Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-04-08
ECLI:NL:GHAMS:2024:971
Strafrecht
Hoger beroep
1,683 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002307-21
datum uitspraak: 8 april 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 30 juli 2021 in de strafzaak onder parketnummer 13-101585-21 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,
(verblijf)adres: [adres 1]
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 maart 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 12 april 2021 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (in een woning gelegen aan [adres 2]) opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een of meer gordijn(en) en/of tapijt, althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan de woonkamer in die woning en/of de inboedel van die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de inboedel, in elk geval gemeen gevaar voor een of meer goederen in (de woonkamer van) die woning en/of levensgevaar voor een of meer omwonenden(n) (waaronder een baby), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer omwonende(n) (waaronder een baby), in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.
Schorsing van de vervolging
De raadsman heeft voorafgaand aan de zitting het hof in verschillende e-mails op de hoogte gebracht van de geestelijke toestand van de verdachte. Die is volgens de raadsman dusdanig verslechterd dat de verdachte de strekking van de vervolging niet kan begrijpen. Daarom verzoekt de verdediging het hof de vervolging te schorsen op grond van artikel 16 van het Wetboek van Strafvordering (Sv).
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat er, gezien de medische situatie van de verdachte, geen rol meer is weggelegd voor het strafrecht. Omdat er geen verbetering in de situatie van de verdachte is te verwachten, acht de advocaat-generaal afdoening van de zaak het meest pragmatisch. De zaak komt dan immers tot een definitief einde, waarbij de advocaat-generaal op voorhand heeft aangegeven een straf conform voorarrest te zullen eisen.
Het hof overweegt als volgt.
Op de voet van artikel 16 Sv dient de rechter de vervolging te schorsen indien de verdachte aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt, dat hij niet in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vordering te begrijpen.
Het hof heeft gelet op het schrijven van de behandelaar van Fivoor van 29 september 2023, de reclasseringsrapportages van 18 oktober 2023 en 21 februari 2024 en de op 20 oktober 2023 met betrekking tot de verdachte afgegeven ‘zorgmachtiging’ voor de duur van een jaar. Uit deze stukken komt naar voren dat de verdachte catatonische episoden heeft doorgemaakt, met daarnaast een mogelijk delirant beeld. In september 2023 wordt geconstateerd dat er sprake is van een achteruitgang in functioneren. Oriëntatie in tijd en plaats zijn bij tijden verstoord. De behandelaar constateert dat het toestandsbeeld fors is verslechterd ten opzichte van de periode voor opname. De reclassering beschrijft in oktober 2023, aan de hand van mededelingen van zijn behandelaars, dat er hoogstwaarschijnlijk sprake is van een dementieel beeld en dat de verdachte zijn delict niet begrijpt. Dit beeld was volgens zijn hoofdbehandelaar eind januari 2024 nog onveranderd, aldus de reclassering in februari 2024. Bij de zitting over de laatst afgegeven zorgmachtiging kon de verdachte niet meer aanwezig zijn, waar dit eerder nog wel mogelijk was geweest. De psychiater heeft in het kader van die machtigingsprocedure aangegeven dat de verdachte de laatste tijd hard achteruit is gegaan. Gezien dit geschetste toestandsbeeld van de verdachte is het hof met de raadsman van oordeel dat de verdachte niet in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen.
De rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over het in artikel 6 EVRM verzekerde recht op een eerlijk proces houdt in dat de verdachte effectief moet kunnen deelnemen aan de strafprocedure (effective participation). Uit dit recht vloeit voort dat de strafprocedure niet kan worden voortgezet als de verdachte vanwege (bijvoorbeeld) een psychogeriatrische aandoening niet in staat is tot effectieve deelname aan die procedure. Schorsing van de vervolging op grond van artikel 16 lid 1 Sv leidt ertoe dat de strafprocedure niet wordt voortgezet, terwijl die schorsing op grond van artikel 16 lid 2 Sv alleen dan kan worden opgeheven als van het herstel van de verdachte is gebleken. Daarmee vormt de regeling van artikel 16 Sv in het licht van artikel 6 EVRM een passende waarborg.
Op grond van hetgeen is bepaald in artikel 16 Sv moet het hof de vervolging dan ook schorsen.
In dat licht bezien is er naar het oordeel van het hof geen ruimte voor een inhoudelijk oordeel over de zaak, zoals voorgestaan door de advocaat-generaal.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Schorst de vervolging van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.F.E. Geerlings, mr. C.J. van der Wilt en mr. G.J.M. Kruizinga, in tegenwoordigheid van mr. D. Damman en B. Akinrolabu, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 april 2024.