Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-03-18
ECLI:NL:GHAMS:2025:1155
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
16,230 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 24/189
18 maart 2025
uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,
tegen de uitspraak van 15 december 2023 in de zaak met kenmerk HAA 22/4480 van de rechtbank Noord-Holland in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende over een aan hem opgelegde naheffingsaanslag overdrachtsbelasting ongegrond verklaard, nadat de inspecteur die aanslag in bezwaar had gehandhaafd.
1.2.
In hoger beroep heeft belanghebbende een beroepschrift ingediend, waarvan hij de gronden later heeft aangevuld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Daarop heeft belanghebbende gereageerd bij brief van 23 mei 2024, en de inspecteur heeft op die reactie weer gereageerd bij brief van 10 juni 2024.
1.3.
Voorafgaand aan de zitting heeft belanghebbende een pleitnota toegezonden.
1.4.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2Tussen partijen vaststaande feiten
Het Hof gaat uit van de volgende, door de rechtbank reeds vastgestelde feiten, waarover tussen partijen geen geschil bestaat.
2.1.
Bij authentieke akte van 14 maart 2003 hebben belanghebbende en zijn voormalige partner, [naam] (hierna: [naam] ), [stichting] (hierna: de Stichting) opgericht. De Stichting heeft onder meer ten doel het voor rekening van de houders van door de Stichting met betrekking daartoe uit te geven certificaten, in eigendom verwerven, beheren en exploiteren van onroerende zaken, aangemerkt als beschermde monumenten in de zin van de Monumentenwet, in het bijzonder van het pand met aanbehoren, staande en gelegen te [Z] , [straat] 46, 48, 50, kadastraal bekend als gemeente [Z] , [adres] (hierna: de woning).
2.2.
Bij een tweede authentieke akte van 14 maart 2003 heeft de Stichting twee certificaten uitgegeven aan belanghebbende en [naam] , tot welke certificaten zij elk voor een tweede gedeelte zijn gerechtigd. Bij authentieke akte van 21 maart 2003 is de woning aan de Stichting geleverd. De koopprijs van de woning bedroeg € 1.420.000.
2.3.
In verband met de verwerving van de woning door de Stichting en de verbouwing van de woning is door belanghebbende ten behoeve van [naam] een bedrag ter beschikking gesteld van € 450.000. In een niet ondertekende conceptovereenkomst van geldlening (gedateerd 13 maart 2003/14 april 2003) is onder meer bepaald dat [naam] over het niet afgeloste deel van de hoofdsom geen rente verschuldigd is, maar dat de vordering zowel in positieve als in negatieve zin wordt geïndexeerd naar de waarde van de woning (beleggingsleer).
2.4.
Op 28 september 2007 hebben belanghebbende en [naam] een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin het volgende is opgenomen ten aanzien van het door belanghebbende aan [naam] ter beschikking gestelde bedrag:
“1. [De Stichting] is gerechtigd tot: [de woning], van de eigendom van welk registergoed genoemde stichting certificaten heeft uitgegeven aan [belanghebbende] en [ [naam] ], beiden wonende te [Z] , en wel aan ieder van hen een gelijk aantal certificaten.
2. [ Belanghebbende] heeft van de kosten van verwerving en daarna gepleegd onderhoud drie vierden betaald, zodat hij op [ [naam] ] een vordering heeft wegens te leen gegeven gelden gelijk aan een vierde van de totale kosten, neerkomend op vierhonderd vijftigduizend euro (€ 450.000,00).
3. Partijen zijn met elkaar overeengekomen dat [belanghebbende] in plaats van een vergoedingsvordering op [ [naam] ] ad vierhonderd vijftigduizend euro (€ 450.000,00) een vordering op laatstgenoemde heeft waarvan het beloop correspondeert met het economisch belang van de helft van de ten name van [ [naam] ] gestelde certificaten in [de woning]. Zie [#] .
4. In totaliteit is [belanghebbende] op grond van het vorenstaande in economische zin voor drie vierden gerechtigd in [de woning] en [ [naam] ] voor een vierde.”
2.5.
Bij authentieke akte van 16 augustus 2016 hebben belanghebbende en [naam] hun samenlevingsovereenkomst gewijzigd. In deze akte is onder meer het volgende opgenomen:
“3. Bij akte van uitgifte certificaten op veertien maart tweeduizend drie (…) heeft de stichting aan de certificaathouders gezamenlijk in onverdeelde eigendom en wel voor wat betreft [ [naam] ] een/tweede gedeelte en voor wat betreft [belanghebbende] een/tweede gedeelte (…) twee (2) certificaten uitgegeven (…).
(…)
5. (…)
Partijen hebben bij onderhandse akte, waarvan een kopie aan deze akte is gehecht, vastgesteld dat de economische gerechtigdheid van partijen in gemelde twee certificaten als volgt is:
- [ [naam] ] vijfentwintig procent;
- [ belanghebbende] vijfenzeventig procent.
(…)
VERBREKING
Artikel 5
(…)
a. Indien de samenleving anders dan door overlijden eindigt heeft [belanghebbende] het eerste recht de certificaten van [ [naam] ] (…) over te nemen. (…)
b. (…)
c. (…)
d. De partij aan wie de certificaten worden toegescheiden is verplicht beide hypothecaire geldleningen over te nemen en de andere partij deswege te vrijwaren;
voorts zal de overnemende partij het aandeel van de andere partij in de overwaarde van de certificaten tegelijk bij de toescheiding van de certificaten moeten uitkeren.
e. In het geval geen van partijen de toescheiding van de certificaten wenst zullen partijen tot verkoop overgaan van [de woning] (…);
de verdeling van de verkoopopbrengst zal geschieden in de verhouding vijfenzeventig procent (75%) voor [belanghebbende] en vijfentwintig procent (25%) voor [ [naam] ] (…).
VERBLIJVENSBEDING BIJ OVERLIJDEN
Artikel 6
(…)
b. bij het overlijden van [ [naam] ] verblijft haar aandeel in de certificaten A.1 en A.2 aan [belanghebbende], zijnde één/vierde aandeel in de economische waarde, (…);
bij het overlijden van [belanghebbende] verblijft zijn aandeel in de certificaten A.1 en A.2 aan [ [naam] ] , zulks onder de verplichting aan de erfgenamen van [belanghebbende] schuldig te erkennen een bedrag ter grootte van drie/vierde (3/4e) van de waarde van de certificaten, (…)”
2.6.
Wegens beëindiging van de samenleving zijn bij authentieke akte van 24 juni 2020 de certificaten toebedeeld aan belanghebbende, zulks tegen een vergoeding door belanghebbende aan [naam] van een bedrag van € 1.500.000. In de akte is verder vermeld dat de certificaten in de verdeling zijn betrokken voor een waarde van € 3.000.000, zijnde de waarde van de woning, en dat belanghebbende ingevolge de onder 4 geciteerde vaststellingsovereenkomst een vergoedingsvordering op [naam] had van € 750.000.
Geschil
3.1.
Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
3.2.
Hetgeen partijen in het kader van het geschil hebben aangevoerd, komt, voor zover relevant voor de te nemen beslissing, bij de beoordeling aan de orde.
Beoordeling
4.1.
Het door belanghebbende in hoger beroep gehouden betoog komt erop neer dat de in 2020 verdeelde gemeenschap, voor zover hier van belang, slechts de certificaten omvat die de Stichting in 2003 aan belanghebbende en [naam] gezamenlijk heeft uitgegeven. In die gemeenschap waren zij elk voor de helft gerechtigd. De verkrijging krachtens verdeling van de gemeenschap zou daardoor delen in de vrijstelling van artikel 15, lid 1, onder g, van de Wet BRV. De vordering van belanghebbende op [naam] uit hoofde van de lening volgens de beleggingsleer (zie 2.3 en 2.4; vgl. het sinds 2012 bepaalde in artikel 1:87 van het BW) staat in deze gedachtegang niet aan de toepasselijkheid van de vrijstelling in de weg, naar mag worden aangenomen omdat zij buiten de civielrechtelijke gemeenschap valt.
4.2.1.
Het Hof stelt voorop dat uit het – ook door de rechtbank aangehaalde – arrest van de Hoge Raad van 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:888, volgt dat de vrijstelling van artikel 15, lid 1, onder g, van de Wet BRV tevens van toepassing kan zijn bij een verdeling van een economische medegerechtigdheid in een onroerende zaak. Een gemeenschap in de zin van artikel 3:166 van het BW is niet vereist. Zo was in de zaak die tot voornoemd arrest heeft geleid de ene partner (juridisch) eigenaar van een onroerende zaak, terwijl de andere partner slechts een belang had bij die onroerende zaak door een vorderingsrecht uit hoofde van hun samenlevingsovereenkomst. Hoewel noch de onroerende zaak noch het vorderingsrecht aan beide partners gezamenlijk toebehoorde, en daarom geen gemeenschap in de zin van artikel 3:166 van het BW werd verdeeld, kon naar het oordeel van de Hoge Raad de vrijstelling van artikel 15, lid 1, onder g, van de Wet BRV van toepassing zijn voor de verkrijging van de eigendom van de onroerende zaak door de andere partner na het eindigen van de relatie.
4.2.2.
Bepalend voor de toepasselijkheid van de vrijstelling van artikel 15, lid 1, onder g, van de Wet BRV is wel, voor zover hier van belang, ieders economische gerechtigdheid tot de onroerende zaak: die dient ten minste 40 percent en ten hoogste 60 percent te zijn. Bedoelde economische gerechtigdheid, in de betekenis van 'belang’ in de zin van artikel 2, lid 2, van de Wet BRV, kan ook ontstaan door een lening volgens de beleggingsleer, waarbij het terug te betalen bedrag rechtstreeks van de waardeontwikkeling van de onroerende zaak afhangt.
4.3.
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.2.1 en 4.2.2 is overwogen, mist de vrijstelling van artikel 15, lid 1, onder g, in dezen toepassing. De economische gerechtigheden tot de woning van belanghebbende en [naam] lagen namelijk niet binnen de vereiste bandbreedte. Zoals de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld in rechtsoverweging 19 van de bestreden uitspraak, had belanghebbende tot de verdeling in 2020 een economische gerechtigdheid van 75 percent in de woning. Dat is de optelsom van het aan hem toebehorende aandeel in de twee certificaten, waaruit een economische gerechtigdheid van 50 percent voortvloeit, en de terugbetalingsvordering op [naam] uit hoofde van de lening volgens de beleggingsleer, waaruit een economische gerechtigdheid van nog eens 25 percent voortvloeit. De resterende 25 percent weerspiegelde economische gerechtigdheid van [naam] .
4.4.
Het beroep op onderdeel 8 van het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 3 juni 2014, nr. BLKB 2014/194M, kan belanghebbende daarnaast niet baten. In dat besluit is goedgekeurd dat heffing van overdrachtsbelasting achterwege blijft bij verkrijgingen van economische eigendom als gevolg van bepaalde clausules in samenlevingscontracten. Die goedkeuring heeft echter geen betrekking op een verkrijging van economische eigendom als in deze zaak aan de orde, waarbij belanghebbende [naam] heeft ‘uitgekocht’ voor haar economische gerechtigdheid tot de woning. Evenmin kan uit het genoemde besluit worden begrepen dat de grotere economische gerechtigdheid tot de woning van belanghebbende die tot de verdeling in 2020 voortvloeide uit de lening aan [naam] , mag worden genegeerd bij de beoordeling of wordt voldaan aan de vrijstellingsvoorwaarde met betrekking tot ieders gerechtigdheid.
4.5.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is.
5Kosten
Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding
Dictum
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. W.J. Blokland, voorzitter, C.J. Hummel en
B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing is op 18 maart 2025 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 24/189
18 maart 2025
uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,
tegen de uitspraak van 15 december 2023 in de zaak met kenmerk HAA 22/4480 van de rechtbank Noord-Holland in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende over een aan hem opgelegde naheffingsaanslag overdrachtsbelasting ongegrond verklaard, nadat de inspecteur die aanslag in bezwaar had gehandhaafd.
1.2.
In hoger beroep heeft belanghebbende een beroepschrift ingediend, waarvan hij de gronden later heeft aangevuld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Daarop heeft belanghebbende gereageerd bij brief van 23 mei 2024, en de inspecteur heeft op die reactie weer gereageerd bij brief van 10 juni 2024.
1.3.
Voorafgaand aan de zitting heeft belanghebbende een pleitnota toegezonden.
1.4.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2Tussen partijen vaststaande feiten
Het Hof gaat uit van de volgende, door de rechtbank reeds vastgestelde feiten, waarover tussen partijen geen geschil bestaat.
2.1.
Bij authentieke akte van 14 maart 2003 hebben belanghebbende en zijn voormalige partner, [naam] (hierna: [naam] ), [stichting] (hierna: de Stichting) opgericht. De Stichting heeft onder meer ten doel het voor rekening van de houders van door de Stichting met betrekking daartoe uit te geven certificaten, in eigendom verwerven, beheren en exploiteren van onroerende zaken, aangemerkt als beschermde monumenten in de zin van de Monumentenwet, in het bijzonder van het pand met aanbehoren, staande en gelegen te [Z] , [straat] 46, 48, 50, kadastraal bekend als gemeente [Z] , [adres] (hierna: de woning).
2.2.
Bij een tweede authentieke akte van 14 maart 2003 heeft de Stichting twee certificaten uitgegeven aan belanghebbende en [naam] , tot welke certificaten zij elk voor een tweede gedeelte zijn gerechtigd. Bij authentieke akte van 21 maart 2003 is de woning aan de Stichting geleverd. De koopprijs van de woning bedroeg € 1.420.000.
2.3.
In verband met de verwerving van de woning door de Stichting en de verbouwing van de woning is door belanghebbende ten behoeve van [naam] een bedrag ter beschikking gesteld van € 450.000. In een niet ondertekende conceptovereenkomst van geldlening (gedateerd 13 maart 2003/14 april 2003) is onder meer bepaald dat [naam] over het niet afgeloste deel van de hoofdsom geen rente verschuldigd is, maar dat de vordering zowel in positieve als in negatieve zin wordt geïndexeerd naar de waarde van de woning (beleggingsleer).
2.4.
Op 28 september 2007 hebben belanghebbende en [naam] een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin het volgende is opgenomen ten aanzien van het door belanghebbende aan [naam] ter beschikking gestelde bedrag:
“1. [De Stichting] is gerechtigd tot: [de woning], van de eigendom van welk registergoed genoemde stichting certificaten heeft uitgegeven aan [belanghebbende] en [ [naam] ], beiden wonende te [Z] , en wel aan ieder van hen een gelijk aantal certificaten.
2. [ Belanghebbende] heeft van de kosten van verwerving en daarna gepleegd onderhoud drie vierden betaald, zodat hij op [ [naam] ] een vordering heeft wegens te leen gegeven gelden gelijk aan een vierde van de totale kosten, neerkomend op vierhonderd vijftigduizend euro (€ 450.000,00).
3. Partijen zijn met elkaar overeengekomen dat [belanghebbende] in plaats van een vergoedingsvordering op [ [naam] ] ad vierhonderd vijftigduizend euro (€ 450.000,00) een vordering op laatstgenoemde heeft waarvan het beloop correspondeert met het economisch belang van de helft van de ten name van [ [naam] ] gestelde certificaten in [de woning]. Zie [#] .
4. In totaliteit is [belanghebbende] op grond van het vorenstaande in economische zin voor drie vierden gerechtigd in [de woning] en [ [naam] ] voor een vierde.”
2.5.
Bij authentieke akte van 16 augustus 2016 hebben belanghebbende en [naam] hun samenlevingsovereenkomst gewijzigd. In deze akte is onder meer het volgende opgenomen:
“3. Bij akte van uitgifte certificaten op veertien maart tweeduizend drie (…) heeft de stichting aan de certificaathouders gezamenlijk in onverdeelde eigendom en wel voor wat betreft [ [naam] ] een/tweede gedeelte en voor wat betreft [belanghebbende] een/tweede gedeelte (…) twee (2) certificaten uitgegeven (…).
(…)
5. (…)
Partijen hebben bij onderhandse akte, waarvan een kopie aan deze akte is gehecht, vastgesteld dat de economische gerechtigdheid van partijen in gemelde twee certificaten als volgt is:
- [ [naam] ] vijfentwintig procent;
- [ belanghebbende] vijfenzeventig procent.
(…)
VERBREKING
Artikel 5
(…)
a. Indien de samenleving anders dan door overlijden eindigt heeft [belanghebbende] het eerste recht de certificaten van [ [naam] ] (…) over te nemen. (…)
b. (…)
c. (…)
d. De partij aan wie de certificaten worden toegescheiden is verplicht beide hypothecaire geldleningen over te nemen en de andere partij deswege te vrijwaren;
voorts zal de overnemende partij het aandeel van de andere partij in de overwaarde van de certificaten tegelijk bij de toescheiding van de certificaten moeten uitkeren.
e. In het geval geen van partijen de toescheiding van de certificaten wenst zullen partijen tot verkoop overgaan van [de woning] (…);
de verdeling van de verkoopopbrengst zal geschieden in de verhouding vijfenzeventig procent (75%) voor [belanghebbende] en vijfentwintig procent (25%) voor [ [naam] ] (…).
VERBLIJVENSBEDING BIJ OVERLIJDEN
Artikel 6
(…)
b. bij het overlijden van [ [naam] ] verblijft haar aandeel in de certificaten A.1 en A.2 aan [belanghebbende], zijnde één/vierde aandeel in de economische waarde, (…);
bij het overlijden van [belanghebbende] verblijft zijn aandeel in de certificaten A.1 en A.2 aan [ [naam] ] , zulks onder de verplichting aan de erfgenamen van [belanghebbende] schuldig te erkennen een bedrag ter grootte van drie/vierde (3/4e) van de waarde van de certificaten, (…)”
2.6.
Wegens beëindiging van de samenleving zijn bij authentieke akte van 24 juni 2020 de certificaten toebedeeld aan belanghebbende, zulks tegen een vergoeding door belanghebbende aan [naam] van een bedrag van € 1.500.000. In de akte is verder vermeld dat de certificaten in de verdeling zijn betrokken voor een waarde van € 3.000.000, zijnde de waarde van de woning, en dat belanghebbende ingevolge de onder 4 geciteerde vaststellingsovereenkomst een vergoedingsvordering op [naam] had van € 750.000.
Geschil
3.1.
Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
3.2.
Hetgeen partijen in het kader van het geschil hebben aangevoerd, komt, voor zover relevant voor de te nemen beslissing, bij de beoordeling aan de orde.
Beoordeling
4.1.
Het door belanghebbende in hoger beroep gehouden betoog komt erop neer dat de in 2020 verdeelde gemeenschap, voor zover hier van belang, slechts de certificaten omvat die de Stichting in 2003 aan belanghebbende en [naam] gezamenlijk heeft uitgegeven. In die gemeenschap waren zij elk voor de helft gerechtigd. De verkrijging krachtens verdeling van de gemeenschap zou daardoor delen in de vrijstelling van artikel 15, lid 1, onder g, van de Wet BRV. De vordering van belanghebbende op [naam] uit hoofde van de lening volgens de beleggingsleer (zie 2.3 en 2.4; vgl. het sinds 2012 bepaalde in artikel 1:87 van het BW) staat in deze gedachtegang niet aan de toepasselijkheid van de vrijstelling in de weg, naar mag worden aangenomen omdat zij buiten de civielrechtelijke gemeenschap valt.
4.2.1.
Het Hof stelt voorop dat uit het – ook door de rechtbank aangehaalde – arrest van de Hoge Raad van 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:888, volgt dat de vrijstelling van artikel 15, lid 1, onder g, van de Wet BRV tevens van toepassing kan zijn bij een verdeling van een economische medegerechtigdheid in een onroerende zaak. Een gemeenschap in de zin van artikel 3:166 van het BW is niet vereist. Zo was in de zaak die tot voornoemd arrest heeft geleid de ene partner (juridisch) eigenaar van een onroerende zaak, terwijl de andere partner slechts een belang had bij die onroerende zaak door een vorderingsrecht uit hoofde van hun samenlevingsovereenkomst. Hoewel noch de onroerende zaak noch het vorderingsrecht aan beide partners gezamenlijk toebehoorde, en daarom geen gemeenschap in de zin van artikel 3:166 van het BW werd verdeeld, kon naar het oordeel van de Hoge Raad de vrijstelling van artikel 15, lid 1, onder g, van de Wet BRV van toepassing zijn voor de verkrijging van de eigendom van de onroerende zaak door de andere partner na het eindigen van de relatie.
4.2.2.
Bepalend voor de toepasselijkheid van de vrijstelling van artikel 15, lid 1, onder g, van de Wet BRV is wel, voor zover hier van belang, ieders economische gerechtigdheid tot de onroerende zaak: die dient ten minste 40 percent en ten hoogste 60 percent te zijn. Bedoelde economische gerechtigdheid, in de betekenis van 'belang’ in de zin van artikel 2, lid 2, van de Wet BRV, kan ook ontstaan door een lening volgens de beleggingsleer, waarbij het terug te betalen bedrag rechtstreeks van de waardeontwikkeling van de onroerende zaak afhangt.
4.3.
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.2.1 en 4.2.2 is overwogen, mist de vrijstelling van artikel 15, lid 1, onder g, in dezen toepassing. De economische gerechtigheden tot de woning van belanghebbende en [naam] lagen namelijk niet binnen de vereiste bandbreedte. Zoals de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld in rechtsoverweging 19 van de bestreden uitspraak, had belanghebbende tot de verdeling in 2020 een economische gerechtigdheid van 75 percent in de woning. Dat is de optelsom van het aan hem toebehorende aandeel in de twee certificaten, waaruit een economische gerechtigdheid van 50 percent voortvloeit, en de terugbetalingsvordering op [naam] uit hoofde van de lening volgens de beleggingsleer, waaruit een economische gerechtigdheid van nog eens 25 percent voortvloeit. De resterende 25 percent weerspiegelde economische gerechtigdheid van [naam] .
4.4.
Het beroep op onderdeel 8 van het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 3 juni 2014, nr. BLKB 2014/194M, kan belanghebbende daarnaast niet baten. In dat besluit is goedgekeurd dat heffing van overdrachtsbelasting achterwege blijft bij verkrijgingen van economische eigendom als gevolg van bepaalde clausules in samenlevingscontracten. Die goedkeuring heeft echter geen betrekking op een verkrijging van economische eigendom als in deze zaak aan de orde, waarbij belanghebbende [naam] heeft ‘uitgekocht’ voor haar economische gerechtigdheid tot de woning. Evenmin kan uit het genoemde besluit worden begrepen dat de grotere economische gerechtigdheid tot de woning van belanghebbende die tot de verdeling in 2020 voortvloeide uit de lening aan [naam] , mag worden genegeerd bij de beoordeling of wordt voldaan aan de vrijstellingsvoorwaarde met betrekking tot ieders gerechtigdheid.
4.5.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is.
5Kosten
Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding
Dictum
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. W.J. Blokland, voorzitter, C.J. Hummel en
B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing is op 18 maart 2025 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 24/189
18 maart 2025
uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,
tegen de uitspraak van 15 december 2023 in de zaak met kenmerk HAA 22/4480 van de rechtbank Noord-Holland in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende over een aan hem opgelegde naheffingsaanslag overdrachtsbelasting ongegrond verklaard, nadat de inspecteur die aanslag in bezwaar had gehandhaafd.
1.2.
In hoger beroep heeft belanghebbende een beroepschrift ingediend, waarvan hij de gronden later heeft aangevuld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Daarop heeft belanghebbende gereageerd bij brief van 23 mei 2024, en de inspecteur heeft op die reactie weer gereageerd bij brief van 10 juni 2024.
1.3.
Voorafgaand aan de zitting heeft belanghebbende een pleitnota toegezonden.
1.4.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2Tussen partijen vaststaande feiten
Het Hof gaat uit van de volgende, door de rechtbank reeds vastgestelde feiten, waarover tussen partijen geen geschil bestaat.
2.1.
Bij authentieke akte van 14 maart 2003 hebben belanghebbende en zijn voormalige partner, [naam] (hierna: [naam] ), [stichting] (hierna: de Stichting) opgericht. De Stichting heeft onder meer ten doel het voor rekening van de houders van door de Stichting met betrekking daartoe uit te geven certificaten, in eigendom verwerven, beheren en exploiteren van onroerende zaken, aangemerkt als beschermde monumenten in de zin van de Monumentenwet, in het bijzonder van het pand met aanbehoren, staande en gelegen te [Z] , [straat] 46, 48, 50, kadastraal bekend als gemeente [Z] , [adres] (hierna: de woning).
2.2.
Bij een tweede authentieke akte van 14 maart 2003 heeft de Stichting twee certificaten uitgegeven aan belanghebbende en [naam] , tot welke certificaten zij elk voor een tweede gedeelte zijn gerechtigd. Bij authentieke akte van 21 maart 2003 is de woning aan de Stichting geleverd. De koopprijs van de woning bedroeg € 1.420.000.
2.3.
In verband met de verwerving van de woning door de Stichting en de verbouwing van de woning is door belanghebbende ten behoeve van [naam] een bedrag ter beschikking gesteld van € 450.000. In een niet ondertekende conceptovereenkomst van geldlening (gedateerd 13 maart 2003/14 april 2003) is onder meer bepaald dat [naam] over het niet afgeloste deel van de hoofdsom geen rente verschuldigd is, maar dat de vordering zowel in positieve als in negatieve zin wordt geïndexeerd naar de waarde van de woning (beleggingsleer).
2.4.
Op 28 september 2007 hebben belanghebbende en [naam] een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin het volgende is opgenomen ten aanzien van het door belanghebbende aan [naam] ter beschikking gestelde bedrag:
“1. [De Stichting] is gerechtigd tot: [de woning], van de eigendom van welk registergoed genoemde stichting certificaten heeft uitgegeven aan [belanghebbende] en [ [naam] ], beiden wonende te [Z] , en wel aan ieder van hen een gelijk aantal certificaten.
2. [ Belanghebbende] heeft van de kosten van verwerving en daarna gepleegd onderhoud drie vierden betaald, zodat hij op [ [naam] ] een vordering heeft wegens te leen gegeven gelden gelijk aan een vierde van de totale kosten, neerkomend op vierhonderd vijftigduizend euro (€ 450.000,00).
3. Partijen zijn met elkaar overeengekomen dat [belanghebbende] in plaats van een vergoedingsvordering op [ [naam] ] ad vierhonderd vijftigduizend euro (€ 450.000,00) een vordering op laatstgenoemde heeft waarvan het beloop correspondeert met het economisch belang van de helft van de ten name van [ [naam] ] gestelde certificaten in [de woning]. Zie [#] .
4. In totaliteit is [belanghebbende] op grond van het vorenstaande in economische zin voor drie vierden gerechtigd in [de woning] en [ [naam] ] voor een vierde.”
2.5.
Bij authentieke akte van 16 augustus 2016 hebben belanghebbende en [naam] hun samenlevingsovereenkomst gewijzigd. In deze akte is onder meer het volgende opgenomen:
“3. Bij akte van uitgifte certificaten op veertien maart tweeduizend drie (…) heeft de stichting aan de certificaathouders gezamenlijk in onverdeelde eigendom en wel voor wat betreft [ [naam] ] een/tweede gedeelte en voor wat betreft [belanghebbende] een/tweede gedeelte (…) twee (2) certificaten uitgegeven (…).
(…)
5. (…)
Partijen hebben bij onderhandse akte, waarvan een kopie aan deze akte is gehecht, vastgesteld dat de economische gerechtigdheid van partijen in gemelde twee certificaten als volgt is:
- [ [naam] ] vijfentwintig procent;
- [ belanghebbende] vijfenzeventig procent.
(…)
VERBREKING
Artikel 5
(…)
a. Indien de samenleving anders dan door overlijden eindigt heeft [belanghebbende] het eerste recht de certificaten van [ [naam] ] (…) over te nemen. (…)
b. (…)
c. (…)
d. De partij aan wie de certificaten worden toegescheiden is verplicht beide hypothecaire geldleningen over te nemen en de andere partij deswege te vrijwaren;
voorts zal de overnemende partij het aandeel van de andere partij in de overwaarde van de certificaten tegelijk bij de toescheiding van de certificaten moeten uitkeren.
e. In het geval geen van partijen de toescheiding van de certificaten wenst zullen partijen tot verkoop overgaan van [de woning] (…);
de verdeling van de verkoopopbrengst zal geschieden in de verhouding vijfenzeventig procent (75%) voor [belanghebbende] en vijfentwintig procent (25%) voor [ [naam] ] (…).
VERBLIJVENSBEDING BIJ OVERLIJDEN
Artikel 6
(…)
b. bij het overlijden van [ [naam] ] verblijft haar aandeel in de certificaten A.1 en A.2 aan [belanghebbende], zijnde één/vierde aandeel in de economische waarde, (…);
bij het overlijden van [belanghebbende] verblijft zijn aandeel in de certificaten A.1 en A.2 aan [ [naam] ] , zulks onder de verplichting aan de erfgenamen van [belanghebbende] schuldig te erkennen een bedrag ter grootte van drie/vierde (3/4e) van de waarde van de certificaten, (…)”
2.6.
Wegens beëindiging van de samenleving zijn bij authentieke akte van 24 juni 2020 de certificaten toebedeeld aan belanghebbende, zulks tegen een vergoeding door belanghebbende aan [naam] van een bedrag van € 1.500.000. In de akte is verder vermeld dat de certificaten in de verdeling zijn betrokken voor een waarde van € 3.000.000, zijnde de waarde van de woning, en dat belanghebbende ingevolge de onder 4 geciteerde vaststellingsovereenkomst een vergoedingsvordering op [naam] had van € 750.000.
Geschil
3.1.
Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
3.2.
Hetgeen partijen in het kader van het geschil hebben aangevoerd, komt, voor zover relevant voor de te nemen beslissing, bij de beoordeling aan de orde.
Beoordeling
4.1.
Het door belanghebbende in hoger beroep gehouden betoog komt erop neer dat de in 2020 verdeelde gemeenschap, voor zover hier van belang, slechts de certificaten omvat die de Stichting in 2003 aan belanghebbende en [naam] gezamenlijk heeft uitgegeven. In die gemeenschap waren zij elk voor de helft gerechtigd. De verkrijging krachtens verdeling van de gemeenschap zou daardoor delen in de vrijstelling van artikel 15, lid 1, onder g, van de Wet BRV. De vordering van belanghebbende op [naam] uit hoofde van de lening volgens de beleggingsleer (zie 2.3 en 2.4; vgl. het sinds 2012 bepaalde in artikel 1:87 van het BW) staat in deze gedachtegang niet aan de toepasselijkheid van de vrijstelling in de weg, naar mag worden aangenomen omdat zij buiten de civielrechtelijke gemeenschap valt.
4.2.1.
Het Hof stelt voorop dat uit het – ook door de rechtbank aangehaalde – arrest van de Hoge Raad van 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:888, volgt dat de vrijstelling van artikel 15, lid 1, onder g, van de Wet BRV tevens van toepassing kan zijn bij een verdeling van een economische medegerechtigdheid in een onroerende zaak. Een gemeenschap in de zin van artikel 3:166 van het BW is niet vereist. Zo was in de zaak die tot voornoemd arrest heeft geleid de ene partner (juridisch) eigenaar van een onroerende zaak, terwijl de andere partner slechts een belang had bij die onroerende zaak door een vorderingsrecht uit hoofde van hun samenlevingsovereenkomst. Hoewel noch de onroerende zaak noch het vorderingsrecht aan beide partners gezamenlijk toebehoorde, en daarom geen gemeenschap in de zin van artikel 3:166 van het BW werd verdeeld, kon naar het oordeel van de Hoge Raad de vrijstelling van artikel 15, lid 1, onder g, van de Wet BRV van toepassing zijn voor de verkrijging van de eigendom van de onroerende zaak door de andere partner na het eindigen van de relatie.
4.2.2.
Bepalend voor de toepasselijkheid van de vrijstelling van artikel 15, lid 1, onder g, van de Wet BRV is wel, voor zover hier van belang, ieders economische gerechtigdheid tot de onroerende zaak: die dient ten minste 40 percent en ten hoogste 60 percent te zijn. Bedoelde economische gerechtigdheid, in de betekenis van 'belang’ in de zin van artikel 2, lid 2, van de Wet BRV, kan ook ontstaan door een lening volgens de beleggingsleer, waarbij het terug te betalen bedrag rechtstreeks van de waardeontwikkeling van de onroerende zaak afhangt.
4.3.
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.2.1 en 4.2.2 is overwogen, mist de vrijstelling van artikel 15, lid 1, onder g, in dezen toepassing. De economische gerechtigheden tot de woning van belanghebbende en [naam] lagen namelijk niet binnen de vereiste bandbreedte. Zoals de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld in rechtsoverweging 19 van de bestreden uitspraak, had belanghebbende tot de verdeling in 2020 een economische gerechtigdheid van 75 percent in de woning. Dat is de optelsom van het aan hem toebehorende aandeel in de twee certificaten, waaruit een economische gerechtigdheid van 50 percent voortvloeit, en de terugbetalingsvordering op [naam] uit hoofde van de lening volgens de beleggingsleer, waaruit een economische gerechtigdheid van nog eens 25 percent voortvloeit. De resterende 25 percent weerspiegelde economische gerechtigdheid van [naam] .
4.4.
Het beroep op onderdeel 8 van het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 3 juni 2014, nr. BLKB 2014/194M, kan belanghebbende daarnaast niet baten. In dat besluit is goedgekeurd dat heffing van overdrachtsbelasting achterwege blijft bij verkrijgingen van economische eigendom als gevolg van bepaalde clausules in samenlevingscontracten. Die goedkeuring heeft echter geen betrekking op een verkrijging van economische eigendom als in deze zaak aan de orde, waarbij belanghebbende [naam] heeft ‘uitgekocht’ voor haar economische gerechtigdheid tot de woning. Evenmin kan uit het genoemde besluit worden begrepen dat de grotere economische gerechtigdheid tot de woning van belanghebbende die tot de verdeling in 2020 voortvloeide uit de lening aan [naam] , mag worden genegeerd bij de beoordeling of wordt voldaan aan de vrijstellingsvoorwaarde met betrekking tot ieders gerechtigdheid.
4.5.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is.
5Kosten
Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding
Dictum
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. W.J. Blokland, voorzitter, C.J. Hummel en
B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing is op 18 maart 2025 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Inleiding
Ter zake van de toebedeling van het onverdeelde aandeel in de certificaten van [naam] aan belanghebbende wordt in de akte een beroep gedaan op de vrijstelling van overdrachtsbelasting als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de belastingen van rechtsverkeer 1970 (hierna: Wet BRV).
2.7.
In verband met hetgeen is vermeld onder 2.6 heeft de notaris aan belanghebbende een afrekening verstrekt waarvan de inhoud, voor zover hier van belang, als volgt kan worden weergegeven:
te betalen:
uitkering inzake verdeling certificaten
€
1.500.000,00
kosten verdeling
-
(…)
hypotheekkosten
-
(…)
notariskosten
-
(…)
transporteren
€
(…)
transport
€
(…)
te ontvangen:
verrekening vergoedingsvordering
€
750.000,00
reeds voldaan door storting waarborgsom
-
(…)
hypotheek t.b.v. (…)
-
300.000
dividend van (…)
-
(…)
dividend van (…)
-
(…)
-
1.500.000,00
per saldo te voldoen
€
(…)
2.8.
Per brief van 30 november 2021 heeft de inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat hij voornemens was hem een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op te leggen ten bedrage van € 15.000 (2% van € 750.000), zich op het standpunt stellend dat de vrijstelling als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel g, van de Wet BRV niet van toepassing is. Per brief van 20 december 2021 heeft belanghebbende de inspecteur meegedeeld het met dit voornemen niet eens te zijn.
2.9.
Met dagtekening 14 januari 2022 heeft de inspecteur belanghebbende de onderhavige naheffingsaanslag en beschikking belastingrente opgelegd. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de naheffingsaanslag en rentebeschikking gehandhaafd.
Inleiding
Ter zake van de toebedeling van het onverdeelde aandeel in de certificaten van [naam] aan belanghebbende wordt in de akte een beroep gedaan op de vrijstelling van overdrachtsbelasting als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de belastingen van rechtsverkeer 1970 (hierna: Wet BRV).
2.7.
In verband met hetgeen is vermeld onder 2.6 heeft de notaris aan belanghebbende een afrekening verstrekt waarvan de inhoud, voor zover hier van belang, als volgt kan worden weergegeven:
te betalen:
uitkering inzake verdeling certificaten
€
1.500.000,00
kosten verdeling
-
(…)
hypotheekkosten
-
(…)
notariskosten
-
(…)
transporteren
€
(…)
transport
€
(…)
te ontvangen:
verrekening vergoedingsvordering
€
750.000,00
reeds voldaan door storting waarborgsom
-
(…)
hypotheek t.b.v. (…)
-
300.000
dividend van (…)
-
(…)
dividend van (…)
-
(…)
-
1.500.000,00
per saldo te voldoen
€
(…)
2.8.
Per brief van 30 november 2021 heeft de inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat hij voornemens was hem een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op te leggen ten bedrage van € 15.000 (2% van € 750.000), zich op het standpunt stellend dat de vrijstelling als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel g, van de Wet BRV niet van toepassing is. Per brief van 20 december 2021 heeft belanghebbende de inspecteur meegedeeld het met dit voornemen niet eens te zijn.
2.9.
Met dagtekening 14 januari 2022 heeft de inspecteur belanghebbende de onderhavige naheffingsaanslag en beschikking belastingrente opgelegd. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de naheffingsaanslag en rentebeschikking gehandhaafd.
Inleiding
Ter zake van de toebedeling van het onverdeelde aandeel in de certificaten van [naam] aan belanghebbende wordt in de akte een beroep gedaan op de vrijstelling van overdrachtsbelasting als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de belastingen van rechtsverkeer 1970 (hierna: Wet BRV).
2.7.
In verband met hetgeen is vermeld onder 2.6 heeft de notaris aan belanghebbende een afrekening verstrekt waarvan de inhoud, voor zover hier van belang, als volgt kan worden weergegeven:
te betalen:
uitkering inzake verdeling certificaten
€
1.500.000,00
kosten verdeling
-
(…)
hypotheekkosten
-
(…)
notariskosten
-
(…)
transporteren
€
(…)
transport
€
(…)
te ontvangen:
verrekening vergoedingsvordering
€
750.000,00
reeds voldaan door storting waarborgsom
-
(…)
hypotheek t.b.v. (…)
-
300.000
dividend van (…)
-
(…)
dividend van (…)
-
(…)
-
1.500.000,00
per saldo te voldoen
€
(…)
2.8.
Per brief van 30 november 2021 heeft de inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat hij voornemens was hem een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op te leggen ten bedrage van € 15.000 (2% van € 750.000), zich op het standpunt stellend dat de vrijstelling als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel g, van de Wet BRV niet van toepassing is. Per brief van 20 december 2021 heeft belanghebbende de inspecteur meegedeeld het met dit voornemen niet eens te zijn.
2.9.
Met dagtekening 14 januari 2022 heeft de inspecteur belanghebbende de onderhavige naheffingsaanslag en beschikking belastingrente opgelegd. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de naheffingsaanslag en rentebeschikking gehandhaafd.