Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-12-17
ECLI:NL:GHAMS:2024:3640
Strafrecht
Raadkamer
1,841 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
beklagkamer
rekestnummer K24/230090
Beschikking op het beklag van:
[klager]
,
klager,
woonplaats kiezende op het kantooradres van zijn gemachtigde:
mr. S.D. Polat, advocaat te Amsterdam.
1Het beklag
Het hof heeft op 5 maart 2024 het klaagschrift ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam om geen strafvervolging in te stellen tegen [beklaagde] (hierna: beklaagde) ter zake van groepsbelediging, aanzetten tot haat/discriminatie en eenvoudige belediging met discriminatoir karakter.
2Het verslag van de advocaat-generaal
Bij verslag van 23 oktober 2024 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag af te wijzen.
3De voorhanden stukken
Het hof heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift met bijlagen;
- het verslag van de advocaat-generaal;
- het dossier van de politie;
- het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam van 16 mei 2024;
- de processen-verbaal van de raadkamers van 4 juli 2024 en 15 augustus 2024.
4De behandeling in raadkamer
Het hof heeft klager in de gelegenheid gesteld op 14 november 2024 het beklag toe te lichten. Klager is, bijgestaan door de gemachtigde, in raadkamer verschenen en heeft het beklag toegelicht en gehandhaafd.
De advocaat-generaal is bij de behandeling in raadkamer aanwezig geweest. In hetgeen in raadkamer naar voren is gekomen heeft deze geen aanleiding gevonden de conclusie in het verslag te herzien.
Beoordeling
De feitelijke uitgangspunten van het beklag
Op 1 november 2023 ziet klager een filmpje op social media over een bewonersbijeenkomst in Den Bosch, georganiseerd door de gemeente. De burgemeester was hierbij ook aanwezig.
De aanleiding voor de bijeenkomst betrof de komst van twee opvangcentra voor asielzoekers. De media waren daar niet welkom, maar een bezoeker maakte opnames met zijn telefoon. Door een aanwezig bewoner wordt gezegd: "Mensen uit Syrië, dat zijn de ergste die er zijn, dat zijn gewoon de ergste van de hele wereldbevolking. En die douwen ze dan bij ons op Zuid neer. Dat mensen geholpen moeten worden, daar sta ik achter. Maar dan moeten het wel mensen zijn die hulp nodig hebben, en DIE mensen hebben geen hulp nodig. Alles wat er gebeurt, Syrië staat bovenaan."
Beklaagde heeft daarop gereageerd met de woorden: "Dat is niet waar, dat is Marokko".
Klager meent dat deze uitlating van beklaagde dient te worden bezien in de context van het volledige gesprek en niet - zoals de officier van justitie volgens hem heeft gedaan - uitsluitend als een (geïsoleerde) reactie op de woorden "Syrië staat bovenaan". Klager meent dat de reactie van beklaagde óók volgt op wat er direct daaraan voorafgaand (en hierboven geciteerd) door de bewoner is geuit. Deze woorden van de bewoner kunnen volgens klager niet anders worden opgevat dan dat de strekking hiervan is dat Syriërs de ergste mensen zijn mede omdat zij de meeste overlast veroorzaken. De reactie van beklaagde is volgens klager (mede) een reactie dáárop. Klager meent dat de uitlating van beklaagde zodoende een uitlating is over een groep mensen op grond van hun ras.
Voor de weergave van de feitelijke uitgangspunten die van belang zijn voor de beoordeling verwijst het hof naar de inhoud van het verslag.
Overwegingen
Het hof heeft te beoordelen of de strafrechter die over deze zaak zou moeten oordelen – al dan niet na nader onderzoek – zou kunnen komen tot een veroordeling voor enig strafbaar feit. Daarnaast moet het hof beoordelen of er, gelet op alle omstandigheden, voldoende belang is bij het alsnog instellen van strafrechtelijke vervolging. Indien het antwoord op beide vragen bevestigend luidt, zal een bevel tot vervolging worden gegeven.
In artikel 137c lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is strafbaar gesteld het zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 16 december 2014 uiteengezet langs welke lijn de juridische toets voor strafbaarheid op grond van artikel 137c Sr dient plaats te vinden;
Is de uitlating op zichzelf beledigend of gelet op de context beledigend voor een groep?
Neemt de context waarin de uitlating is gedaan het beledigende karakter van de uitlating weg? (Kan de uitlating in de context waarin deze is gedaan een bijdrage leveren aan het publieke debat of is het een uiting van artistieke expressie?)
Is de uitlating onnodig grievend?
Op grond van de stukken en het verhandelde in raadkamer is het hof van oordeel dat, voor zover al kan worden vastgesteld dat de uitlating van beklaagde een reactie was op méér dan alleen de geuite slotwoorden van de bewoner, niet kan worden vastgesteld dat deze uitlating in dat geval zag op Marokkanen in het algemeen en niet op (overlastgevend) gedrag van een groep Marokkaanse vluchtelingen dat in kaart is gebracht, zoals door de burgemeester later ook is toegelicht. Kritiek op gedrag van een groep mensen valt buiten het bereik van artikel 137c Sr. Gedrag beperkt zich immers tot individuen die het begaan en typeert niet een groep mensen wegens hun ras.
Dit betekent dat aan de eerste stap van het toetsingskader van de Hoge Raad niet wordt voldaan zodat er geen sprake is van een strafbare uitlating als bedoeld in van artikel 137c Sr. Ditzelfde geldt voor art. 137d Sr omdat dit artikel eenzelfde toets kent voor wat betreft het bestanddeel over een groep mensen wegens hun ras.
Ten aanzien van eenvoudige belediging (art. 266 Sr) is het hof – met de officier van justitie in het ambtsbericht – van oordeel dat van een strafbare belediging geen sprake kan zijn, alleen al omdat de uitlating niet gericht was tegen een concreet persoon.
Het hof merkt hierbij nog op dat het niet voorbij wil gaan aan de emoties van de Marokkaanse gemeenschap die de uitlating van beklaagde teweeg hebben gebracht. Deze omstandigheid maakt de juridische beoordeling echter niet anders.
Het hof is dan ook van oordeel dat er goede redenen zijn om in deze zaak geen vervolging te gelasten. Het beklag is ongegrond.
Het hof zal daarom als volgt beslissen.
Dictum
Het hof wijst het beklag af.
Deze beschikking, waartegen voor betrokkenen geen rechtsmiddel openstaat, is gegeven op
17 december 2024 door mrs. E. van Die, voorzitter, N. van der Wijngaart en N.C. Laatsch, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. B. Berberoğlu, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.
ECLI:NL:HR:2014:3583, NJ 2015/108