Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-10-29
ECLI:NL:GHAMS:2024:3162
Strafrecht
Hoger beroep
1,364 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001111-23
datum uitspraak: 29 oktober 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 7 april 2023 in de strafzaak onder parketnummer 81-166561-22 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 oktober 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof de vrijspraakoverweging van de rechtbank vervangt door de navolgende overweging.
Vrijspraak
De vraag die het hof moet beantwoorden is of de verdachte op de terechtzitting van het gerechtshof Amsterdam van 5 juli 2021 onder ede opzettelijk een valse verklaring heeft afgelegd. Het hof moet daarbij beoordelen of bewezen is dat de verklaring “Op de vraag of het nu [naam 1] of [naam 2] is geweest die mij de drugs, de instructies, het geld en de simkaart voor de reizen heeft gegeven zeg ik: het was [naam 2]” in strijd met de waarheid is. De verdachte ontkent de beschuldiging.
Het hof beschikt in deze zaak over de eerdere, in 2015 afgelegde verklaringen van de verdachte bij de FIOD, waarin de verdachte in eerste instantie heeft verklaard dat het [naam 1] was die haar instructies en verdovende middelen gaf. De verdachte heeft de betrokkenheid van [naam 2] genoemd in haar verklaring bij de FIOD van 29 oktober 2015, waarin zij heeft verklaard dat zij de eerste keer dat zij op reis ging instructies heeft gekregen van [naam 2], en daarna zowel van [naam 1] als [naam 2]. Als [naam 1] samen met [naam 2] was kreeg de verdachte de verdovende middelen en instructies van [naam 1], en als [naam 1] er niet was kreeg ze die via [naam 2]. De verdachte heeft verklaard dat zij niet meer weet hoe vaak ze de instructies en verdovende middelen van [naam 1] heeft gekregen en hoe vaak ze deze van [naam 2] heeft gehad. De verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep op 5 juli 2021 nader bevraagd over de rol van [naam 1]. Uiteindelijk is haar door de raadsman van een medeverdachte de vraag gesteld of het [naam 1] of [naam 2] was die haar de drugs, de instructies, het geld en de simkaart voor de reizen heeft gegeven. Op deze (gesloten) vraag heeft de verdachte geantwoord dat het [naam 2] was.
Het hof stelt vast dat discrepanties bestaan tussen de verklaringen van de verdachte. Op zichzelf is dit echter niet voldoende om te kunnen vaststellen dat de verklaring van de verdachte ter zitting van het gerechtshof van 5 juli 2021 vals is.
Wat betreft het feitelijke verwijt dat aan de verdachte wordt gemaakt, ligt niet haar gehele onder ede afgelegde verklaring maar uitsluitend haar antwoord op de veelomvattende en gesloten vraag die in de tenlastelegging is opgenomen voor. Het hof stelt omtrent het antwoord op deze vraag vast dat de verdachte al in eerdere verklaringen heeft aangegeven dat zij ook instructies en verdovende middelen van [naam 2] kreeg. In haar eerdere verklaringen heeft zij niet gezegd dat zij (ook) het geld en de simkaart van [naam 2] ontving, maar wat dat betreft doet zich de situatie voor dat de verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd en dat objectief (het hof verstaat in dit verband hieronder: ander bewijs dan de verklaring van de verdachte zelf) en overtuigend bewijs ontbreekt waaruit blijkt dat de verdachte ter terechtzitting van het gerechtshof van 5 juli 2021 de tenlastegelegde vraag onjuist en opzettelijk in strijd met de waarheid heeft beantwoord. Naar het oordeel van het hof kan daarom niet wettig en overtuigend worden bewezen hetgeen de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Dictum
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.C. Huisman, mr. E. Mijnsberge en mr. V.M.A. Sinnige, in tegenwoordigheid van mr. I.F.M. Schreuders, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 oktober 2024.
Mr. A.C. Huisman is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=
===
[…]