Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-01-21
ECLI:NL:GHAMS:2025:103
Civiel recht
Hoger beroep
10,244 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.308.276/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/693218 / HA ZA 20-1152
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 januari 2025
inzake
1 [appellant 1] ,
2. [appellant 2],
beiden wonende te [plaats 1] ,
appellanten,
advocaat: mr. R.H. Kroes te Haarlem,
tegen
DEUTSCHE BANK AG,
gevestigd te Frankfurt am Main (Duitsland), mede kantoorhoudende te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. A.J. Haasjes te Amsterdam.
Appellanten worden hierna [appellant 1] en [appellant 2] en gezamenlijk [appellanten] genoemd. Geïntimeerde wordt hierna Deutsche Bank genoemd, ook als het haar voorganger ABN AMRO Bank N.V. betreft.
1De zaak in het kort
[appellanten] hebben in 2008 een lopende renteswap, die in 2005 was gesloten, beëindigd tegen betaling door Deutsche Bank van de positieve waarde van € 150.000 en een paar maanden later een nieuwe renteswap gesloten. [appellanten] stellen dat zij ten aanzien van een en ander hebben gedwaald, dan wel dat Deutsche Bank haar zorgplicht jegens hen heeft geschonden. De rechtbank heeft hun vorderingen afgewezen.
Procesverloop
[appellanten] zijn bij dagvaarding van 9 maart 2022 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 22 december 2021 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [appellanten] als eisers en Deutsche Bank als gedaagde. Deutsche Bank heeft op 21 maart 2022 een anticipatie-exploot laten uitbrengen.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, tevens akte wijziging van eis, met producties
- memorie van antwoord.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 15 december 2023 laten toelichten door hun voornoemde advocaten, beiden aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. Voorafgaand aan de zitting hebben [appellanten] nog een productie overgelegd.
De zaak is naar de rol verwezen voor het nemen van akten door partijen nadat de Hoge Raad arrest heeft gewezen in de hierna onder 3.14 genoemde zaak. Dat arrest is uitgesproken op
12 januari 2024 (ECLI:NL:HR:2024:18).
[appellanten] hebben vervolgens een akte, met een productie, genomen, gevolgd door een antwoordakte van Deutsche Bank.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
Feiten
De rechtbank heeft in 2.1 tot en met 2.17 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat.
Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende.
3.1.
[appellant 1] en [appellant 2] zijn levens- en zakenpartners en actief als horeca-ondernemers. Samen hebben zij het hotelcomplex Hotels [x] in [plaats 2] opgebouwd en het landgoed [plaats 3] aangekocht en gerestaureerd. In 2008 had Hotels [x] een netto-omzet van bijna € 25 miljoen en waren er nagenoeg 200 medewerkers fulltime in dienst. [appellant 1] en [appellant 2] zijn daarnaast bestuurders en aandeelhouders van BOMO III B.V. (hierna: BOMO). Sinds begin van de jaren ’90 bankieren [appellanten] bij Deutsche Bank.
3.2.
In 2002 bestond de financiering van [appellanten] bij Deutsche Bank uit een driejarige roll-over lening van € 26.300.000 en een roll-over lening met een aflopende hoofdsom van
€ 7.000.000 en een looptijd van twintig jaar. Beide leningen (hierna: de leningen) werden afgesloten tegen een variabele (Euribor)-rente vermeerderd met een opslag.
3.3.
In de daaropvolgende jaren werd(en) de (financieringen binnen de) financierings-portefeuille herhaaldelijk verlengd en/of uitgebreid.
3.4.
Op 22 november 2005 sloten [appellanten] twee renteswaps af met Deutsche Bank om het renterisico van de leningen af te dekken: Renteswap 1 (hierna ook: Renteswap 2005) met een hoofdsom van € 7.000.000, die met de twintigjarige lening correspondeert, en een vaste rente van 3,535% en Renteswap 1a met een hoofdsom van € 26.300.000, die met de genoemde driejarige roll-over lening correspondeert, en een vaste rente van 3,67%.
3.5.
Op 24 september 2007 vond op initiatief van Deutsche Bank een bespreking plaats over de privéfinanciering van landgoed [plaats 3] . Tijdens de bespreking heeft Deutsche Bank [appellanten] onder meer meegedeeld dat Renteswap 1 op dat moment een positieve waarde had van € 295.000.
3.6.
In januari 2008 nam Deutsche Bank opnieuw contact op met [appellanten] met de mededeling dat de renteswaps nog altijd een positieve waarde hadden, maar dat deze inmiddels wel lager was geworden.
3.7.
[appellanten] hebben de beide renteswaps op 31 januari 2008 beëindigd door middel van een door hen en Deutsche Bank ondertekend beëindigingsformulier. Het formulier voor Renteswap 1 luidt, voor zover relevant, als volgt:
“(…)
Betreft: Bevestiging voortijdige beëindiging renteswap
(...)
1. Hierbij bevestigt (..) [Deutsche Bank] (..) aan [ [appellanten] ] dat [Renteswap 1] per 31 januari 2008 voortijdig is beëindigd.
(...)
3. Vanwege de voortijdige beëindiging betaalt [Deutsche Bank] aan [ [appellanten] ] de som van EUR 150.000,00 per 4 februari 2008.
4. Door ondertekening van deze Bevestiging verklaart elke partij:
(...)
b. dat het bovenstaande de voorwaarden van de overeenkomst tussen partijen met betrekking tot de voortijdige beëindiging van de Transactie waarop deze Bevestiging betrekking heeft correct weergeeft.
(...)”
3.8.
Als gevolg van de voortijdige beëindiging van de renteswaps heeft Deutsche Bank aan [appellanten] op 4 februari 2008 een positieve marktwaarde van € 150.000 voor Renteswap 1 en € 765.000 voor Renteswap 1a betaald.
3.9.
Begin juni 2008 – de Euribor was sinds januari 2008 gestegen – is met [appellanten] gesproken over het opnieuw afsluiten van renteswaps.
3.10.
Een rentevisie van het Economisch Bureau van Deutsche Bank van 2 juni 2008 over het eerste kwartaal van 2008 tot en met het laatste kwartaal van 2009 luidt, voor zover relevant, als volgt:
“De ECB maakt voorlopig pas op de plaats
Veel aandacht gaat de laatste tijd uit naar de inflatie. (...) Bij herhaling laten ECB-vertegen-woordigers zich bezorgd uit over de hoge inflatie (…). (…) Bovendien heeft de eurozone-economie het in het eerste kwartaal goed gedaan – beter dan was verwacht (...). Daarom lijken de markten nu niet meer in een renteverlaging van de ECB te geloven. (...)
Wat betekent dit nu? De conclusie lijkt logisch dat van een renteverlaging door de ECB voorlopig géén sprake kan zijn. Toch is een renteverlaging voor ons nog niet van de baan. Dat heeft te maken met onze verwachtingen voor groei en inflatie. (…) Onder de veronderstelling dat de olieprijs de komende tijd vrij stabiel blijft als gevolg van de wat afnemende mondiale groei, zien wij de inflatie tegen het eind van het jaar flink dalen. In zo’n situatie kan de ECB toch de rente verlagen.
De driemaands euriborrente noteerde de hele maand mei 86 basispunten boven het refi-tarief. Er lijkt dus nog geen enkel teken te zijn dat het vertrouwen tussen banken onderling weer wat verbetert. De eenmaands euribor liep eind mei zelfs opeens 10 basispunten op. De financiële markten lijken er echter van uit te gaan dat het ergste van de kredietcrisis achter de rug is. Dat zou er dan toe moeten leiden dat de interbancaire rentes weer gaan dalen (...)
Lange rente weer omlaag?
De lange rente in de eurozone is in mei zo’n 30 basispunten opgelopen. (...) Op heel korte termijn zal daar weinig verandering in komen. Aan het slechte nieuws over de Amerikaanse economie is echter, denken wij, nog geen einde gekomen. Bovendien zal de groei in de eurozone ook inzakken. In het tweede halfjaar moeten ook weer met wat lagere lange rentes rekening worden gehouden (...). (…)”
In een overzicht in dit stuk onder de kop “Rente en valutavooruitzichten:” is bij “3m-euribor” vermeld onder “Kwartaalultimo’s”: “08Q1” 4,7, “08Q2” 4,8, “08Q3” 4,6 en “08Q4” 4,0 en onder “09Q4” 3,8.
3.11.
Een stuk genaamd “Visie op rente en euro – update” van het Economisch Bureau van Deutsche Bank van 16 juni 2008 luidt − voor zover hier relevant − als volgt:
“Inflatievrees alom – ECB gaat rente verhogen
(…) En als klap op de vuurpijl kondigde ECB-president [naam 1] bij de laatste persconferentie min of meer aan dat de ECB de rente in juli waarschijnlijk gaat verhogen. (…)
Het lijkt ons duidelijk dat van een renteverlaging in de nabije toekomst geen sprake zal zijn. (...) Wij gaan ervan uit dat de ECB de rente inderdaad in juli zal verhogen. (…) Bovendien hebben zich sindsdien geen ontwikkelingen voorgedaan die een uitstel van zo’n rentestap zouden rechtvaardigen. (…) We gaan ervan uit dat de Fed de rente dit jaar niet zal verlagen (onze visie tot begin deze maand) maar ook niet zal verhogen. De kans blijft echter groot dat zij er begin 2009 - gezien de kwakkelende economie - toch toe over zal gaan de rente weer te verlagen. We veronderstellen daarbij dat de inflatie tegen die tijd wezenlijk is afgenomen. (…) Ook in de eurozone blijft daarom een renteverlaging goed mogelijk, maar niet eerder dan ruwweg rond de jaarwisseling.
De lange rente, die de laatste weken fors is opgelopen, zal in het hierboven beschreven scenario niet blijven stijgen, maar tijdelijk wat gaan dalen.
Beoordeling
5.1.
[appellanten] hebben in hoger beroep zeven grieven aangevoerd. Zij hebben in hoger beroep geconcludeerd tot het vernietigen van het bestreden vonnis en – uitvoerbaar bij voorraad − tot het toewijzen van hun vorderingen, die na wijziging van eis, kort samengevat, als volgt luiden:
primair:
I) veroordeling van Deutsche Bank tot betaling van € 19.924,18, althans een door het hof te bepalen bedrag, zijnde de inhouding door Deutsche Bank op de werkelijke positieve waarde van Renteswap 2005 op het moment van beëindiging, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2008;
en
II) vernietiging van Renteswap 2008 wegens dwaling en veroordeling van Deutsche Bank tot terugbetaling van de per saldo teveel betaalde rente, vermeerderd met de wettelijke rente,
althans
III) verklaring voor recht dat Deutsche Bank tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen jegens [appellanten] voorafgaand aan en bij het aangaan van Renteswap 2008 en/of dat zij onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld;
en
IV) veroordeling van Deutsche Bank tot vergoeding van de door [appellanten] dientengevolge geleden schade, vermeerderd met de wettelijke rente, nader op te maken bij staat;
subsidiair:
V) verklaring voor recht dat Deutsche Bank tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen jegens [appellanten] voorafgaand aan en bij het beëindigen van Renteswap 2005 en/of dat zij onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld;
en
VI) veroordeling van Deutsche Bank tot vergoeding van de door [appellanten] dientengevolge geleden schade, vermeerderd met de wettelijke rente, nader op te maken bij staat.
Voorts vorderen [appellanten] de veroordeling van Deutsche Bank in de proceskosten, met rente en nakosten.
5.2.
Het hof zal hierna de grieven gezamenlijk aan de hand van de vorderingen bespreken. Het hof gaat er hierbij van uit dat sprake is van een adviesrelatie. Gelet op de aard van de verleende dienst − het aanbevelen om Renteswap 2005 te beëindigen en om Renteswap 2008, die voor [appellanten] geschikt is ter afdekking van hun renterisico, te sluiten −, gaat het om een op de omstandigheden van de persoon van de cliënt toegespitste aanbeveling, waarmee vaststaat dat [appellanten] door Deutsche Bank zijn geadviseerd.
Ook staat vast dat [appellanten] geen professionele beleggers in de zin van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) zijn.
Vordering onder II
5.4.
[appellanten] vorderen onder II dat Renteswap 2008 wordt vernietigd wegens dwaling.
Zij voeren daartoe, kort samengevat, het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte de mededeling van mevrouw [naam 2] , treasury advisor van Deutsche Bank, inhoudende dat de rente zou gaan stijgen en dat het daarom goed zou zijn om in 2008 opnieuw een renteswap te sluiten, gepasseerd. Deutsche Bank had voorts moeten meedelen dat er geen sprake was van een verwachte (relevante) stijging van de rente, maar wel van een verwachte daling die langdurig zou zijn bij aanhoudende slechte economische omstandigheden, die vanwege de verwachte recessie door de omgekeerde rentecurve zeer voorzienbaar was. Voorts had Deutsche Bank moeten meedelen dat zij bij het aangaan van Renteswap 2008 een provisie van circa € 68.000 zou innen.
5.5.
Het hof overweegt als volgt. De schending van de mededelingsplicht door Deutsche Bank baseren [appellanten] op de rentevisie van 2 juni 2018 van Deutsche Bank (zie 3.10), waarin een rentedaling wordt voorspeld van 4,7% in het eerste kwartaal van 2008 naar 3,8% in het laatste kwartaal van 2009, die niet is gedeeld met hen. Het beroep op het ontbreken van deze rentevisie van Deutsche Bank bij het aangaan van Renteswap 2008, kan [appellanten] echter niet baten. Het is immers, ook voor een bank, onzeker hoe de marktrente zich zal ontwikkelen en vooral op de lange(re) termijn. Rentevisies van een bank hebben daarom maar betrekkelijke waarde. Zonder bijkomende omstandigheden, die ontbreken, kan niet als juist worden aanvaard dat een bank die een renteswap aangaat met haar wederpartij ter indekking van het renterisico, per definitie, op grond van overeenkomst of wet, gehouden is haar rente-verwachting aan die wederpartij mee te delen. Dat Renteswap 2008 is afgesloten kort nadat Renteswap 2005 was beëindigd, is dus, anders dan [appellanten] kennelijk menen, geen bijkomende omstandigheid als hiervoor bedoeld.
De betrekkelijke waarde blijkt overigens reeds uit het stuk genaamd “Visie op rente en euro – update” van Deutsche Bank van 16 juni 2008 (zie 3.11), veertien dagen later dus, waarin zij terugkomt op haar rentevisie van 2 juni 2008. In laatstgenoemde rentevisie staat de driemaands Euribor aan het einde van het derde kwartaal van 2008 op 4,6%, een daling van 0,2% ten opzichte van het einde van het tweede kwartaal 2008, terwijl in het stuk van
16 juni 2008 wordt vermeld dat een renteverlaging eerst rond de jaarwisseling van 2008 is te verwachten.
5.6.
Ook de gestelde provisie van € 68.000 kan het beroep op dwaling niet rechtvaardigen.
Anders dan [appellanten] stellen, is geen sprake van provisie, die een beloning of vergoeding voor advies inhoudt (vgl. art. 1:1 Wft). [appellanten] hebben geen feiten en omstandigheden aangevoerd, waaruit zou kunnen volgen dat Deutsche Bank een provisie van € 68.000 aan hen in rekening hebben gebracht. Het hof gaat er dan ook van uit dat genoemd bedrag de marge voor Deutsche Bank op de transactie was. Als algemeen bekend mag worden verondersteld dat in de prijs van door een bank aangeboden financiële producten onder andere een bankmarge is verdisconteerd. De omstandigheid dat een bank geen melding maakt van de bankmarge als onderdeel van het onder de renteswapovereenkomst door de cliënt verschuldigde vaste rentetarief, levert in het algemeen geen voldoende grond op voor een geslaagd beroep op dwaling (HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1046, rov. 3.7.5). [appellanten] hebben geen (voldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die dat in dit geval anders zouden maken.
Vordering onder III
5.7.
Deze vordering is gebaseerd op de schending van Deutsche Bank van haar zorgplicht jegens [appellanten] bij de totstandkoming van Renteswap 2008. Zij hebben in dit verband onder meer gesteld dat Deutsche Bank hun niet heeft gewezen op haar rentevisie. Deze stelling gaat niet op op grond van hetgeen is overwogen onder 5.5.
In dit verband stellen zij voorts dat zij voor een rentecap zouden hebben gekozen, indien Deutsche Bank dat zou hebben geadviseerd of aangeboden, gezien “de verwachte rentedaling”. Deze stelling is echter niet (voldoende) onderbouwd. De Renteswap 2008 had een looptijd van tien jaar. Uit de rentevisie van juni 2008, die slechts liep tot en met het vierde kwartaal van 2009, kan een verwachting voor een dergelijke lange termijn in redelijkheid niet worden aangenomen, nog daargelaten dat een rentevoorspelling slechts betrekkelijke waarde heeft, zoals hiervoor onder 5.5 overwogen. Andere relevante feiten en omstandigheden die “de verwachte rentedaling” kunnen adstrueren, zijn niet gesteld of gebleken. Dat tussen partijen een adviesrelatie bestond, leidt niet tot een ander oordeel.
5.8.
Deutsche Bank heeft haar zorgplicht ook niet geschonden door [appellanten] niet te wijzen op de in Renteswap 2008 verwerkte bankmarge van € 68.000, zoals zij (naar het hof begrijpt) betogen. Het mag als algemeen bekend worden verondersteld dat in de prijs van door een bank aangeboden financiële producten onder andere een bankmarge is verdisconteerd, zo is hiervoor onder 5.6 reeds overwogen.
Conclusie
5.14.
De slotsom is dat dat de grieven geen doel treffen. [appellanten] hebben geen belang bij aparte bespreking van de grieven en ook de (overige) weren van Deutsche Bank kunnen onbesproken blijven. [appellanten] hebben geen voldoende onderbouwde stellingen te bewijzen aangeboden, die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
5.15.
[appellanten] zijn in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zullen daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt deze kosten als volgt vast:
- griffierecht € 5.689,00
- anticipatie-exploot € 125,03
- salaris advocaat € 3.035,00 (tarief II, 2,5 punten)
totaal € 8.849,03
Dictum
Het hof:
6.1.
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
6.2.
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Deutsche Bank vastgesteld op € 8.849,03 en op € 178 voor nasalaris, te vermeerderen met € 92 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
6.3.
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W.M. Tromp, M.C.H. Broesterhuizen en D. Busch en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2025.
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.308.276/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/693218 / HA ZA 20-1152
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 januari 2025
inzake
1 [appellant 1] ,
2. [appellant 2],
beiden wonende te [plaats 1] ,
appellanten,
advocaat: mr. R.H. Kroes te Haarlem,
tegen
DEUTSCHE BANK AG,
gevestigd te Frankfurt am Main (Duitsland), mede kantoorhoudende te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. A.J. Haasjes te Amsterdam.
Appellanten worden hierna [appellant 1] en [appellant 2] en gezamenlijk [appellanten] genoemd. Geïntimeerde wordt hierna Deutsche Bank genoemd, ook als het haar voorganger ABN AMRO Bank N.V. betreft.
1De zaak in het kort
[appellanten] hebben in 2008 een lopende renteswap, die in 2005 was gesloten, beëindigd tegen betaling door Deutsche Bank van de positieve waarde van € 150.000 en een paar maanden later een nieuwe renteswap gesloten. [appellanten] stellen dat zij ten aanzien van een en ander hebben gedwaald, dan wel dat Deutsche Bank haar zorgplicht jegens hen heeft geschonden. De rechtbank heeft hun vorderingen afgewezen.
Procesverloop
[appellanten] zijn bij dagvaarding van 9 maart 2022 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 22 december 2021 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [appellanten] als eisers en Deutsche Bank als gedaagde. Deutsche Bank heeft op 21 maart 2022 een anticipatie-exploot laten uitbrengen.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, tevens akte wijziging van eis, met producties
- memorie van antwoord.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 15 december 2023 laten toelichten door hun voornoemde advocaten, beiden aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. Voorafgaand aan de zitting hebben [appellanten] nog een productie overgelegd.
De zaak is naar de rol verwezen voor het nemen van akten door partijen nadat de Hoge Raad arrest heeft gewezen in de hierna onder 3.14 genoemde zaak. Dat arrest is uitgesproken op
12 januari 2024 (ECLI:NL:HR:2024:18).
[appellanten] hebben vervolgens een akte, met een productie, genomen, gevolgd door een antwoordakte van Deutsche Bank.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
Feiten
De rechtbank heeft in 2.1 tot en met 2.17 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat.
Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende.
3.1.
[appellant 1] en [appellant 2] zijn levens- en zakenpartners en actief als horeca-ondernemers. Samen hebben zij het hotelcomplex Hotels [x] in [plaats 2] opgebouwd en het landgoed [plaats 3] aangekocht en gerestaureerd. In 2008 had Hotels [x] een netto-omzet van bijna € 25 miljoen en waren er nagenoeg 200 medewerkers fulltime in dienst. [appellant 1] en [appellant 2] zijn daarnaast bestuurders en aandeelhouders van BOMO III B.V. (hierna: BOMO). Sinds begin van de jaren ’90 bankieren [appellanten] bij Deutsche Bank.
3.2.
In 2002 bestond de financiering van [appellanten] bij Deutsche Bank uit een driejarige roll-over lening van € 26.300.000 en een roll-over lening met een aflopende hoofdsom van
€ 7.000.000 en een looptijd van twintig jaar. Beide leningen (hierna: de leningen) werden afgesloten tegen een variabele (Euribor)-rente vermeerderd met een opslag.
3.3.
In de daaropvolgende jaren werd(en) de (financieringen binnen de) financierings-portefeuille herhaaldelijk verlengd en/of uitgebreid.
3.4.
Op 22 november 2005 sloten [appellanten] twee renteswaps af met Deutsche Bank om het renterisico van de leningen af te dekken: Renteswap 1 (hierna ook: Renteswap 2005) met een hoofdsom van € 7.000.000, die met de twintigjarige lening correspondeert, en een vaste rente van 3,535% en Renteswap 1a met een hoofdsom van € 26.300.000, die met de genoemde driejarige roll-over lening correspondeert, en een vaste rente van 3,67%.
3.5.
Op 24 september 2007 vond op initiatief van Deutsche Bank een bespreking plaats over de privéfinanciering van landgoed [plaats 3] . Tijdens de bespreking heeft Deutsche Bank [appellanten] onder meer meegedeeld dat Renteswap 1 op dat moment een positieve waarde had van € 295.000.
3.6.
In januari 2008 nam Deutsche Bank opnieuw contact op met [appellanten] met de mededeling dat de renteswaps nog altijd een positieve waarde hadden, maar dat deze inmiddels wel lager was geworden.
3.7.
[appellanten] hebben de beide renteswaps op 31 januari 2008 beëindigd door middel van een door hen en Deutsche Bank ondertekend beëindigingsformulier. Het formulier voor Renteswap 1 luidt, voor zover relevant, als volgt:
“(…)
Betreft: Bevestiging voortijdige beëindiging renteswap
(...)
1. Hierbij bevestigt (..) [Deutsche Bank] (..) aan [ [appellanten] ] dat [Renteswap 1] per 31 januari 2008 voortijdig is beëindigd.
(...)
3. Vanwege de voortijdige beëindiging betaalt [Deutsche Bank] aan [ [appellanten] ] de som van EUR 150.000,00 per 4 februari 2008.
4. Door ondertekening van deze Bevestiging verklaart elke partij:
(...)
b. dat het bovenstaande de voorwaarden van de overeenkomst tussen partijen met betrekking tot de voortijdige beëindiging van de Transactie waarop deze Bevestiging betrekking heeft correct weergeeft.
(...)”
3.8.
Als gevolg van de voortijdige beëindiging van de renteswaps heeft Deutsche Bank aan [appellanten] op 4 februari 2008 een positieve marktwaarde van € 150.000 voor Renteswap 1 en € 765.000 voor Renteswap 1a betaald.
3.9.
Begin juni 2008 – de Euribor was sinds januari 2008 gestegen – is met [appellanten] gesproken over het opnieuw afsluiten van renteswaps.
3.10.
Een rentevisie van het Economisch Bureau van Deutsche Bank van 2 juni 2008 over het eerste kwartaal van 2008 tot en met het laatste kwartaal van 2009 luidt, voor zover relevant, als volgt:
“De ECB maakt voorlopig pas op de plaats
Veel aandacht gaat de laatste tijd uit naar de inflatie. (...) Bij herhaling laten ECB-vertegen-woordigers zich bezorgd uit over de hoge inflatie (…). (…) Bovendien heeft de eurozone-economie het in het eerste kwartaal goed gedaan – beter dan was verwacht (...). Daarom lijken de markten nu niet meer in een renteverlaging van de ECB te geloven. (...)
Wat betekent dit nu? De conclusie lijkt logisch dat van een renteverlaging door de ECB voorlopig géén sprake kan zijn. Toch is een renteverlaging voor ons nog niet van de baan. Dat heeft te maken met onze verwachtingen voor groei en inflatie. (…) Onder de veronderstelling dat de olieprijs de komende tijd vrij stabiel blijft als gevolg van de wat afnemende mondiale groei, zien wij de inflatie tegen het eind van het jaar flink dalen. In zo’n situatie kan de ECB toch de rente verlagen.
De driemaands euriborrente noteerde de hele maand mei 86 basispunten boven het refi-tarief. Er lijkt dus nog geen enkel teken te zijn dat het vertrouwen tussen banken onderling weer wat verbetert. De eenmaands euribor liep eind mei zelfs opeens 10 basispunten op. De financiële markten lijken er echter van uit te gaan dat het ergste van de kredietcrisis achter de rug is. Dat zou er dan toe moeten leiden dat de interbancaire rentes weer gaan dalen (...)
Lange rente weer omlaag?
De lange rente in de eurozone is in mei zo’n 30 basispunten opgelopen. (...) Op heel korte termijn zal daar weinig verandering in komen. Aan het slechte nieuws over de Amerikaanse economie is echter, denken wij, nog geen einde gekomen. Bovendien zal de groei in de eurozone ook inzakken. In het tweede halfjaar moeten ook weer met wat lagere lange rentes rekening worden gehouden (...). (…)”
In een overzicht in dit stuk onder de kop “Rente en valutavooruitzichten:” is bij “3m-euribor” vermeld onder “Kwartaalultimo’s”: “08Q1” 4,7, “08Q2” 4,8, “08Q3” 4,6 en “08Q4” 4,0 en onder “09Q4” 3,8.
3.11.
Een stuk genaamd “Visie op rente en euro – update” van het Economisch Bureau van Deutsche Bank van 16 juni 2008 luidt − voor zover hier relevant − als volgt:
“Inflatievrees alom – ECB gaat rente verhogen
(…) En als klap op de vuurpijl kondigde ECB-president [naam 1] bij de laatste persconferentie min of meer aan dat de ECB de rente in juli waarschijnlijk gaat verhogen. (…)
Het lijkt ons duidelijk dat van een renteverlaging in de nabije toekomst geen sprake zal zijn. (...) Wij gaan ervan uit dat de ECB de rente inderdaad in juli zal verhogen. (…) Bovendien hebben zich sindsdien geen ontwikkelingen voorgedaan die een uitstel van zo’n rentestap zouden rechtvaardigen. (…) We gaan ervan uit dat de Fed de rente dit jaar niet zal verlagen (onze visie tot begin deze maand) maar ook niet zal verhogen. De kans blijft echter groot dat zij er begin 2009 - gezien de kwakkelende economie - toch toe over zal gaan de rente weer te verlagen. We veronderstellen daarbij dat de inflatie tegen die tijd wezenlijk is afgenomen. (…) Ook in de eurozone blijft daarom een renteverlaging goed mogelijk, maar niet eerder dan ruwweg rond de jaarwisseling.
De lange rente, die de laatste weken fors is opgelopen, zal in het hierboven beschreven scenario niet blijven stijgen, maar tijdelijk wat gaan dalen.
Beoordeling
5.1.
[appellanten] hebben in hoger beroep zeven grieven aangevoerd. Zij hebben in hoger beroep geconcludeerd tot het vernietigen van het bestreden vonnis en – uitvoerbaar bij voorraad − tot het toewijzen van hun vorderingen, die na wijziging van eis, kort samengevat, als volgt luiden:
primair:
I) veroordeling van Deutsche Bank tot betaling van € 19.924,18, althans een door het hof te bepalen bedrag, zijnde de inhouding door Deutsche Bank op de werkelijke positieve waarde van Renteswap 2005 op het moment van beëindiging, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2008;
en
II) vernietiging van Renteswap 2008 wegens dwaling en veroordeling van Deutsche Bank tot terugbetaling van de per saldo teveel betaalde rente, vermeerderd met de wettelijke rente,
althans
III) verklaring voor recht dat Deutsche Bank tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen jegens [appellanten] voorafgaand aan en bij het aangaan van Renteswap 2008 en/of dat zij onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld;
en
IV) veroordeling van Deutsche Bank tot vergoeding van de door [appellanten] dientengevolge geleden schade, vermeerderd met de wettelijke rente, nader op te maken bij staat;
subsidiair:
V) verklaring voor recht dat Deutsche Bank tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen jegens [appellanten] voorafgaand aan en bij het beëindigen van Renteswap 2005 en/of dat zij onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld;
en
VI) veroordeling van Deutsche Bank tot vergoeding van de door [appellanten] dientengevolge geleden schade, vermeerderd met de wettelijke rente, nader op te maken bij staat.
Voorts vorderen [appellanten] de veroordeling van Deutsche Bank in de proceskosten, met rente en nakosten.
5.2.
Het hof zal hierna de grieven gezamenlijk aan de hand van de vorderingen bespreken. Het hof gaat er hierbij van uit dat sprake is van een adviesrelatie. Gelet op de aard van de verleende dienst − het aanbevelen om Renteswap 2005 te beëindigen en om Renteswap 2008, die voor [appellanten] geschikt is ter afdekking van hun renterisico, te sluiten −, gaat het om een op de omstandigheden van de persoon van de cliënt toegespitste aanbeveling, waarmee vaststaat dat [appellanten] door Deutsche Bank zijn geadviseerd.
Ook staat vast dat [appellanten] geen professionele beleggers in de zin van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) zijn.
Vordering onder II
5.4.
[appellanten] vorderen onder II dat Renteswap 2008 wordt vernietigd wegens dwaling.
Zij voeren daartoe, kort samengevat, het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte de mededeling van mevrouw [naam 2] , treasury advisor van Deutsche Bank, inhoudende dat de rente zou gaan stijgen en dat het daarom goed zou zijn om in 2008 opnieuw een renteswap te sluiten, gepasseerd. Deutsche Bank had voorts moeten meedelen dat er geen sprake was van een verwachte (relevante) stijging van de rente, maar wel van een verwachte daling die langdurig zou zijn bij aanhoudende slechte economische omstandigheden, die vanwege de verwachte recessie door de omgekeerde rentecurve zeer voorzienbaar was. Voorts had Deutsche Bank moeten meedelen dat zij bij het aangaan van Renteswap 2008 een provisie van circa € 68.000 zou innen.
5.5.
Het hof overweegt als volgt. De schending van de mededelingsplicht door Deutsche Bank baseren [appellanten] op de rentevisie van 2 juni 2018 van Deutsche Bank (zie 3.10), waarin een rentedaling wordt voorspeld van 4,7% in het eerste kwartaal van 2008 naar 3,8% in het laatste kwartaal van 2009, die niet is gedeeld met hen. Het beroep op het ontbreken van deze rentevisie van Deutsche Bank bij het aangaan van Renteswap 2008, kan [appellanten] echter niet baten. Het is immers, ook voor een bank, onzeker hoe de marktrente zich zal ontwikkelen en vooral op de lange(re) termijn. Rentevisies van een bank hebben daarom maar betrekkelijke waarde. Zonder bijkomende omstandigheden, die ontbreken, kan niet als juist worden aanvaard dat een bank die een renteswap aangaat met haar wederpartij ter indekking van het renterisico, per definitie, op grond van overeenkomst of wet, gehouden is haar rente-verwachting aan die wederpartij mee te delen. Dat Renteswap 2008 is afgesloten kort nadat Renteswap 2005 was beëindigd, is dus, anders dan [appellanten] kennelijk menen, geen bijkomende omstandigheid als hiervoor bedoeld.
De betrekkelijke waarde blijkt overigens reeds uit het stuk genaamd “Visie op rente en euro – update” van Deutsche Bank van 16 juni 2008 (zie 3.11), veertien dagen later dus, waarin zij terugkomt op haar rentevisie van 2 juni 2008. In laatstgenoemde rentevisie staat de driemaands Euribor aan het einde van het derde kwartaal van 2008 op 4,6%, een daling van 0,2% ten opzichte van het einde van het tweede kwartaal 2008, terwijl in het stuk van
16 juni 2008 wordt vermeld dat een renteverlaging eerst rond de jaarwisseling van 2008 is te verwachten.
5.6.
Ook de gestelde provisie van € 68.000 kan het beroep op dwaling niet rechtvaardigen.
Anders dan [appellanten] stellen, is geen sprake van provisie, die een beloning of vergoeding voor advies inhoudt (vgl. art. 1:1 Wft). [appellanten] hebben geen feiten en omstandigheden aangevoerd, waaruit zou kunnen volgen dat Deutsche Bank een provisie van € 68.000 aan hen in rekening hebben gebracht. Het hof gaat er dan ook van uit dat genoemd bedrag de marge voor Deutsche Bank op de transactie was. Als algemeen bekend mag worden verondersteld dat in de prijs van door een bank aangeboden financiële producten onder andere een bankmarge is verdisconteerd. De omstandigheid dat een bank geen melding maakt van de bankmarge als onderdeel van het onder de renteswapovereenkomst door de cliënt verschuldigde vaste rentetarief, levert in het algemeen geen voldoende grond op voor een geslaagd beroep op dwaling (HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1046, rov. 3.7.5). [appellanten] hebben geen (voldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die dat in dit geval anders zouden maken.
Vordering onder III
5.7.
Deze vordering is gebaseerd op de schending van Deutsche Bank van haar zorgplicht jegens [appellanten] bij de totstandkoming van Renteswap 2008. Zij hebben in dit verband onder meer gesteld dat Deutsche Bank hun niet heeft gewezen op haar rentevisie. Deze stelling gaat niet op op grond van hetgeen is overwogen onder 5.5.
In dit verband stellen zij voorts dat zij voor een rentecap zouden hebben gekozen, indien Deutsche Bank dat zou hebben geadviseerd of aangeboden, gezien “de verwachte rentedaling”. Deze stelling is echter niet (voldoende) onderbouwd. De Renteswap 2008 had een looptijd van tien jaar. Uit de rentevisie van juni 2008, die slechts liep tot en met het vierde kwartaal van 2009, kan een verwachting voor een dergelijke lange termijn in redelijkheid niet worden aangenomen, nog daargelaten dat een rentevoorspelling slechts betrekkelijke waarde heeft, zoals hiervoor onder 5.5 overwogen. Andere relevante feiten en omstandigheden die “de verwachte rentedaling” kunnen adstrueren, zijn niet gesteld of gebleken. Dat tussen partijen een adviesrelatie bestond, leidt niet tot een ander oordeel.
5.8.
Deutsche Bank heeft haar zorgplicht ook niet geschonden door [appellanten] niet te wijzen op de in Renteswap 2008 verwerkte bankmarge van € 68.000, zoals zij (naar het hof begrijpt) betogen. Het mag als algemeen bekend worden verondersteld dat in de prijs van door een bank aangeboden financiële producten onder andere een bankmarge is verdisconteerd, zo is hiervoor onder 5.6 reeds overwogen.
Conclusie
5.14.
De slotsom is dat dat de grieven geen doel treffen. [appellanten] hebben geen belang bij aparte bespreking van de grieven en ook de (overige) weren van Deutsche Bank kunnen onbesproken blijven. [appellanten] hebben geen voldoende onderbouwde stellingen te bewijzen aangeboden, die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
5.15.
[appellanten] zijn in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zullen daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt deze kosten als volgt vast:
- griffierecht € 5.689,00
- anticipatie-exploot € 125,03
- salaris advocaat € 3.035,00 (tarief II, 2,5 punten)
totaal € 8.849,03
Dictum
Het hof:
6.1.
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
6.2.
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Deutsche Bank vastgesteld op € 8.849,03 en op € 178 voor nasalaris, te vermeerderen met € 92 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
6.3.
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W.M. Tromp, M.C.H. Broesterhuizen en D. Busch en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2025.