Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-02-27
ECLI:NL:GHAMS:2024:432
Strafrecht
Hoger beroep
1,134 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-000375-22 (ontneming)
Datum uitspraak: 27 februari 2024
VERSTEK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 3 februari 2022 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de ontnemingszaak met nummer 15-272555-20 tegen de betrokkene:
[verdachte01]
,
geboren op [geboortedatum01] 1965 te [geboorteplaats01] ,
adres: [adres01] .
Procesgang
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 5 Sr wordt geschat, wordt vastgesteld op € 74.757,05 en aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag. Ter terechtzitting in eerste aanleg van 20 januari 2022 heeft de officier van justitie dit bedrag gesteld op € 51.720,10.
De rechtbank heeft bij vonnis van 3 februari 2022 het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 51.720,10 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
Namens de betrokkene is hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 februari 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende bevestiging van het vonnis van de rechtbank.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande dat het hof:
de tweede alinea onder paragraaf 1 op pagina 1 van het vonnis (beginnend met
“De officier van justitie baseert…”
en eindigend met
“voordeel heeft verkregen”
) niet overneemt;
de tekst onder paragraaf 5.1 op pagina 2 van het vonnis niet overneemt en vervangt door:
“De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 27 februari 2024 veroordeeld ter zake van onder meer – kort gezegd – het medeplegen van hennepteelt op 6 februari 2020. De betrokkene heeft door middel van of uit de baten van de op die datum aangetroffen hennepteelt geen voordeel verkregen. Het hof is van oordeel dat de betrokkene door middel van of uit de baten van andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, voordeel heeft verkregen. Dit blijkt uit de feiten en omstandigheden die hierna zullen worden besproken.”
;
het vonnis aanvult met het volgende bewijsmiddel:
Een proces-verbaal ‘indicatoren eerdere oogsten’ van 20 augustus 2020 met nummer PL1100-2019198633-26, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant01] en [verbalisant02] (pagina’s 55 tot en met 60).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten:
De ontnemingsperiode betreft de periode van 1 augustus 2018 tot en met 6 februari 2020. Indien vervuiling in de hennepkwekerij en van de hennep gerelateerde goederen een belangrijke rol speelt bij de vaststelling van eerdere opbrengsten uit de aangetroffen hennepkwekerij kunnen niet meer dan vijf eerdere oogsten vastgesteld worden. De vervuiling is in drie categorieën in te delen, namelijk: licht vervuild, gemiddeld vervuild en zwaar vervuild. In de aangetroffen kwekerij op perceel [adres02] te Westbeemster was er sprake van zware vervuiling. Gezien de vastgestelde indicatoren kan vastgesteld worden dat er meer dan vijf eerdere opbrengsten uit de hennepkwekerij hebben plaatsgevonden. Echter, niet is vast te stellen hoeveel meer dan de berekende vijf eerdere opbrengsten er hebben plaatsgevonden. Derhalve is in het voordeel van de verdachte bij de berekening uitgegaan van vijf eerdere oogsten.
Dictum
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. E. Mijnsberge en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 februari 2024.
Mr. Mijnsberge is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.