Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-02-15
ECLI:NL:GHAMS:2024:342
Strafrecht
Hoger beroep
2,331 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummers: 23-000192-23, 96-200650-18 (TUL) en 96-239678-18 (TUL)
datum uitspraak: 15 februari 2024
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 29 augustus 2022 in de strafzaak onder parketnummers
96-235265-21, 96-200650-18 (TUL) en 96-239678-18 (TUL) tegen:
[verdachte01]
,
geboren te [geboorteplaats01] ( [geboorteland01] ) op [geboortedatum01] 1990,
adres: [adres01] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
1 februari 2024.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 30 augustus 2021 te Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig (snorfiets) heeft gereden op de weg, Spaarndammerdijk, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering.
Bewijsoverweging
Het hof stelt op basis van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 30 augustus 2021 zagen verbalisanten [verbalisant01] en [verbalisant02] om 14.19 uur de verdachte als bestuurder op een motorrijtuig, zijnde een snorfiets, rijden op de Spaarndammerdijk te Amsterdam. Tijdens de controle naar aanleiding van de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde bepalingen zagen zij dat de verdachte niet in het bezit was van een geldig Nederlands rijbewijs.
De verdachte heeft ten tijde van zijn staandehouding geen verklaring afgelegd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bevestigd dat aan de verdachte geen rijbewijs was afgegeven.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 30 augustus 2021 te Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig (snorfiets) heeft gereden op de weg, Spaarndammerdijk, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De kantonrechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een hechtenis voor de duur van 6 weken.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een hechtenis voor de duur van 6 weken waarvan 3 weken voorwaardelijk met een proeftijd van
2 jaren.
De raadsman heeft verzocht een voorwaardelijke hechtenis op te leggen voor de duur van 2 weken. Hiertoe heeft hij het volgende aangevoerd. Op het moment dat de politie in 2022 de verdachte in zijn woning probeerde aan te houden in relatie tot de onderhavige zaak, is hij van het balkon gevallen en ernstig gewond geraakt. Hij heeft in beide benen meerdere breuken opgelopen waarvan hij sindsdien aan het revalideren is. De verdachte heeft zijn werk als kok hervat en sinds dit jaar een nieuwe baan bij [bedrijf01] . De vrouw van de verdachte is bijna 8 maanden in verwachting van hun eerste kind en zij is afgelopen nacht door de huurbaas geduwd toen hij hen het huis uit wilde zetten. Ten gevolge hiervan heeft de verdachte zijn vrouw vandaag naar het ziekenhuis moeten brengen voor controle én moet hij halsoverkop op zoek naar een nieuwe woning voor hemzelf en zijn (toekomstige) gezin.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft op de openbare weg een motorrijtuig, zijnde een snorfiets, bestuurd, terwijl hij niet in het bezit was van een daarvoor vereist rijbewijs. Daarmee heeft de verdachte er blijk van gegeven zich niets gelegen te laten aan de geldende verkeersregels die mede zien op de veiligheid op de weg. Ook heeft hij een onverantwoord risico genomen, mede omdat hij bij het veroorzaken van een ongeval niet verzekerd zou zijn geweest. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 januari 2024 is hij vijf keer eerder voor rijden zonder rijbewijs onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel meeweegt.
Het hof houdt niettemin rekening met de persoonlijke situatie van de verdachte waarin zowel zijn gezondheid als zijn huisvestingssituatie kwetsbaar lijken te zijn. Om die reden – en om de verdachte ervan te weerhouden zich wederom aan een (soortgelijk) strafbaar feit schuldig te maken – zal het hof een deel van de straf voorwaardelijk opleggen.
Het hof acht, alles afwegende, een hechtenis van na te melden duur passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 107 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.
Vordering tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft de afwijzing gevorderd van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 22 oktober 2019 opgelegde voorwaardelijke hechtenis voor de duur van 1 week (parketnummer 96-200650-18). Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Het hof acht termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.
Vordering tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft de afwijzing gevorderd van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 22 oktober 2019 opgelegde voorwaardelijke hechtenis voor de duur van 1 week (parketnummer 96-239678-18). Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Het hof acht termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot
hechtenis
voor de duur van
6 (zes) weken
.
Bepaalt dat een gedeelte van de hechtenis, groot
3 (drie) weken
, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd
van
2 (twee) jaren
aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie van 11 augustus 2022, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 22 oktober 2019, parketnummer 96-200650-18, voorwaardelijk opgelegde hechtenis voor de duur van één week.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie van 11 augustus 2022, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 22 oktober 2019, parketnummer 96-239678-18, voorwaardelijk opgelegde hechtenis voor de duur van één week.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. Stalenhoef, mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg en mr. L.F. Roseval, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Simons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 februari 2024.
=
===
[…]
[…]
Een proces-verbaal overtreding PL134A van 27 oktober 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren.