Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-11-05
ECLI:NL:GHAMS:2024:3001
Civiel recht
Hoger beroep
1,064 tokens
Dictum
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.340.287/01 NOT
nummer eerste aanleg : verzet 24-02
Dictum
inzake
[appellant]
,
wonend te [woonplaats] ,
appellant,
tegen
mr. [geïntimeerde],
notaris te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. P.J. de Jong Schouwenburg, advocaat te Amsterdam.
Partijen worden hierna klager en de notaris genoemd.
1De zaak in het kort
Klager komt in hoger beroep van een beslissing van de kamer waarbij het door klager ingediende verzet ongegrond is verklaard. Op grond van artikel 99 lid 19 Wet op het notarisambt staat hiertegen geen hoger beroep open. De vraag die het hof als eerste moet beantwoorden is of klager toch ontvankelijk is in zijn hoger beroep.
Procesverloop
2.1.
Klager heeft op 19 april 2024 een beroepschrift – met bijlagen − bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag (hierna: de kamer) van 20 maart 2024 (ECLI:NL:TNORDHA:2024:13). Op 1 juli 2024 heeft hij dit beroepschrift aangevuld.
2.2.
De notaris heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden mogelijkheid een verweerschrift bij het hof in te dienen.
2.3.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
2.4.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 12 september 2024. Het hof heeft partijen vooraf laten weten eerst alleen de ontvankelijkheid van klager in zijn hoger beroep te zullen behandelen. Klager, vergezeld van zijn echtgenote, is verschenen en zij hebben het woord gevoerd. De notaris en zijn gemachtigde zijn niet verschenen.
3Ontvankelijkheid
3.1.
Klager heeft op 13 juli 2023 bij de kamer een klacht ingediend tegen de notaris. De voorzitter van de kamer heeft bij beslissing van 21 december 2023 de klacht niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die beslissing heeft klager tijdig verzet ingesteld bij de kamer. De kamer heeft bij de in 2.1 genoemde beslissing het verzet ongegrond verklaard.
3.2.
In het algemeen staat − op grond van het bepaalde in artikel 107 lid 1 Wet op het notarisambt (hierna: Wna) − tegen een beslissing van de kamer op een klacht het rechtsmiddel van hoger beroep bij dit hof open. Artikel 99 Wna bepaalt echter in lid 19 dat tegen de beslissing van de kamer waarbij het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond is verklaard, geen rechtsmiddel openstaat. Uit genoemde bepalingen van de Wna volgt derhalve dat tegen de bestreden beslissing geen hoger beroep openstaat. Dit is slechts anders indien (onder meer) bij de totstandkoming van de beslissing een zo fundamenteel rechtsbeginsel is veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken.
3.3.
Klager is het niet eens met de beslissing van de kamer; volgens klager heeft de kamer zijn argumenten onvoldoende meegewogen. Het hof stelt vast dat klager in zijn beroepschrift geen doorbrekingsgrond heeft gesteld waarom hij, ondanks het appelverbod in artikel 99 lid 19 Wna, toch ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Het hof zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken waaruit zou kunnen worden afgeleid dat een zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken of dat het appelverbod om andere redenen moet worden doorbroken.
3.4.
Het voorgaande leidt ertoe dat klager niet kan worden ontvangen in zijn hoger beroep.
Dictum
Het hof verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beslissing van de kamer van 20 maart 2024.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.W.M. Tromp, J.C.W. Rang en M. Bijkerk en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2024 door de rolraadsheer.