Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-04-11
ECLI:NL:GHAMS:2024:929
Strafrecht
Hoger beroep
2,745 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002404-23
datum uitspraak: 11 april 2024
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 28 augustus 2023 in de strafzaak onder de parketnummers 13-102943-23 en 01-119380-20 (TUL) tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
adres: [adres 1].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
28 maart 2024.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij in of omstreeks 18 april 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door haar in het gezicht/ tegen het hoofd te slaan en/of door goederen tegen haar hoofd te gooien.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 18 april 2023 te Amsterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door haar tegen het hoofd te slaan.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Het standpunt van de raadsman, inhoudende dat de verdachte moet worden vrijgesproken omdat de aangifte onvoldoende door ander bewijs wordt gesteund, wordt weerlegd door de inhoud van deze bewijsmiddelen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straffen
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest. Daarbij heeft de politierechter bijzondere voorwaarden gesteld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren, te vervangen door 15 dagen hechtenis indien deze taakstraf niet wordt uitgevoerd en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaar. Daarbij heeft zij gevorderd dat de verdachte zich gedurende de proeftijd moet houden aan de bijzondere voorwaarden zoals deze ook door de politierechter zijn gesteld.
De raadsman heeft het hof verzocht geen (voorwaardelijke) gevangenisstraf op te leggen. Meer in het bijzonder heeft de raadsman aangevoerd dat dit de zoektocht naar een woning voor de verdachte bemoeilijkt. Voorts zou een taakstraf een goede stok achter de deur zijn. De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte mee zal werken aan hulpverlening.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich in de gezamenlijke woning schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn vriendin. Door haar te slaan heeft hij haar pijn en letsel toegebracht. Huiselijk geweld tast de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer aan en het gevoel van veiligheid dat een ieder in zijn huis behoort te kunnen hebben.
Het hof houdt rekening met het over de verdachte uitgebrachte rapport van de Reclassering Nederland van 14 augustus 2023. De reclassering adviseert om aan de verdachte als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting en een andere voorwaarde het gedrag betreffende – te weten: meewerken aan schuldhulpverlening – op te leggen in het kader van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf.
Het hof acht het - met de advocaat-generaal, de verdediging en de reclassering - van belang dat de verdachte zich onder behandeling zal stellen voor zijn verslaving aan alcohol en drugs en hij zal worden begeleid op de verschillende leefgebieden. Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Het hof zal daarbij de bijzondere voorwaarden opleggen die de reclassering heeft geadviseerd.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Vordering tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 29 oktober 2020 opgelegde voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 16 uren, subsidiair 8 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat het hof de vordering toewijst.
De raadsman heeft het hof ter terechtzitting verzocht de vordering af te wijzen gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
- zich binnen zeven dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op het adres [adres 2]. Hij blijft zich melden op afspraken met de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- meewerkt aan een ambulant behandeltraject bij de verslavingsinstelling [instelling 1] en de GGZ-instelling [instelling 2], of een soortgelijke instelling, voor zo lang als door de reclassering nodig geacht;
- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen of financiële bewindvoering. Hij geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van, parketnummer 01-119380-20, te weten:
taakstraf voor de duur van 16 (zestien) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L.M. van der Voet, mr. R.P. den Otter en mr. A. Boer, in tegenwoordigheid van
mr. A.C. Vermeijden, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 april 2024.
Mr. A. Boer is verhinderd dit arrest te ondertekenen.