Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-03-05
ECLI:NL:GHAMS:2024:999
Civiel recht
Hoger beroep
1,052 tokens
Dictum
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.327.319/01 GDW
nummer eerste aanleg : C/13/725949 / DW RK 22-440
Dictum
inzake
[appellant],
wonend te [woonplaats],
appellant,
tegen
[geïntimeerde],
toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [vestigingsplaats],
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. M. Getkate.
Partijen worden hierna klager en de gerechtsdeurwaarder genoemd.
1De zaak in het kort
Klager komt in hoger beroep van een beslissing van de kamer waarbij het door hem ingediende verzet ongegrond is verklaard. Op grond van artikel 39 lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet (hierna: Gdw) staat hiertegen geen hoger beroep open. Klager voert aan dat de kamer de door hem ingediende bewijsstukken niet heeft bekeken en de zaak slechts gedeeltelijk heeft behandeld.
Procesverloop
2.1.
Klager heeft op 18 mei 2023 een beroepschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 19 april 2023 (ECLI:NL:TGDKG:2023:33).
2.2.
Klager heeft op 30 juni 2023 aanvullende producties ingediend.
2.3.
De gerechtsdeurwaarder heeft op 4 juli 2023 een verweerschrift (over de ontvankelijkheid in hoger beroep) bij het hof ingediend.
2.4.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
2.5.
De zaak is, uitsluitend op het punt van de ontvankelijkheid, behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 21 december 2023. Klager en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen en hebben het woord gevoerd.
3Ontvankelijkheid
3.1.
Klager heeft bij de kamer een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder heeft verweer gevoerd. De voorzitter van de kamer heeft bij beslissing van 8 november 2022 de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Tegen die beslissing heeft klager tijdig verzet ingesteld bij de kamer. Bij de bestreden beslissing heeft de kamer het verzet ongegrond verklaard.
3.2.
Artikel 39 lid 4 Gdw bepaalt dat tegen de beslissing van de kamer op het verzet voor de klager geen rechtsmiddel openstaat. Dat is ook vermeld onder de bestreden beslissing. Van dit zogenoemde rechtsmiddelenverbod kan slechts onder zeer bijzondere omstandigheden worden afgeweken. Dat is onder meer het geval, indien bij de totstandkoming van de beslissing een zo fundamenteel rechtsbeginsel is veronachtzaamd, dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken.
3.3.
Klager stelt dat de kamer de bewijsstukken die hij heeft ingediend niet heeft bekeken en dat de kamer de zaak slechts gedeeltelijk heeft behandeld. Het hof stelt vast dat klager in verzet zijn oorspronkelijke klacht heeft aangevuld met nieuwe klachten. De kamer dient bij de behandeling van het verzet de oorspronkelijke klacht te toetsen. Dat heeft de kamer gedaan en het is juist dat de kamer de nieuwe klachten van klager niet heeft behandeld. Uit de overgelegde stukken en wat ter zitting in hoger beroep nog door klager is aangevoerd, is het hof ook niet gebleken van gronden voor een doorbreking van het appelverbod. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen.
3.4.
De gerechtsdeurwaarder heeft het hof verzocht klager te veroordelen in de door hem gemaakte proceskosten. Daarvoor is in deze tuchtrechtprocedure echter geen plaats.
Dictum
Het hof:
- wijst het hoger beroep tegen de beslissing van de kamer van 19 april 2023 af.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2024 door de rolraadsheer.