Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-11-06
ECLI:NL:GHAMS:2024:3759
Strafrecht
Hoger beroep
8,182 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2024:3759 text/xml public 2026-04-17T13:58:50 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2024-11-06 23-000655-24 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2024:2732, Overig Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2024:3759 text/html public 2026-04-17T13:55:55 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2024:3759 Gerechtshof Amsterdam , 06-11-2024 / 23-000655-24 Bevestiging behalve t.a.v. opgelegde ISD-maatregel, nu het hof daaraan een tussentijdse beoordeling zal verbinden + aanvulling bwm. afdeling strafrecht parketnummer: 23-000655-24 datum uitspraak: 6 november 2024 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 14 maart 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-341632-23 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980, thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [detentieadres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 oktober 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde ISD-maatregel, gelet op het feit dat het hof daaraan een tussentijdse beoordeling zal verbinden. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd en met dien verstande dat het hof: - ten aanzien van feit 2 het bewijsmiddel ‘Een proces-verbaal van aangifte met fotobijlagen’ aanvult met de volgende passage: “Fotoblad, Foto 1 (pagina 46 van 58) :-38,00 EUR, van [slachtoffer] [iban 1] naar [bedrijf] , omschrijving: 18-10-2023 04:34 en Foto 2 (pagina 47 van 58): . van [slachtoffer] [iban 2] naar [bedrijf] , omschrijving: 18-10-2023 04:35.” Omwille van de duidelijkheid in de fase van de tenuitvoerlegging en executie zal het hof in het dictum tevens de in eerste aanleg toegewezen schadevergoedingsmaatregel opnemen. Ondubbelzinnig dient immers te blijken welke maatregelen zijn opgelegd, ter voorkoming van misverstanden. Oplegging van maatregel De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte weliswaar voldoet aan de criteria voor het opleggen van de ISD-maatregel, maar dat het opleggen van deze maatregel niet opportuun is. Hij heeft verwezen naar een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 oktober 2021 in de zaak jegens de verdachte met parketnummer 23-002655-20. In die zaak heeft het hof kort gezegd geoordeeld dat oplegging van de ISD-maatregel, gelet op de consequente weigering van de verdachte om mee te werken aan de maatregel, geen passende maatregel is. De raadsman heeft aangevoerd dat de weigerachtige houding van de verdachte ten aanzien van de in het kader van die maatregel te bieden hulp ongewijzigd is en heeft verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest. Mocht het hof de oplegging van de ISD-maatregel wel opportuun achten, dan heeft de raadsman subsidiair verzocht om op grond van artikel 38n, tweede lid, Sr de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd in minder te brengen op de duur van de op te leggen maatregel, nu de ISD-maatregel gelet op de afwijzende houding van de verdachte met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid neerkomt op langdurige detentie. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen, waarbij geldt dat het hof de hierna cursief weergegeven tekst overneemt uit het in eerste aanleg gewezen vonnis en die overwegingen tot de overwegingen van het hof maakt. Ernst van de feiten De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van een winkeldiefstal. De verdachte heeft in een supermarkt vijf duopakken koffie uit zijn winkelmandje in een boodschappentas gedaan en is zonder deze te betalen de kassa gepasseerd. Winkeldiefstal is een ergerlijk feit. Door winkeldiefstallen wordt naast de ergernis, veel schade toegebracht aan de gedupeerde winkelbedrijven. Daarnaast heeft de verdachte twee geldbedragen gepind met gestolen pinpassen. Hierdoor is financiële schade ontstaan bij de eigenaar van deze pinpassen. Door zijn handelen heeft de verdachte getoond geen enkel respect te hebben voor andermans eigendommen. Persoon van de verdachte Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand, omvangrijk, Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 29 december 2023, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder voor vermogensdelicten onherroepelijk tot vrijheidsbenemende straffen is veroordeeld en dat hem in 2015 de ISD-maatregel is opgelegd. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting. Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies gedateerd 26 februari 2024 van [persoon] , als reclasseringswerker verbonden aan GGZ Reclassering Inforsa te Amsterdam. In dit rapport wordt geconcludeerd dat een langdurige opname gericht op diagnostiek en behandeling al jarenlang door de reclassering geïndiceerd wordt geacht om te komen tot gedragsverandering en vermindering van recidive. De reclassering adviseert bij een veroordeling aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Dit advies is (zakelijk weergegeven) als volgt onderbouwd: Er is sprake van een zeer onstabiele leefsituatie waarbij het harddrugsgebruik van betrokkene centraal staat. De heer [verdachte] woont, na jarenlang dakloos te zijn geweest, sinds december 2023 bij [instelling] . Betrokkene is niet afsprakentrouw en houdt zich niet aan afspraken met de verslavingsarts. Basale dingen, zoals het opstarten van een uitkering, komen door de houding van betrokkene niet van de grond. Betrokkene verdween tijdens zijn verblijf bij [instelling] een week uit beeld en keerde naar Haarlem terug om middelen te gebruiken. Er is sprake van psychische problematiek en schuldenproblematiek. Betrokkene toont geen probleeminzicht, toont zich manipulatief en lijkt zichzelf te overschatten. Daarbij lijkt er sprake van onrealistische ideeën en stelt hij verslaafd te zijn aan stelen. Betrokkene is zorgmijdend en houdt al jarenlang het contact met reclassering of hulpverlening af. De heer [verdachte] ging echter wel in gesprek met rapporteur voor onderhavig rapport en stelt mee te willen werken, aan zijn eigen plan van aanpak. Zo geeft hij aan mee te zullen werken met ambulante hulpverlening. Reclassering Inforsa ziet vanwege de forse problematiek en de noodzaak tot diagnostiek, hetgeen niet tot stand kan komen indien betrokkene middelen gebruikt, geen mogelijkheden om betrokkene te begeleiden binnen een ambulant kader. Daarnaast heeft Reclassering Inforsa er geen vertrouwen in dat betrokkene zijn medewerking zal verlenen aan een ambulante behandeling, indien hij in vrijheid wordt gesteld. Een langdurige opname gericht op diagnostiek en behandeling wordt al jarenlang door zowel de reclassering als hulpverlening geïndiceerd om te komen tot gedragsverandering en het hoge risico op recidive te verminderen. Een eerdere opname in 2017 in de kliniek [kliniek] , in het kader van de extramurale fase van de ISD-maatregel, brak betrokkene na enkele weken voortijdig af.
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2024:3759 text/xml public 2026-04-17T13:58:50 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2024-11-06 23-000655-24 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2024:2732, Overig Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2024:3759 text/html public 2026-04-17T13:55:55 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2024:3759 Gerechtshof Amsterdam , 06-11-2024 / 23-000655-24 Bevestiging behalve t.a.v. opgelegde ISD-maatregel, nu het hof daaraan een tussentijdse beoordeling zal verbinden + aanvulling bwm. afdeling strafrecht parketnummer: 23-000655-24 datum uitspraak: 6 november 2024 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 14 maart 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-341632-23 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980, thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [detentieadres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 oktober 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde ISD-maatregel, gelet op het feit dat het hof daaraan een tussentijdse beoordeling zal verbinden. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd en met dien verstande dat het hof: - ten aanzien van feit 2 het bewijsmiddel ‘Een proces-verbaal van aangifte met fotobijlagen’ aanvult met de volgende passage: “Fotoblad, Foto 1 (pagina 46 van 58) :-38,00 EUR, van [slachtoffer] [iban 1] naar [bedrijf] , omschrijving: 18-10-2023 04:34 en Foto 2 (pagina 47 van 58): . van [slachtoffer] [iban 2] naar [bedrijf] , omschrijving: 18-10-2023 04:35.” Omwille van de duidelijkheid in de fase van de tenuitvoerlegging en executie zal het hof in het dictum tevens de in eerste aanleg toegewezen schadevergoedingsmaatregel opnemen. Ondubbelzinnig dient immers te blijken welke maatregelen zijn opgelegd, ter voorkoming van misverstanden. Oplegging van maatregel De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte weliswaar voldoet aan de criteria voor het opleggen van de ISD-maatregel, maar dat het opleggen van deze maatregel niet opportuun is. Hij heeft verwezen naar een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 oktober 2021 in de zaak jegens de verdachte met parketnummer 23-002655-20. In die zaak heeft het hof kort gezegd geoordeeld dat oplegging van de ISD-maatregel, gelet op de consequente weigering van de verdachte om mee te werken aan de maatregel, geen passende maatregel is. De raadsman heeft aangevoerd dat de weigerachtige houding van de verdachte ten aanzien van de in het kader van die maatregel te bieden hulp ongewijzigd is en heeft verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest. Mocht het hof de oplegging van de ISD-maatregel wel opportuun achten, dan heeft de raadsman subsidiair verzocht om op grond van artikel 38n, tweede lid, Sr de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd in minder te brengen op de duur van de op te leggen maatregel, nu de ISD-maatregel gelet op de afwijzende houding van de verdachte met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid neerkomt op langdurige detentie. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen, waarbij geldt dat het hof de hierna cursief weergegeven tekst overneemt uit het in eerste aanleg gewezen vonnis en die overwegingen tot de overwegingen van het hof maakt. Ernst van de feiten De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van een winkeldiefstal. De verdachte heeft in een supermarkt vijf duopakken koffie uit zijn winkelmandje in een boodschappentas gedaan en is zonder deze te betalen de kassa gepasseerd. Winkeldiefstal is een ergerlijk feit. Door winkeldiefstallen wordt naast de ergernis, veel schade toegebracht aan de gedupeerde winkelbedrijven. Daarnaast heeft de verdachte twee geldbedragen gepind met gestolen pinpassen. Hierdoor is financiële schade ontstaan bij de eigenaar van deze pinpassen. Door zijn handelen heeft de verdachte getoond geen enkel respect te hebben voor andermans eigendommen. Persoon van de verdachte Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand, omvangrijk, Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 29 december 2023, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder voor vermogensdelicten onherroepelijk tot vrijheidsbenemende straffen is veroordeeld en dat hem in 2015 de ISD-maatregel is opgelegd. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting. Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies gedateerd 26 februari 2024 van [persoon] , als reclasseringswerker verbonden aan GGZ Reclassering Inforsa te Amsterdam. In dit rapport wordt geconcludeerd dat een langdurige opname gericht op diagnostiek en behandeling al jarenlang door de reclassering geïndiceerd wordt geacht om te komen tot gedragsverandering en vermindering van recidive. De reclassering adviseert bij een veroordeling aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Dit advies is (zakelijk weergegeven) als volgt onderbouwd: Er is sprake van een zeer onstabiele leefsituatie waarbij het harddrugsgebruik van betrokkene centraal staat. De heer [verdachte] woont, na jarenlang dakloos te zijn geweest, sinds december 2023 bij [instelling] . Betrokkene is niet afsprakentrouw en houdt zich niet aan afspraken met de verslavingsarts. Basale dingen, zoals het opstarten van een uitkering, komen door de houding van betrokkene niet van de grond. Betrokkene verdween tijdens zijn verblijf bij [instelling] een week uit beeld en keerde naar Haarlem terug om middelen te gebruiken. Er is sprake van psychische problematiek en schuldenproblematiek. Betrokkene toont geen probleeminzicht, toont zich manipulatief en lijkt zichzelf te overschatten. Daarbij lijkt er sprake van onrealistische ideeën en stelt hij verslaafd te zijn aan stelen. Betrokkene is zorgmijdend en houdt al jarenlang het contact met reclassering of hulpverlening af. De heer [verdachte] ging echter wel in gesprek met rapporteur voor onderhavig rapport en stelt mee te willen werken, aan zijn eigen plan van aanpak. Zo geeft hij aan mee te zullen werken met ambulante hulpverlening. Reclassering Inforsa ziet vanwege de forse problematiek en de noodzaak tot diagnostiek, hetgeen niet tot stand kan komen indien betrokkene middelen gebruikt, geen mogelijkheden om betrokkene te begeleiden binnen een ambulant kader. Daarnaast heeft Reclassering Inforsa er geen vertrouwen in dat betrokkene zijn medewerking zal verlenen aan een ambulante behandeling, indien hij in vrijheid wordt gesteld. Een langdurige opname gericht op diagnostiek en behandeling wordt al jarenlang door zowel de reclassering als hulpverlening geïndiceerd om te komen tot gedragsverandering en het hoge risico op recidive te verminderen. Een eerdere opname in 2017 in de kliniek [kliniek] , in het kader van de extramurale fase van de ISD-maatregel, brak betrokkene na enkele weken voortijdig af.
Volledig
De heer [verdachte] staat niet open voor het door de reclassering geïndiceerde plan van aanpak. De forse verslavingsproblematiek, zwakke sociaal maatschappelijke situatie, het gebrek aan responsiviteit en probleembesef maken dat alle interventies van de reclassering en hulpverlening tot nu toe niet hebben geleid tot het doorbreken van de vicieuze cirkel en daarmee vermindering van de hoge kans op recidive. De getuige [persoon] heeft ter terechtzitting een toelichting gegeven op dit rapport en het daarin gegeven advies gehandhaafd. Onvoorwaardelijke ISD-maatregel De rechtbank sluit zich aan bij het advies van de reclassering en de vordering van de officier van justitie en acht oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaren passend en geboden. De rechtbank is van oordeel dat wordt voldaan aan de voorwaarden die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht voor het opleggen van de ISD-maatregel stelt. De door de verdachte begane feiten betreffen misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. De verdachte is in de afgelopen vijfjaren minstens driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot vrijheidsbenemende straffen en de onderhavige feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging hiervan. Er moet ernstig rekening mee gehouden worden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan en de veiligheid van goederen het opleggen van de maatregel eist. Voorts is voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in de "Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers" van het Openbaar Ministerie; verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijfjaar voorafgaand aan het bewezen verklaarde feit meer dan tien processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen van de pleegdatum van onderliggend feit. De rechtbank stelt verder vast dat tot op heden de aan de verdachte opgelegde straffen en maatregelen er niet toe hebben geleid dat het criminele gedrag van de verdachte is geëindigd en dat de maatschappij daartegen dient te worden beschermd. De rechtbank overweegt verder als volgt. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de begeleide woonvorm bij [instelling] , waar de verdachte sinds december 2023 verblijft, onvoldoende waarborgen biedt voor het terugdringen van de recidive en bescherming van de maatschappij. De rechtbank ziet geen concrete aanwijzingen dat de verdachte bij [instelling] op de goede weg was. De reclassering heeft van een begeleider bij [instelling] begrepen dat het verblijf van de verdachte moeizaam verliep. De verdachte was alleen maar bezig met het gebruik van verdovende middelen. Hij is een week weggeweest bij [instelling] en is toen teruggegaan naar zijn oude netwerk in Haarlem om heroïne te gebruiken. De verdachte wenste ook niet mee te werken aan een lichamelijk onderzoek om hem in te stellen op methadon. Ook ziet de rechtbank niet, zoals door de raadsman gesteld, dat sprake is van een afname van recidive. Alle omstandigheden afwegend is de rechtbank van oordeel dat de beveiliging van de maatschappij zwaarder moet wegen dan voortzetting van het verblijf van de verdachte bij [instelling] . Hoewel een eerder opgelegde ISD-maatregel niet heeft geleid tot resultaat en het hof in 2021 heeft geoordeeld dat het opleggen van de ISD-maatregel toen geen passende maatregel was, is de rechtbank van oordeel dat dit de oplegging van een ISD-maatregel nu niet in de weg staat. Uit het reclasseringsrapport en de ter terechtzitting gegeven toelichting daarop blijkt dat men de hoop heeft, en op grond van ervaring met andere verslaafden niet uitsluit, dat de verdachte ondanks zijn weigerachtige houding op dit moment binnen de kaders van de ISD-maatregel alsnog van zijn verslaving af kan komen en tot gedragsverandering kan komen. Na opname in de ISD kliniek zal er diagnostiek plaatsvinden. Hierna zal via een trajectbepaling een plan van aanpak worden opgesteld en zal men blijven proberen om de verdachte te motiveren voor een behandeling en abstinent te blijven van verdovende middelen. Alles afwegende is de rechtbank dan ook van oordeel dat een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaar moet worden opgelegd. Teneinde de beëindiging van de recidive van de verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven, alsmede de maatschappij zo optimaal mogelijk te beschermen, zal de rechtbank bepalen dat de gehele duur van de maatregel ten uitvoer gelegd dient te worden en dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht hierop niet in mindering dient te worden gebracht. Aanvullende overwegingen hof Met de rechtbank en op de in het vonnis verwoorde gronden, is het hof van oordeel dat de oplegging van de ISD-maatregel noodzakelijk is en dat aan de ‘harde’ en ‘zachte’ criteria voor de oplegging van de ISD-maatregel is voldaan. Alle in 38m eerste lid, aanhef en onder 1°, 2° en 3°, Sr voorwaarden zijn vervuld en de vordering van het Openbaar Ministerie voldoet aan de voorwaarden bedoeld in de "Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers" van het Openbaar Ministerie. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij eerder in een inrichting voor stelselmatige daders heeft gezeten, dat dat enerzijds goed was en dat hij dat niet alleen maar afweert. Hij had daar regelmaat, een goede baan en zat in een plusprogramma. De verdachte heeft verklaard dat hij aan zijn toekomst wil werken, dat hij inziet dat hij problemen heeft en daar hulp bij nodig heeft, maar dat hij buiten het kader van de ISD-maatregel aan zijn problematiek wil werken. Dat in dit stadium bij de verdachte de motivatie om mee te werken aan de ISD-maatregel ontbreekt, neemt naar het oordeel van het hof niet weg dat dit in de (nabije) toekomst kan veranderen, zodra de verdachte inziet dat hij daarmee ook zijn eigen belang het beste dient. Zoals volgt uit voornoemd reclasseringsrapport en de toelichting van de reclasseringswerker ter terechtzitting in eerste aanleg zijn er geen reële mogelijkheden de verdachte de – in het kader van recidivevermindering – noodzakelijk geachte (klinische) behandeling te laten ondergaan in een ander kader dan dat van de ISD-maatregel. Naar het oordeel van het hof biedt het voornemen van de verdachte om zelfstandig aan zijn problematiek te werken onvoldoende waarborgen om terugval te voorkomen en het recidivegevaar te beperken. Gelet op het voorgaande, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en mede gelet op de veelvuldigheid van voorafgegane veroordelingen wegens misdrijf, ziet het hof reden om tot de oplegging van de ISD-maatregel over te gaan. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat anders dan is overwogen in eerdergenoemd arrest van het hof van 25 oktober 2021 thans in voldoende mate aannemelijk is geworden dat plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders zinvol is. Het standpunt van de raadsman wordt op grond van het voorgaande verworpen. Het hof acht de oplegging van de ISD-maatregel mitsdien passend en geboden. Tot aftrek van voorarrest op de duur van de maatregel zal het hof, anders dan bepleit, niet overgaan, omdat dat de potentiële effectiviteit van de maatregel op recidivevermindering zou ondergraven. Wel acht het hof het wenselijk en noodzakelijk dat een vinger aan de pols wordt gehouden bij de tenuitvoerlegging van de maatregel. Het hof zal daarom bepalen dat het Openbaar Ministerie binnen twaalf maanden na het onherroepelijk worden van dit arrest de rechtbank zal berichten over de noodzaak en wenselijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel, zoals bedoeld in artikel 38n, derde lid, Sr. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen ISD-maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde ISD-maatregel en doet in zoverre opnieuw recht. Legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren .
Volledig
De heer [verdachte] staat niet open voor het door de reclassering geïndiceerde plan van aanpak. De forse verslavingsproblematiek, zwakke sociaal maatschappelijke situatie, het gebrek aan responsiviteit en probleembesef maken dat alle interventies van de reclassering en hulpverlening tot nu toe niet hebben geleid tot het doorbreken van de vicieuze cirkel en daarmee vermindering van de hoge kans op recidive. De getuige [persoon] heeft ter terechtzitting een toelichting gegeven op dit rapport en het daarin gegeven advies gehandhaafd. Onvoorwaardelijke ISD-maatregel De rechtbank sluit zich aan bij het advies van de reclassering en de vordering van de officier van justitie en acht oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaren passend en geboden. De rechtbank is van oordeel dat wordt voldaan aan de voorwaarden die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht voor het opleggen van de ISD-maatregel stelt. De door de verdachte begane feiten betreffen misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. De verdachte is in de afgelopen vijfjaren minstens driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot vrijheidsbenemende straffen en de onderhavige feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging hiervan. Er moet ernstig rekening mee gehouden worden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan en de veiligheid van goederen het opleggen van de maatregel eist. Voorts is voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in de "Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers" van het Openbaar Ministerie; verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijfjaar voorafgaand aan het bewezen verklaarde feit meer dan tien processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen van de pleegdatum van onderliggend feit. De rechtbank stelt verder vast dat tot op heden de aan de verdachte opgelegde straffen en maatregelen er niet toe hebben geleid dat het criminele gedrag van de verdachte is geëindigd en dat de maatschappij daartegen dient te worden beschermd. De rechtbank overweegt verder als volgt. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de begeleide woonvorm bij [instelling] , waar de verdachte sinds december 2023 verblijft, onvoldoende waarborgen biedt voor het terugdringen van de recidive en bescherming van de maatschappij. De rechtbank ziet geen concrete aanwijzingen dat de verdachte bij [instelling] op de goede weg was. De reclassering heeft van een begeleider bij [instelling] begrepen dat het verblijf van de verdachte moeizaam verliep. De verdachte was alleen maar bezig met het gebruik van verdovende middelen. Hij is een week weggeweest bij [instelling] en is toen teruggegaan naar zijn oude netwerk in Haarlem om heroïne te gebruiken. De verdachte wenste ook niet mee te werken aan een lichamelijk onderzoek om hem in te stellen op methadon. Ook ziet de rechtbank niet, zoals door de raadsman gesteld, dat sprake is van een afname van recidive. Alle omstandigheden afwegend is de rechtbank van oordeel dat de beveiliging van de maatschappij zwaarder moet wegen dan voortzetting van het verblijf van de verdachte bij [instelling] . Hoewel een eerder opgelegde ISD-maatregel niet heeft geleid tot resultaat en het hof in 2021 heeft geoordeeld dat het opleggen van de ISD-maatregel toen geen passende maatregel was, is de rechtbank van oordeel dat dit de oplegging van een ISD-maatregel nu niet in de weg staat. Uit het reclasseringsrapport en de ter terechtzitting gegeven toelichting daarop blijkt dat men de hoop heeft, en op grond van ervaring met andere verslaafden niet uitsluit, dat de verdachte ondanks zijn weigerachtige houding op dit moment binnen de kaders van de ISD-maatregel alsnog van zijn verslaving af kan komen en tot gedragsverandering kan komen. Na opname in de ISD kliniek zal er diagnostiek plaatsvinden. Hierna zal via een trajectbepaling een plan van aanpak worden opgesteld en zal men blijven proberen om de verdachte te motiveren voor een behandeling en abstinent te blijven van verdovende middelen. Alles afwegende is de rechtbank dan ook van oordeel dat een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaar moet worden opgelegd. Teneinde de beëindiging van de recidive van de verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven, alsmede de maatschappij zo optimaal mogelijk te beschermen, zal de rechtbank bepalen dat de gehele duur van de maatregel ten uitvoer gelegd dient te worden en dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht hierop niet in mindering dient te worden gebracht. Aanvullende overwegingen hof Met de rechtbank en op de in het vonnis verwoorde gronden, is het hof van oordeel dat de oplegging van de ISD-maatregel noodzakelijk is en dat aan de ‘harde’ en ‘zachte’ criteria voor de oplegging van de ISD-maatregel is voldaan. Alle in 38m eerste lid, aanhef en onder 1°, 2° en 3°, Sr voorwaarden zijn vervuld en de vordering van het Openbaar Ministerie voldoet aan de voorwaarden bedoeld in de "Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers" van het Openbaar Ministerie. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij eerder in een inrichting voor stelselmatige daders heeft gezeten, dat dat enerzijds goed was en dat hij dat niet alleen maar afweert. Hij had daar regelmaat, een goede baan en zat in een plusprogramma. De verdachte heeft verklaard dat hij aan zijn toekomst wil werken, dat hij inziet dat hij problemen heeft en daar hulp bij nodig heeft, maar dat hij buiten het kader van de ISD-maatregel aan zijn problematiek wil werken. Dat in dit stadium bij de verdachte de motivatie om mee te werken aan de ISD-maatregel ontbreekt, neemt naar het oordeel van het hof niet weg dat dit in de (nabije) toekomst kan veranderen, zodra de verdachte inziet dat hij daarmee ook zijn eigen belang het beste dient. Zoals volgt uit voornoemd reclasseringsrapport en de toelichting van de reclasseringswerker ter terechtzitting in eerste aanleg zijn er geen reële mogelijkheden de verdachte de – in het kader van recidivevermindering – noodzakelijk geachte (klinische) behandeling te laten ondergaan in een ander kader dan dat van de ISD-maatregel. Naar het oordeel van het hof biedt het voornemen van de verdachte om zelfstandig aan zijn problematiek te werken onvoldoende waarborgen om terugval te voorkomen en het recidivegevaar te beperken. Gelet op het voorgaande, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en mede gelet op de veelvuldigheid van voorafgegane veroordelingen wegens misdrijf, ziet het hof reden om tot de oplegging van de ISD-maatregel over te gaan. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat anders dan is overwogen in eerdergenoemd arrest van het hof van 25 oktober 2021 thans in voldoende mate aannemelijk is geworden dat plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders zinvol is. Het standpunt van de raadsman wordt op grond van het voorgaande verworpen. Het hof acht de oplegging van de ISD-maatregel mitsdien passend en geboden. Tot aftrek van voorarrest op de duur van de maatregel zal het hof, anders dan bepleit, niet overgaan, omdat dat de potentiële effectiviteit van de maatregel op recidivevermindering zou ondergraven. Wel acht het hof het wenselijk en noodzakelijk dat een vinger aan de pols wordt gehouden bij de tenuitvoerlegging van de maatregel. Het hof zal daarom bepalen dat het Openbaar Ministerie binnen twaalf maanden na het onherroepelijk worden van dit arrest de rechtbank zal berichten over de noodzaak en wenselijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel, zoals bedoeld in artikel 38n, derde lid, Sr. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen ISD-maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde ISD-maatregel en doet in zoverre opnieuw recht. Legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren .