeverdachte 1] reageert daarop door te zeggen dat hij zijn ding gewoon moet gaan doen en hij hem bericht als er wat is, dat hij dan zijn kant uit komt. [betrokkene 2] reageert daarop dat hij ook ‘ [bijnaam 8] of [bijnaam 6] ’ (het hof begrijpt: [medeverdachte 6] of [medeverdachte 5] ) kan langs sturen. Op 20 maart 2018 stuurt [medeverdachte 1] aan [betrokkene 2] ‘je gaat [naam 7] (het hof begrijpt: [medeverdachte 5] ) zo zien’, waarop [betrokkene 2] vraagt of hij cash bij zich heeft.
Verder blijkt uit hetgeen hierna in het kader van de criminele organisatie wordt overwogen en de bewijsmiddelen dat de verdachte in ieder geval van december 2017 tot maart 2019 voor [medeverdachte 1] werkzaam is geweest. Het hof slaat daarbij onder meer acht op de vertrouwelijke communicatie die door de politie is opgenomen (OVC) in het kantoor aan de [adres 6] . [betrokkene 10] , heeft verklaard dat de verdachte (in ieder geval samen met [medeverdachte 2] ) dit kantoorpand in gebruik heeft gehad van september 2019 tot 29 september 2020. Daarnaast heeft de verdachte van mei 2019 tot september 2019 gebruik gemaakt van het pand aan de [adres 5] .. Het hof gaat ervan uit dat de OVC-gesprekken vanwege onder meer de stemherkenning kunnen worden toegeschreven aan de gespreksdeelnemers die in de transscripties worden genoemd.
Op 19 maart 2020 zijn [medeverdachte 2] , [verdachte] (H) en [medeverdachte 4] (K) in de kantoorruimte aan de [adres 6] . Zij hebben het dan over [bijnaam] (de bijnaam van [medeverdachte 1] ).
H: Ja, maar hoe is het met [bijnaam] ?
(…)
K: [bijnaam] ? Geen idee. Ik heb hem geloof ik al in geen vijf weken gezien of gehoord?
H: Nee, maar als ie je niet nodig heb of wat dan ook.
(…)
H: Maar ja, hoe heet dat eh, is natuurlijk eh allemaal een beetje kut gegaan en de reden natuurlijk ook dat ik eh weg ben gegaan eh is natuurlijk ook omdat er niet betaald werd en eh ik was er gewoon een beetje klaar mee. (…) Nou, gezegd eh, de mazzel en eh, dan weet natuurlijk wat het probleem is om wat dinge, andere dinge op te zette eh ook met eh, ehm [bijnaam 5] samen? Maar ja, dan zijn we een jaar verder en eh we hebben een en ander echt al opgezet en draaiende. (…) We zijn natuurlijk eh, zijn lekker bezig, maar we hebben altijd eh, eh een goeie ouwe bekende hadden we nodig die toch iets beter eh weet hoe het reilt en zeilt eh. (…) In de havens.
Het hof concludeert dan ook dat de verdachte in elk geval tot één jaar vóór 19 maart 2020 – dus in elk geval tot maart 2019 – voor [medeverdachte 1] werkzaam was. Op enig moment hebben de verdachte en ‘ [bijnaam 5] ’ (het hof begrijpt: [medeverdachte 2] ) de samenwerking zonder [medeverdachte 1] voortgezet.
Dit vindt ook bevestiging in een telefoongesprek gevoerd door [betrokkene 13] , de (toenmalige) echtgenote van de verdachte, die kan worden gekoppeld aan telefoonnummer * [eindcijfers 4] . Zoals blijkt uit de politiesystemen, maakte de verdachte op dat moment gebruik van telefoonnummer * [eindcijfers 5] . Zowel [betrokkene 13] als de verdachte hebben deze telefoonnummers in het verleden zelf opgegeven aan de politie. Het hof gaat er dan ook vanuit dat deze nummers aan hen toebehoren.
Beoordeling
De verdachte heeft weliswaar ter terechtzitting in hoger beroep een verklaring afgelegd maar heeft daarbij geen openheid van zaken gegeven over de bewezen verklaarde feiten. Het hof ziet in de proceshouding van de verdachte en in de aangevoerde persoonlijke omstandigheden betreffende zijn dochter en zijn zieke moeder geen aanknopingspunten om te komen tot een lagere straf dan passend bij de ernst van de feiten. Hoewel het begrijpelijk is dat de aangevoerde persoonlijke omstandigheden de verdachte zorgen geven, heeft hij zelf een bewuste keuze gemaakt om zich in te laten met de handel in verdovende middelen. De gevolgen hiervan komen dan ook voor zijn rekening.
Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van de verdachte van 8 november 2024 blijkt dat hij op 17 november 2023 in België is veroordeeld tot onder meer 4 jaren gevangenisstraf voor handel in verdovende middelen. Er heeft vervolgens strafoverdracht plaatsgevonden op basis van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties waarbij is bepaald dat 1460 dagen gevangenisstraf in Nederland ten uitvoer worden gelegd. Nu het een vonnis van een buitenlandse rechter betreft is artikel 63 Sr niet van toepassing. Het hof ziet dit evenmin als een omstandigheid waarmee in dit geval in strafmatigende zin rekening mee moet worden gehouden.
Alles overziend, ook gelet op de oriëntatiepunten voor de strafoplegging van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht en de op 24 juni 2021 door dit hof aan medeverdachten [betrokkene 9] , [betrokkene 21] en [betrokkene 22] voor hun rollen als feitelijke “uithalers” van de heroïne in het onderzoek Astoria opgelegde gevangenisstraffen van respectievelijk 7 jaar; 7 jaar en 6 maanden en 6 jaar en 6 maanden, is het hof van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 jaar in beginsel passend en geboden is.
Redelijke termijn
De redelijke termijn is in eerste aanleg overschreden. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een einduitspraak binnen zestien maanden. De inverzekeringstelling van de verdachte heeft plaatsgevonden op 29 september 2020, terwijl de rechtbank eindvonnis heeft gewezen op 8 juli 2022. Er is in eerste aanleg dus sprake van een overschrijding met ruim 5 maanden. Bij de vraag of sprake is van een overschrijding waar in strafmatigende zin rekening mee dient te worden gehouden betrekt het hof dat sprake is van een omvangrijke zaak met meerdere verdachten. Voor een zaak met de omvang van de onderhavige is deze zaak bij de rechtbank relatief snel op zitting aangebracht, namelijk op 26, 27, 28 oktober en 9 november 2021, tegelijk met de zaken van medeverdachten. Het onderzoek ter terechtzitting is vervolgens geschorst in verband met nader onderzoek. Als gezegd is vonnis gewezen op 8 juli 2022. Het tijdsverloop in deze fase was vooral het gevolg van de omvang en complexiteit van de zaak met meerdere verdachten. Het hof is van oordeel dat er in dit geval en in deze fase geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn die tot strafmatiging zou moeten leiden. Dat is anders wat betreft de fase in hoger beroep. Namens de verdachte is appel ingesteld op 20 juli 2022, terwijl het hof arrest wijst op 10 januari 2025. In hoger beroep is daarmee de redelijke termijn overschreden met iets minder dan 14 maanden. Deze overschrijding, die niet aan de verdediging te wijten is, zal het hof verdisconteren in de strafoplegging en de beoogde gevangenisstraf verminderen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaar en 6 maanden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is.
12Beslag
Onder de verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen, die nog niet zijn teruggegeven:
1. horloge (Rolex in doosje inclusief bescheiden en 2 schakels);
5. grijze personenauto (BMW 118i, kenteken G-911-GS);
6. boksbeugel;
7. medicijn (17 doosjes Kamagra);
8. zak roze poeder (AAKX4590NL);
9. zak roze poeder (AAKX4589NL);
10. 5 flessen drank (kist met 5 flessen Fonseca port);
11. fles drank (Johnny Walker George V);
12. doos drank (Highland Park Thorfinn);
14. een geldbedrag (vijf keer 100 dollar);
14. een geldbedrag (49 keer 50 euro);
14. een geldbedrag (19 keer 50 euro, 1 keer 20 euro, 2 keer 5 euro);
14. een pas (chip, verlopen pas o.n.v. ’t Haagse sigarenhuys bv);
14. bankpas ING o.n.v. International Trading ( [rekeningnummer 13] );
14. bankpas ABN Amro o.n.v. A. Zwanenburg ( [rekeningnummer 14] );
14. gripzakje met diverse pillen (AAMA6387NL);
14. gripzakje met bruine blokjes (AAMA6385NL);
14. gripzakje met aanslag in blauw bakje;
14. goudkleurige computer (Lenovo Yoga inclusief hoes);
14. modem (Huawei Router);
14. telefoon (Apple iPhone);
14. telefoon (Nokia);
14. valse toegangspas politie Gelderland midden;
14. taser;
14. gripzakje met 10 roze pillen;
14. computer (Apple)
14. administratie;
14. USB-stick (memorykaart Sandisk 32 GB);
14. USB-stick (memorykaart Take MS);
14. USB-stick (memorykaart Max’L 32 GB);
14. telefoon (Samsung);
40. computer (Brother modelcode BCH21300155, MAC B0:52:16:61:3C:A6 Maclan);
40. zwarte computer (Brother modelcode BCH21300155, MACCO:B5:D7:2A:9C:EE Wlan);
40. diverse administratie;
40. telefoon (iPhone encryptie-device)
40. telefoon (iPhone SKY ECC encryptie-device)
40. telefoon (BQ encryptie-device);
40. munitie (S&B, 1 patroon).
De hierboven weergegeven nummering komt overeen met de in het dossier aanwezige lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.
Standpunten advocaat-generaal en verdediging
De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat de verdachte afstand heeft gedaan van de voorwerpen genoemd onder nummers 6 t/m 9, 17 t/m 22, 25, 27 t/m 30, 40, 41 en 46, zodat het hof hierover geen beslissing hoeft te nemen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de voorwerpen genoemd onder 33, 43, 44 en 45 worden verbeurdverklaard. De overige voorwerpen kunnen aan de verdachte worden teruggegeven.
De raadsman heeft naar voren gebracht dat de verdediging zich ten aanzien van het beslag refereert aan het oordeel van het hof.
Oordeel van het hof
Afstand door de verdachte
Het hof overweegt allereerst dat de verdachte, blijkens zijn daartoe strekkende verklaring ter terechtzitting in hoger beroep, afstand heeft gedaan van de voorwerpen genoemd onder nummers 6 t/m 9, 17 t/m 22, 25, 27 t/m 30, 40, 41 en 46, zodat het hof hierover geen beslissing hoeft te nemen.
Verbeurdverklaring
Het hof zal de in beslag genomen en niet teruggegeven telefoons genoemd onder 43, 44 en 45, die aan verdachte toebehoren, verbeurd verklaren. De voorwerpen zijn daarvoor vatbaar, aangezien die voorwerpen tot het begaan van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten zijn bestemd.
Ook de onder 33 genoemde USB-stick zal worden verbeurdverklaard, omdat dit voorwerp tot het begaan van het onder 6 bewezenverklaarde is bestemd. Op deze gegevensdrager is namelijk het logo aangetroffen van [bedrijf 6] , één van de in de bewezenverklaring genoemde bedrijven.
Inleiding
( ZD 1)
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2019 te Leidschendam en/of Den Haag, in elk geval Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans aan schuldwitwassen, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) (telkens), van een of meer (hierna genoemde) voorwerpen de werkelijke aard, herkomst, vindplaats, vervreemding of verplaatsing verborgen en/of verhuld, dan wel verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende van dat/die voorwerp(en) was, en/of (telkens) verworven, voorhanden gehad, overgedragen, omgezet en/of gebruikt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat hierna genoemde voorwerp(en) - onmiddellijk en/of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, te weten:
- een geldbedrag van (in totaal) 354.470 euro (contant gestort op bankrekeningen van rechtspersonen);
- vier voertuigen, te weten een Mercedes Benz C 220, BMW type 5ER Reihe, BMW 530D X Drive en een BMW 118I);
8. ( ZD 13)
hij op of omstreeks 29 september 2020 te Voorburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen voorhanden heeft gehad:
- een wapen (te weten een boksbeugel) in de zin van artikel 2 lid 1, categorie I onder 3 van de Wet wapens en munitie;
- een wapen (te weten een pepper spray pistool) in de zin van artikel 2 lid 1, categorie II onder 6 van de Wet wapens en munitie;
- munitie (te weten een patroon) in de zin van artikel 2 lid 2, categorie II of III van de Wet wapens en munitie.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
3Vernietiging vonnis
Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht zal worden vernietigd, omdat het hof tot een iets andere bewezenverklaring komt. Het hof heeft de motivering van zijn beslissingen grotendeels ontleend aan de motivering van de rechtbank, zij het dat die motivering op enkele onderdelen is aangepast, mede naar aanleiding van in hoger beroep gevoerde verweren.
4Inleiding
Op 22 oktober 2018 heeft ING Bank aangifte gedaan van witwassen. ING heeft geconstateerd dat in een korte periode op vijf rekeningen veel contant geld werd gestort, waarna er betalingen werden gedaan naar buitenlandse bankrekeningen. Naar aanleiding van deze aangifte is de politie een onderzoek gestart. Hieruit is naar voren gekomen dat de bedrijven waaraan de rekeningen toebehoorden, werden gebruikt voor transporten van verdovende middelen dan wel anderszins daarmee in verband kunnen worden gebracht.
In dit onderzoek, dat de naam ‘Coalcity’ heeft gekregen, zijn naast de verdachte verschillende medeverdachten naar voren gekomen, waaronder [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ), [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ), [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ) en [medeverdachte 1] . Het Openbaar Ministerie beschuldigt de verdachte en zijn medeverdachten ervan dat zij in twee verschillende periodes een criminele (drugs)organisatie vormden. De verdachte wordt verder verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het met anderen invoeren van verdovende middelen. Alle genoemde verdachten zijn door de rechtbank veroordeeld. In hoger beroep zijn alleen nog de zaken tegen de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] aan de orde.
Voor de leesbaarheid worden de medeverdachten met hun achternaam aangeduid.
5Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich aan de hand van een uitgebreid schriftelijk requisitoir op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen, met uitzondering van de volgende onderdelen:
- feit 2, derde gedachtestreepje (invoer van softdrugs);
- feit 1 en feit 2, vijfde gedachtestreepje (valsheid in geschrifte);
- feit 7, tweede gedachtestreepje: Mercedes Benz C220, BMW D XDrive en BMW 118I.
6Standpunt van de verdediging ten aanzien van de feiten 3, 4, 5 en 6
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de feiten 3, 4, 5 en 6 is toegegeven dat het dossier voldoende aanknopingspunten bevat die de conclusie rechtvaardigen dat de verdachte handelingen heeft verricht die mede hebben bijgedragen aan de invoer van ladingen drugs. Er is volgens de verdediging echter geen bewijs dat de verdachte opzet had op de deelneming aan een strafbaar feit en evenmin had hij opzet op de ten laste gelegde gronddelicten. Subsidiair is aangevoerd dat hooguit medeplichtigheid kan worden bewezen.
Beoordeling
Hieruit komt naar voren dat [betrokkene 8] tegen betaling van € 500,00 (op papier) bestuurder van [bedrijf 1] is geworden en [betrokkene 8] zich realiseerde dat hij slechts op papier bestuurder was.
[bedrijf 2]
is opgericht op 21 maart 2017. Zij is met ingang van 24 januari 2019 uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Vanaf 18 juli 2017 was als enig aandeelhouder/bestuurder geregistreerd [betrokkene 12] , geboren op [geboortedatum 2] . Er zijn van [betrokkene 12] in de Basisregistratie Personen per 26 juni 2016 geen adresgegevens geregistreerd. De ING Bank heeft aan [bedrijf 2] een rekening met nummer [rekeningnummer 2] (hierna: * [eindcijfers 1] ) toegekend, waaraan voor het (per sms) ontvangen van TAN-codes telefoonnummer * [telefoonnummer 3] ) is gekoppeld. Op de website [website 4] . staat hetzelfde telefoonnummer als contactnummer vermeld. De verdachte was, zoals hierover overwogen, de vaste gebruiker van het nummer * [telefoonnummer 3] . De verdachte belde met dit telefoonnummer in de periode van 24 december 2018 tot en met 2 januari 2019 namens [bedrijf 2] naar derden, waarbij hij zich voorstelde met valse namen, waaronder [naam 6] en [betrokkene 2] .
Op de dag van bovengenoemde spoedbetaling, 25 oktober 2018, wordt van 08.31 uur tot en met 14.24 uur zes keer ingelogd op Mijn ING en de zakelijke rekening van [bedrijf 2] . Telefoonnummer * [telefoonnummer 3] is in dat tijdsbestek één keer gebeld door het ING-nummer *8888, dat in gebruik is bij de ING bank om geautomatiseerd volgnummers en TAN-codes voor betalingen te beluisteren. Voorts kwamen vijf sms-berichten van servicenummer 1420 en vijf sms-berichten van nummer *0230 (een sms-centrale) binnen. Het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 3] straalde tijdens die activiteiten zendmasten aan op de locaties Maanplein 55 (KPN-315045756) en Regulusweg 5 (KPN-315049151/52) in Den Haag. Het in die tijd door de verdachte gebruikte kantorenpand aan de [adres 5] valt binnen het zendbereik van beide zendmasten.
Dekmantelbedrijven
Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] zogenoemde dekmantelbedrijven zijn en hun bestuurders katvangers. De bv’s zijn gebruikt bij het ten laste gelegde drugstransport. De container met verdovende middelen was immers bestemd voor [bedrijf 1] en de spoedbetaling is, namens dat bedrijf, gedaan door [bedrijf 2] . Aangenomen moet worden, zonder aanwijzingen van het tegendeel, dat degenen die achter deze bedrijven schuil gaan, verantwoordelijk zijn voor de invoer van de verdovende middelen. In ieder geval had de verdachte vergaande feitelijke zeggenschap over [bedrijf 2] .
Betrokkenheid verdachte en [medeverdachte 1] bij [bedrijf 1]
In de telefoon die in Griekenland in beslag is genomen onder [betrokkene 2] zijn onder meer WhatsApp-gesprekken aangetroffen tussen [betrokkene 2] en [medeverdachte 1] . Uit deze gesprekken leidt het hof af dat [bedrijf 1] door [betrokkene 8] is opgericht, maar op initiatief van [betrokkene 2] en met wetenschap van de verdachte en [medeverdachte 1] . [betrokkene 8] is daarbij ingezet als katvanger. In de eerste plaats slaat het hof daarbij acht op het volgende. Op 18 maart 2018 bericht [betrokkene 2] aan [medeverdachte 1] dat hij iemand heeft voor ‘ [bijnaam 4] ’ (de bijnaam van de verdachte), een ‘normale gozer met studieschuld’. Uit hetgeen eerder is weergegeven, in het bijzonder ook de verklaring van [betrokkene 8] , volgt dat dit gaat over [betrokkene 8] . [medeverdachte 1] reageert daarop met ‘top’. [medeverdachte 1] weet kennelijk waar het over gaat en reageert instemmend.
Daarnaast blijkt uit WhatsApp-berichten dat [betrokkene 2] werkzaam was voor [medeverdachte 1] . Zo vraagt [betrokkene 2] regelmatig aan [medeverdachte 1] of ze kunnen afspreken en of hij geld kan krijgen. Op 8 maart 2018 laat [betrokkene 2] aan [medeverdachte 1] weten: ‘heb alleen nog € 30,00 in me zak zitten dus als je iets zou kunnen regelen zou fijn zijn’. Ook vraagt [betrokkene 2] zowel op 12 als op 14 maart 2018 of hij ergens naartoe moet komen en voegt hij daar op 12 maart 2018 aan toe of hij misschien een voorschot kan krijgen. Voorts vraagt [betrokkene 2] aan [medeverdachte 1] op 13 maart 2018 of het misschien een idee is als hij in de tussentijd een parttime horeca baantje zoekt en vraagt [betrokkene 2] op 16 maart 2018 of [medeverdachte 1] hem vandaag nog nodig heeft. [medeverdachte 1] reageert daarop door te zeggen dat hij zijn ding gewoon moet gaan doen en hij hem bericht als er wat is, dat hij dan zijn kant uit komt. [betrokkene 2] reageert daarop dat hij ook ‘ [bijnaam 8] of [bijnaam 6] ’ (het hof begrijpt: [medeverdachte 6] of [medeverdachte 5] ) kan langs sturen. Op 20 maart 2018 stuurt [medeverdachte 1] aan [betrokkene 2] ‘je gaat [naam 7] (het hof begrijpt: [medeverdachte 5] ) zo zien’, waarop [betrokkene 2] vraagt of hij cash bij zich heeft.
Verder blijkt uit hetgeen hierna in het kader van de criminele organisatie wordt overwogen en de bewijsmiddelen dat de verdachte in ieder geval van december 2017 tot maart 2019 voor [medeverdachte 1] werkzaam is geweest. Het hof slaat daarbij onder meer acht op de vertrouwelijke communicatie die door de politie is opgenomen (OVC) in het kantoor aan de [adres 6] . [betrokkene 10] , heeft verklaard dat de verdachte (in ieder geval samen met [medeverdachte 2] ) dit kantoorpand in gebruik heeft gehad van september 2019 tot 29 september 2020. Daarnaast heeft de verdachte van mei 2019 tot september 2019 gebruik gemaakt van het pand aan de [adres 5] .. Het hof gaat ervan uit dat de OVC-gesprekken vanwege onder meer de stemherkenning kunnen worden toegeschreven aan de gespreksdeelnemers die in de transscripties worden genoemd.
Op 19 maart 2020 zijn [medeverdachte 2] , [verdachte] (H) en [medeverdachte 4] (K) in de kantoorruimte aan de [adres 6] . Zij hebben het dan over [bijnaam] (de bijnaam van [medeverdachte 1] ).
H: Ja, maar hoe is het met [bijnaam] ?
(…)
K: [bijnaam] ? Geen idee. Ik heb hem geloof ik al in geen vijf weken gezien of gehoord?
H: Nee, maar als ie je niet nodig heb of wat dan ook.
(…)
H: Maar ja, hoe heet dat eh, is natuurlijk eh allemaal een beetje kut gegaan en de reden natuurlijk ook dat ik eh weg ben gegaan eh is natuurlijk ook omdat er niet betaald werd en eh ik was er gewoon een beetje klaar mee. (…) Nou, gezegd eh, de mazzel en eh, dan weet natuurlijk wat het probleem is om wat dinge, andere dinge op te zette eh ook met eh, ehm [bijnaam 5] samen? Maar ja, dan zijn we een jaar verder en eh we hebben een en ander echt al opgezet en draaiende. (…) We zijn natuurlijk eh, zijn lekker bezig, maar we hebben altijd eh, eh een goeie ouwe bekende hadden we nodig die toch iets beter eh weet hoe het reilt en zeilt eh. (…) In de havens.
Het hof concludeert dan ook dat de verdachte in elk geval tot één jaar vóór 19 maart 2020 – dus in elk geval tot maart 2019 – voor [medeverdachte 1] werkzaam was. Op enig moment hebben de verdachte en ‘ [bijnaam 5] ’ (het hof begrijpt: [medeverdachte 2] ) de samenwerking zonder [medeverdachte 1] voortgezet.
Dit vindt ook bevestiging in een telefoongesprek gevoerd door [betrokkene 13] , de (toenmalige) echtgenote van de verdachte, die kan worden gekoppeld aan telefoonnummer * [eindcijfers 4] . Zoals blijkt uit de politiesystemen, maakte de verdachte op dat moment gebruik van telefoonnummer * [eindcijfers 5] . Zowel [betrokkene 13] als de verdachte hebben deze telefoonnummers in het verleden zelf opgegeven aan de politie. Het hof gaat er dan ook vanuit dat deze nummers aan hen toebehoren.
Beoordeling
De verdachte heeft weliswaar ter terechtzitting in hoger beroep een verklaring afgelegd maar heeft daarbij geen openheid van zaken gegeven over de bewezen verklaarde feiten. Het hof ziet in de proceshouding van de verdachte en in de aangevoerde persoonlijke omstandigheden betreffende zijn dochter en zijn zieke moeder geen aanknopingspunten om te komen tot een lagere straf dan passend bij de ernst van de feiten. Hoewel het begrijpelijk is dat de aangevoerde persoonlijke omstandigheden de verdachte zorgen geven, heeft hij zelf een bewuste keuze gemaakt om zich in te laten met de handel in verdovende middelen. De gevolgen hiervan komen dan ook voor zijn rekening.
Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van de verdachte van 8 november 2024 blijkt dat hij op 17 november 2023 in België is veroordeeld tot onder meer 4 jaren gevangenisstraf voor handel in verdovende middelen. Er heeft vervolgens strafoverdracht plaatsgevonden op basis van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties waarbij is bepaald dat 1460 dagen gevangenisstraf in Nederland ten uitvoer worden gelegd. Nu het een vonnis van een buitenlandse rechter betreft is artikel 63 Sr niet van toepassing. Het hof ziet dit evenmin als een omstandigheid waarmee in dit geval in strafmatigende zin rekening mee moet worden gehouden.
Alles overziend, ook gelet op de oriëntatiepunten voor de strafoplegging van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht en de op 24 juni 2021 door dit hof aan medeverdachten [betrokkene 9] , [betrokkene 21] en [betrokkene 22] voor hun rollen als feitelijke “uithalers” van de heroïne in het onderzoek Astoria opgelegde gevangenisstraffen van respectievelijk 7 jaar; 7 jaar en 6 maanden en 6 jaar en 6 maanden, is het hof van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 jaar in beginsel passend en geboden is.
Redelijke termijn
De redelijke termijn is in eerste aanleg overschreden. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een einduitspraak binnen zestien maanden. De inverzekeringstelling van de verdachte heeft plaatsgevonden op 29 september 2020, terwijl de rechtbank eindvonnis heeft gewezen op 8 juli 2022. Er is in eerste aanleg dus sprake van een overschrijding met ruim 5 maanden. Bij de vraag of sprake is van een overschrijding waar in strafmatigende zin rekening mee dient te worden gehouden betrekt het hof dat sprake is van een omvangrijke zaak met meerdere verdachten. Voor een zaak met de omvang van de onderhavige is deze zaak bij de rechtbank relatief snel op zitting aangebracht, namelijk op 26, 27, 28 oktober en 9 november 2021, tegelijk met de zaken van medeverdachten. Het onderzoek ter terechtzitting is vervolgens geschorst in verband met nader onderzoek. Als gezegd is vonnis gewezen op 8 juli 2022. Het tijdsverloop in deze fase was vooral het gevolg van de omvang en complexiteit van de zaak met meerdere verdachten. Het hof is van oordeel dat er in dit geval en in deze fase geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn die tot strafmatiging zou moeten leiden. Dat is anders wat betreft de fase in hoger beroep. Namens de verdachte is appel ingesteld op 20 juli 2022, terwijl het hof arrest wijst op 10 januari 2025. In hoger beroep is daarmee de redelijke termijn overschreden met iets minder dan 14 maanden. Deze overschrijding, die niet aan de verdediging te wijten is, zal het hof verdisconteren in de strafoplegging en de beoogde gevangenisstraf verminderen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaar en 6 maanden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is.
12Beslag
Onder de verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen, die nog niet zijn teruggegeven:
1. horloge (Rolex in doosje inclusief bescheiden en 2 schakels);
5. grijze personenauto (BMW 118i, kenteken G-911-GS);
6. boksbeugel;
7. medicijn (17 doosjes Kamagra);
8. zak roze poeder (AAKX4590NL);
9. zak roze poeder (AAKX4589NL);
10. 5 flessen drank (kist met 5 flessen Fonseca port);
11. fles drank (Johnny Walker George V);
12. doos drank (Highland Park Thorfinn);
14. een geldbedrag (vijf keer 100 dollar);
14. een geldbedrag (49 keer 50 euro);
14. een geldbedrag (19 keer 50 euro, 1 keer 20 euro, 2 keer 5 euro);
14. een pas (chip, verlopen pas o.n.v. ’t Haagse sigarenhuys bv);
14. bankpas ING o.n.v. International Trading ( [rekeningnummer 13] );
14. bankpas ABN Amro o.n.v. A. Zwanenburg ( [rekeningnummer 14] );
14. gripzakje met diverse pillen (AAMA6387NL);
14. gripzakje met bruine blokjes (AAMA6385NL);
14. gripzakje met aanslag in blauw bakje;
14. goudkleurige computer (Lenovo Yoga inclusief hoes);
14. modem (Huawei Router);
14. telefoon (Apple iPhone);
14. telefoon (Nokia);
14. valse toegangspas politie Gelderland midden;
14. taser;
14. gripzakje met 10 roze pillen;
14. computer (Apple)
14. administratie;
14. USB-stick (memorykaart Sandisk 32 GB);
14. USB-stick (memorykaart Take MS);
14. USB-stick (memorykaart Max’L 32 GB);
14. telefoon (Samsung);
40. computer (Brother modelcode BCH21300155, MAC B0:52:16:61:3C:A6 Maclan);
40. zwarte computer (Brother modelcode BCH21300155, MACCO:B5:D7:2A:9C:EE Wlan);
40. diverse administratie;
40. telefoon (iPhone encryptie-device)
40. telefoon (iPhone SKY ECC encryptie-device)
40. telefoon (BQ encryptie-device);
40. munitie (S&B, 1 patroon).
De hierboven weergegeven nummering komt overeen met de in het dossier aanwezige lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.
Standpunten advocaat-generaal en verdediging
De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat de verdachte afstand heeft gedaan van de voorwerpen genoemd onder nummers 6 t/m 9, 17 t/m 22, 25, 27 t/m 30, 40, 41 en 46, zodat het hof hierover geen beslissing hoeft te nemen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de voorwerpen genoemd onder 33, 43, 44 en 45 worden verbeurdverklaard. De overige voorwerpen kunnen aan de verdachte worden teruggegeven.
De raadsman heeft naar voren gebracht dat de verdediging zich ten aanzien van het beslag refereert aan het oordeel van het hof.
Oordeel van het hof
Afstand door de verdachte
Het hof overweegt allereerst dat de verdachte, blijkens zijn daartoe strekkende verklaring ter terechtzitting in hoger beroep, afstand heeft gedaan van de voorwerpen genoemd onder nummers 6 t/m 9, 17 t/m 22, 25, 27 t/m 30, 40, 41 en 46, zodat het hof hierover geen beslissing hoeft te nemen.
Verbeurdverklaring
Het hof zal de in beslag genomen en niet teruggegeven telefoons genoemd onder 43, 44 en 45, die aan verdachte toebehoren, verbeurd verklaren. De voorwerpen zijn daarvoor vatbaar, aangezien die voorwerpen tot het begaan van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten zijn bestemd.
Ook de onder 33 genoemde USB-stick zal worden verbeurdverklaard, omdat dit voorwerp tot het begaan van het onder 6 bewezenverklaarde is bestemd. Op deze gegevensdrager is namelijk het logo aangetroffen van [bedrijf 6] , één van de in de bewezenverklaring genoemde bedrijven.
Inleiding
( ZD 1)
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2019 te Leidschendam en/of Den Haag, in elk geval Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans aan schuldwitwassen, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) (telkens), van een of meer (hierna genoemde) voorwerpen de werkelijke aard, herkomst, vindplaats, vervreemding of verplaatsing verborgen en/of verhuld, dan wel verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende van dat/die voorwerp(en) was, en/of (telkens) verworven, voorhanden gehad, overgedragen, omgezet en/of gebruikt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat hierna genoemde voorwerp(en) - onmiddellijk en/of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, te weten:
- een geldbedrag van (in totaal) 354.470 euro (contant gestort op bankrekeningen van rechtspersonen);
- vier voertuigen, te weten een Mercedes Benz C 220, BMW type 5ER Reihe, BMW 530D X Drive en een BMW 118I);
8. ( ZD 13)
hij op of omstreeks 29 september 2020 te Voorburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen voorhanden heeft gehad:
- een wapen (te weten een boksbeugel) in de zin van artikel 2 lid 1, categorie I onder 3 van de Wet wapens en munitie;
- een wapen (te weten een pepper spray pistool) in de zin van artikel 2 lid 1, categorie II onder 6 van de Wet wapens en munitie;
- munitie (te weten een patroon) in de zin van artikel 2 lid 2, categorie II of III van de Wet wapens en munitie.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
3Vernietiging vonnis
Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht zal worden vernietigd, omdat het hof tot een iets andere bewezenverklaring komt. Het hof heeft de motivering van zijn beslissingen grotendeels ontleend aan de motivering van de rechtbank, zij het dat die motivering op enkele onderdelen is aangepast, mede naar aanleiding van in hoger beroep gevoerde verweren.
4Inleiding
Op 22 oktober 2018 heeft ING Bank aangifte gedaan van witwassen. ING heeft geconstateerd dat in een korte periode op vijf rekeningen veel contant geld werd gestort, waarna er betalingen werden gedaan naar buitenlandse bankrekeningen. Naar aanleiding van deze aangifte is de politie een onderzoek gestart. Hieruit is naar voren gekomen dat de bedrijven waaraan de rekeningen toebehoorden, werden gebruikt voor transporten van verdovende middelen dan wel anderszins daarmee in verband kunnen worden gebracht.
In dit onderzoek, dat de naam ‘Coalcity’ heeft gekregen, zijn naast de verdachte verschillende medeverdachten naar voren gekomen, waaronder [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ), [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ), [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ) en [medeverdachte 1] . Het Openbaar Ministerie beschuldigt de verdachte en zijn medeverdachten ervan dat zij in twee verschillende periodes een criminele (drugs)organisatie vormden. De verdachte wordt verder verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het met anderen invoeren van verdovende middelen. Alle genoemde verdachten zijn door de rechtbank veroordeeld. In hoger beroep zijn alleen nog de zaken tegen de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] aan de orde.
Voor de leesbaarheid worden de medeverdachten met hun achternaam aangeduid.
5Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich aan de hand van een uitgebreid schriftelijk requisitoir op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen, met uitzondering van de volgende onderdelen:
- feit 2, derde gedachtestreepje (invoer van softdrugs);
- feit 1 en feit 2, vijfde gedachtestreepje (valsheid in geschrifte);
- feit 7, tweede gedachtestreepje: Mercedes Benz C220, BMW D XDrive en BMW 118I.
6Standpunt van de verdediging ten aanzien van de feiten 3, 4, 5 en 6
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de feiten 3, 4, 5 en 6 is toegegeven dat het dossier voldoende aanknopingspunten bevat die de conclusie rechtvaardigen dat de verdachte handelingen heeft verricht die mede hebben bijgedragen aan de invoer van ladingen drugs. Er is volgens de verdediging echter geen bewijs dat de verdachte opzet had op de deelneming aan een strafbaar feit en evenmin had hij opzet op de ten laste gelegde gronddelicten. Subsidiair is aangevoerd dat hooguit medeplichtigheid kan worden bewezen.
Beoordeling
Op 2 oktober 2019 maakt [betrokkene 13] tegen de verdachte over de telefoon een opmerking over ‘de tijd dat hij nog voor [bijnaam] werkte’.
Ook blijkt dit uit WhatsApp-chatgesprekken die zijn aangetroffen in de telefoon van [medeverdachte 1] met telefoonnummer * [telefoonnummer 2] en de gebruiker van het telefoonnummer * [eindcijfers 6] . Dit nummer staat in de telefoon van [medeverdachte 1] opgeslagen onder ‘ [betrokkene 14] ’. Uit onderzoek van de politie op internet blijkt dat [betrokkene 14] eigenaar is van ‘ [bedrijf 26] ’. Op 22 december 2017 heeft er een chatgesprek plaatsgevonden tussen [medeverdachte 1] (P) en [betrokkene 14] (L):
P: Goedemorgen. Zal ik die jongen van mij straks laten langsrijden met die double red? Gr [bijnaam 3] .
L: Yes sir. Merci.
P: Je ziet die jongen van mij straks met die double red. [naam 8] heet hij. (…) Kan je het serie nr naar [naam 8] sturen. (…) Shared contact [verdachte] (tel nr. * [eindcijfers 5] ).
In dit gesprek noemt [medeverdachte 1] de verdachte, van wie hij het telefoonnummer stuurt waarvan hiervoor ook is vastgesteld dat de verdachte dat nummer gebruikt, ‘die jongen van mij’. Ook dit wijst erop dat de verdachte (in elk geval vanaf december 2017) voor de verdachte werkzaam is geweest.
Het hof stelt op grond van al het voorgaande vast dat [bedrijf 1] formeel is opgericht door [betrokkene 8] , maar na aansturing door en met tussenkomst van [betrokkene 2] en de verdachte en met wetenschap van, en na goedkeuring door, [medeverdachte 1] . Bij de conclusie dat ook [medeverdachte 1] betrokken was bij [bedrijf 1] betrekt het hof verder dat van [bedrijf 1] , zoals hiervoor uiteengezet, stukken bij [medeverdachte 6] zijn gevonden. Tezamen met stukken van andere bedrijven die allemaal op de een of andere manier, financieel, aan [medeverdachte 1] zijn te linken, waaronder ook [bedrijf 2]
Betrokkenheid [medeverdachte 1] bij [bedrijf 2]
Hiervoor is al vastgesteld dat de verdachte vergaande feitelijke zeggenschap had over [bedrijf 2] . En dat de verdachte in ieder geval in de periode tussen december 2017 en maart 2019 werkzaam was voor [medeverdachte 1] . Uit de bewijsmiddelen volgt ook dat [medeverdachte 1] betrokkenheid heeft gehad bij [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ).
Die betrokkenheid van [medeverdachte 1] blijkt uit de omstandigheid dat op naam van [bedrijf 2] onder meer een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken 1] is gehuurd. De bestuurder van deze auto, [betrokkene 15] , werd aangehouden op 7 maart 2019 en verklaarde toen dat de auto toebehoorde aan ene ‘ [bijnaam 3] ’ die gebruik maakt van telefoonnummer * [telefoonnummer 2] . Dit is het telefoonnummer van [medeverdachte 1] . In zijn politieverhoor verklaarde [betrokkene 15] daarnaast dat hij het voertuig via een kennis had geleend van ‘ [naam medeverdachte 1] ’ (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ) die hem had verteld dat de auto van één van zijn bedrijven was. [medeverdachte 1] had hem een aantal weken eerder gevraagd naar een mapje met pasjes, dat hij destijds niet kon vinden. Bij zijn aanhouding had hij echter gezien dat er een mapje in de deur aan de passagierszijde van de auto zat. De politie heeft vastgesteld dat in een vak van de passagiersdeur inderdaad een mapje met pasjes lag, waarvan later bleek dat het ging om een rijbewijs en een bankpas op naam van [medeverdachte 5] . [medeverdachte 5] is een contact van [medeverdachte 1] . Daarnaast werden in de auto twee getekende huurcontracten aangetroffen voor een woning aan de [adres 11] . Vanaf de rekening van [bedrijf 20] is huur betaald voor deze woning.
Zoals hiervoor uiteengezet is in de woning van [medeverdachte 6] een lijstje aangetroffen met de website en het nummer bij de Kamer van Koophandel van enkele bedrijven, waaronder [bedrijf 2] . ING heeft vastgesteld dat op de rekeningen van [bedrijf 2] en [bedrijf 1] is ingelogd met hetzelfde device-ID. Daaruit leidt het hof af dat de verdachte ook heeft ingelogd op de rekening van [bedrijf 1] .
Zoals in paragraaf 7.11 (witwassen) nader zal worden beschreven, wordt de rekening van [bedrijf 2] gevoed met enorme contante stortingen. Zo heeft de verdachte in totaal € 262.280,00 op de rekening van [bedrijf 2] gestort. En [medeverdachte 3] € 20.720,00 en [medeverdachte 4] € 1.200,00. [bedrijf 20] , het bedrijf waarbij [medeverdachte 1] een groot financieel belang had, heeft in totaal € 40.165,40 van [bedrijf 2] ontvangen. Er zijn overigens meer financiële dwarsverbanden. [bedrijf 2] doet namelijk ook betalingen aan – het nog te bespreken, ook aan de verdachte te koppelen – [bedrijf 1] en [bedrijf 12] . De rekening van dat laatste bedrijf wordt voor een groot deel gevoed door contante stortingen. In de periode van juni tot oktober 2018 maakt [bedrijf 12] in totaal € 146.069,40 over aan [bedrijf 20] . [bedrijf 12] heeft overigens ook € 21.000,00 overgemaakt aan [bedrijf 11] dat op haar beurt in totaal € 51.000,00 heeft overgemaakt naar [bedrijf 16] . Overigens deed [bedrijf 11] , net als [bedrijf 2] , ook betalingen aan [bedrijf 22] en [bedrijf 21]. Deze twee bedrijven zijn allebei gevestigd geweest op de [adres 12] , het historische vestigingsadres van [bedrijf 20] . Vanuit [bedrijf 22] hebben betalingen plaatsgevonden aan onder andere [bedrijf 13] en [bedrijf 16] .
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, komt het hof tot de conclusie dat [medeverdachte 1] , tot begin 2019, en in ieder geval rond de ten laste gelegde datum in oktober 2018, met de verdachte de feitelijke zeggenschap had over [bedrijf 2] . En daarbij komt nog het volgende.
Relatie tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4]
Zoals hiervoor reeds is vastgesteld, heeft [medeverdachte 4] de container opgehaald nadat de verdovende middelen door de Belgische douane uit de container waren gehaald. Uit het dossier blijkt dat ook [medeverdachte 4] al langere tijd werkzaam was voor [medeverdachte 1] en containers voor hem reed. Dit vindt bevestiging in het OVC-gesprek van 19 maart 2020. Op die datum is een (OVC) gesprek opgenomen op de [adres 6] . De gespreksdeelnemers waren [medeverdachte 2] , de verdachte (H) en [medeverdachte 4] (K). Zij hebben het vervolgens over [bijnaam 2] (waarmee onmiskenbaar [medeverdachte 1] wordt bedoeld):
K: Zo'n twee jaar geleden, zat [bijnaam 2] krap? Toen zegt ie tegen mij, joh, hoeveel heb jij nog thuis ligge? lk zeg, nou, 9 ruggen? (…) Hij zegt, kan ik, kan ik die lenen? lk zeg, ja, waarom niet. lk heb het. (…) Nou, dat is ook weg.
(…)
K: Ja, dat is denk ik in januari een volle bak d'r uit gehaald? (…) Der heb ik er laatst nog eentje uitgehaald, ook een volle bak. (…) Daar heb ik niks op gekregen.
(…)
H: wat heb je voor het laatst nog wat uitgehaald dan? Ook uit Antwerpen.
K: Ja.
H: Zonder problemen.
K: Ja. Zonder scan, fysiek, of iets dergelijks.
De dag daarvoor, op 18 maart 2020, is een gesprek opgenomen tussen de verdachte (H) en [betrokkene 16] (RH), waaruit het hof afleidt dat ze voornemens zijn om [medeverdachte 4] als chauffeur te benaderen en zich afvragen of hij nog voor [medeverdachte 1] werkt:
H: [bedrijf 27] (opmerking hof: dat bedrijf stond op naam van [medeverdachte 4] )dat is het BV-tje waar ie mee heen heeft gewerkt, ook voorheen voor zichzelf maar eh, ja, we moete effe kijke hoe of wat. Kijk, als hij zegt, joh, ik werk niet meer voor die [bijnaam] (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ) en dit en dat, is ie, wilt ie werke, ja of nee.
Beoordeling
Op 2 oktober 2019 maakt [betrokkene 13] tegen de verdachte over de telefoon een opmerking over ‘de tijd dat hij nog voor [bijnaam] werkte’.
Ook blijkt dit uit WhatsApp-chatgesprekken die zijn aangetroffen in de telefoon van [medeverdachte 1] met telefoonnummer * [telefoonnummer 2] en de gebruiker van het telefoonnummer * [eindcijfers 6] . Dit nummer staat in de telefoon van [medeverdachte 1] opgeslagen onder ‘ [betrokkene 14] ’. Uit onderzoek van de politie op internet blijkt dat [betrokkene 14] eigenaar is van ‘ [bedrijf 26] ’. Op 22 december 2017 heeft er een chatgesprek plaatsgevonden tussen [medeverdachte 1] (P) en [betrokkene 14] (L):
P: Goedemorgen. Zal ik die jongen van mij straks laten langsrijden met die double red? Gr [bijnaam 3] .
L: Yes sir. Merci.
P: Je ziet die jongen van mij straks met die double red. [naam 8] heet hij. (…) Kan je het serie nr naar [naam 8] sturen. (…) Shared contact [verdachte] (tel nr. * [eindcijfers 5] ).
In dit gesprek noemt [medeverdachte 1] de verdachte, van wie hij het telefoonnummer stuurt waarvan hiervoor ook is vastgesteld dat de verdachte dat nummer gebruikt, ‘die jongen van mij’. Ook dit wijst erop dat de verdachte (in elk geval vanaf december 2017) voor de verdachte werkzaam is geweest.
Het hof stelt op grond van al het voorgaande vast dat [bedrijf 1] formeel is opgericht door [betrokkene 8] , maar na aansturing door en met tussenkomst van [betrokkene 2] en de verdachte en met wetenschap van, en na goedkeuring door, [medeverdachte 1] . Bij de conclusie dat ook [medeverdachte 1] betrokken was bij [bedrijf 1] betrekt het hof verder dat van [bedrijf 1] , zoals hiervoor uiteengezet, stukken bij [medeverdachte 6] zijn gevonden. Tezamen met stukken van andere bedrijven die allemaal op de een of andere manier, financieel, aan [medeverdachte 1] zijn te linken, waaronder ook [bedrijf 2]
Betrokkenheid [medeverdachte 1] bij [bedrijf 2]
Hiervoor is al vastgesteld dat de verdachte vergaande feitelijke zeggenschap had over [bedrijf 2] . En dat de verdachte in ieder geval in de periode tussen december 2017 en maart 2019 werkzaam was voor [medeverdachte 1] . Uit de bewijsmiddelen volgt ook dat [medeverdachte 1] betrokkenheid heeft gehad bij [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ).
Die betrokkenheid van [medeverdachte 1] blijkt uit de omstandigheid dat op naam van [bedrijf 2] onder meer een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken 1] is gehuurd. De bestuurder van deze auto, [betrokkene 15] , werd aangehouden op 7 maart 2019 en verklaarde toen dat de auto toebehoorde aan ene ‘ [bijnaam 3] ’ die gebruik maakt van telefoonnummer * [telefoonnummer 2] . Dit is het telefoonnummer van [medeverdachte 1] . In zijn politieverhoor verklaarde [betrokkene 15] daarnaast dat hij het voertuig via een kennis had geleend van ‘ [naam medeverdachte 1] ’ (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ) die hem had verteld dat de auto van één van zijn bedrijven was. [medeverdachte 1] had hem een aantal weken eerder gevraagd naar een mapje met pasjes, dat hij destijds niet kon vinden. Bij zijn aanhouding had hij echter gezien dat er een mapje in de deur aan de passagierszijde van de auto zat. De politie heeft vastgesteld dat in een vak van de passagiersdeur inderdaad een mapje met pasjes lag, waarvan later bleek dat het ging om een rijbewijs en een bankpas op naam van [medeverdachte 5] . [medeverdachte 5] is een contact van [medeverdachte 1] . Daarnaast werden in de auto twee getekende huurcontracten aangetroffen voor een woning aan de [adres 11] . Vanaf de rekening van [bedrijf 20] is huur betaald voor deze woning.
Zoals hiervoor uiteengezet is in de woning van [medeverdachte 6] een lijstje aangetroffen met de website en het nummer bij de Kamer van Koophandel van enkele bedrijven, waaronder [bedrijf 2] . ING heeft vastgesteld dat op de rekeningen van [bedrijf 2] en [bedrijf 1] is ingelogd met hetzelfde device-ID. Daaruit leidt het hof af dat de verdachte ook heeft ingelogd op de rekening van [bedrijf 1] .
Zoals in paragraaf 7.11 (witwassen) nader zal worden beschreven, wordt de rekening van [bedrijf 2] gevoed met enorme contante stortingen. Zo heeft de verdachte in totaal € 262.280,00 op de rekening van [bedrijf 2] gestort. En [medeverdachte 3] € 20.720,00 en [medeverdachte 4] € 1.200,00. [bedrijf 20] , het bedrijf waarbij [medeverdachte 1] een groot financieel belang had, heeft in totaal € 40.165,40 van [bedrijf 2] ontvangen. Er zijn overigens meer financiële dwarsverbanden. [bedrijf 2] doet namelijk ook betalingen aan – het nog te bespreken, ook aan de verdachte te koppelen – [bedrijf 1] en [bedrijf 12] . De rekening van dat laatste bedrijf wordt voor een groot deel gevoed door contante stortingen. In de periode van juni tot oktober 2018 maakt [bedrijf 12] in totaal € 146.069,40 over aan [bedrijf 20] . [bedrijf 12] heeft overigens ook € 21.000,00 overgemaakt aan [bedrijf 11] dat op haar beurt in totaal € 51.000,00 heeft overgemaakt naar [bedrijf 16] . Overigens deed [bedrijf 11] , net als [bedrijf 2] , ook betalingen aan [bedrijf 22] en [bedrijf 21]. Deze twee bedrijven zijn allebei gevestigd geweest op de [adres 12] , het historische vestigingsadres van [bedrijf 20] . Vanuit [bedrijf 22] hebben betalingen plaatsgevonden aan onder andere [bedrijf 13] en [bedrijf 16] .
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, komt het hof tot de conclusie dat [medeverdachte 1] , tot begin 2019, en in ieder geval rond de ten laste gelegde datum in oktober 2018, met de verdachte de feitelijke zeggenschap had over [bedrijf 2] . En daarbij komt nog het volgende.
Relatie tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4]
Zoals hiervoor reeds is vastgesteld, heeft [medeverdachte 4] de container opgehaald nadat de verdovende middelen door de Belgische douane uit de container waren gehaald. Uit het dossier blijkt dat ook [medeverdachte 4] al langere tijd werkzaam was voor [medeverdachte 1] en containers voor hem reed. Dit vindt bevestiging in het OVC-gesprek van 19 maart 2020. Op die datum is een (OVC) gesprek opgenomen op de [adres 6] . De gespreksdeelnemers waren [medeverdachte 2] , de verdachte (H) en [medeverdachte 4] (K). Zij hebben het vervolgens over [bijnaam 2] (waarmee onmiskenbaar [medeverdachte 1] wordt bedoeld):
K: Zo'n twee jaar geleden, zat [bijnaam 2] krap? Toen zegt ie tegen mij, joh, hoeveel heb jij nog thuis ligge? lk zeg, nou, 9 ruggen? (…) Hij zegt, kan ik, kan ik die lenen? lk zeg, ja, waarom niet. lk heb het. (…) Nou, dat is ook weg.
(…)
K: Ja, dat is denk ik in januari een volle bak d'r uit gehaald? (…) Der heb ik er laatst nog eentje uitgehaald, ook een volle bak. (…) Daar heb ik niks op gekregen.
(…)
H: wat heb je voor het laatst nog wat uitgehaald dan? Ook uit Antwerpen.
K: Ja.
H: Zonder problemen.
K: Ja. Zonder scan, fysiek, of iets dergelijks.
De dag daarvoor, op 18 maart 2020, is een gesprek opgenomen tussen de verdachte (H) en [betrokkene 16] (RH), waaruit het hof afleidt dat ze voornemens zijn om [medeverdachte 4] als chauffeur te benaderen en zich afvragen of hij nog voor [medeverdachte 1] werkt:
H: [bedrijf 27] (opmerking hof: dat bedrijf stond op naam van [medeverdachte 4] )dat is het BV-tje waar ie mee heen heeft gewerkt, ook voorheen voor zichzelf maar eh, ja, we moete effe kijke hoe of wat. Kijk, als hij zegt, joh, ik werk niet meer voor die [bijnaam] (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ) en dit en dat, is ie, wilt ie werke, ja of nee.