Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-09-24
ECLI:NL:GHAMS:2024:2732
Strafrecht
Hoger beroep
3,824 tokens
Inleiding
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer(s): 000265-24 (530 Sv)
parketnummer in eerste aanleg: 13/698899-15
Beschikking op het hoger beroep tegen de beslissing van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 7 februari 2024 op het verzoekschrift op de voet van de artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1970,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. G. Spong,
Keizersgracht 278, 1016 EW Amsterdam.
Procesverloop
Op 21 februari 2024 is hoger beroep ingesteld door verzoeker (hierna appellant).
Op 30 juli 2024 heeft de advocaat-generaal het standpunt van het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt.
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 27 augustus 2024 de advocaat-generaal en de advocaat van appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant is niet in raadkamer verschenen.
2Inhoud van het verzoek
Het verzoek – zoals aangevuld in raadkamer in hoger beroep – strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
a. kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van:
i. € 25.797,14 voor rechtsbijstand verleend door Spong Advocaten;
ii. € 1.0405,67 voor rechtsbijstand door RPV Advocatuur;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in eerste aanleg ten bedrage van € 680,00;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in hoger beroep ten bedrage van € 340,00.
Beoordeling
Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
Ad a.i.
De rechtbank heeft het verzoek onder a.i. deels afgewezen omdat geoordeeld is dat 1. (bij gebreke van een achtergebleven nadere toelichting) een bovenmatig aantal minuten is gedeclareerd voor het opstellen van de pleitnotitie, gelet op de inhoud en de omvang daarvan en 2. kosten zijn gedeclareerd die zien op het opstellen van de verzoekschrift(en) waarvoor in beginsel een forfaitaire vergoeding wordt toegekend en er onvoldoende redenen zijn gesteld of waarvan is gebleken om van dit beginsel af te wijken.
Gezien de toelichting die de advocaat in hoger beroep heeft gegeven met betrekking tot het opstellen van de pleitnotities, ziet het hof geen aanleiding voor matiging van de tijd die aan het opstellen van de pleitnotitie is besteed.
Ten aanzien van de kosten die zien op rechtsbijstand in de verzoekschriftenprocedure heeft appellant – evenals in eerste aanleg – bepleit dat het hanteren van forfaitaire (kosten) vergoedingen niet is toegestaan, omdat dit in strijd zou zijn met het EU-recht, meer in het bijzonder in strijd is met het vrij verkeer van diensten. De werkelijk gemaakte uren dienen volgens hem leidend te zijn voor vaststelling van de vergoeding.
Het hof overweegt hiertoe het volgende: Standaardvergoedingen voor vaststelling van de proceskosten in de verzoeken als de onderhavige worden in de regel door het hof gehanteerd. Deze vergoedingen zijn terug te voeren op landelijke afspraken die zijn gemaakt ter bevordering van de rechtseenheid en welke afspraken zijn vastgelegd in zogenoemde oriëntatiepunten. Periodiek worden deze afspraken geëvalueerd en gewijzigd indien de bedragen niet meer voldoende aansluiten bij de praktijk. Het beroep op unierecht (meer in het bijzonder dat dergelijke afspraken in strijd zijn met het binnen de EU geldende vrije verkeer van diensten, waarbij appellant verwezen heeft naar het arrest van Hof van Justitie EG van 5 december 2006 (C-94/04)), slaagt niet, reeds niet omdat de litigieuze afspraken voor het hof niet bindend zijn. In individuele gevallen bestaat de mogelijkheid hiervan af te wijken. Het hof ziet hiertoe in onderhavige zaak geen aanleiding en hanteert de forfaitaire vergoeding in plaats van de door de raadsman gedeclareerde uren op 28 maart 2023 en 2 mei 2023.
Ad a.ii.
De rechtbank heeft het verzoek onder a.ii. Afgewezen, omdat dit kosten betreft die voor appellant in een civiele procedure tegen Liander zijn gemaakt.
Namens de advocaat van appellant is aangevoerd dat die kosten ook in aanmerking komen voor vergoeding, omdat ze het directe gevolg zijn van de strafvervolging.
Onder “kosten van raadsman” waarvoor vergoeding uit 's Rijks kas kan worden toegekend a.b.i. eerste volzin van artikel 591a.2 Sv oud [thans artikel 530 lid 2 Sv], zijn te verstaan kosten van raadsman die in rechtstreeks verband staan met strafzaak tegen gewezen verdachte, welke is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan art. 9a Sr.
De kosten waarvan onder a.ii. vergoeding wordt gevraagd zien op rechtsbijstand in een civiele procedure waarin – naar het hof begrijpt – Liander appellant aansprakelijk heeft gesteld voor schade aan het elektriciteitsnet. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het verzoek in zoverre moet worden afgewezen. De civiele procedure kent een eigen systeem van kostenvergoeding. Voor een vergoeding van deze kosten in deze procedure is daarmee geen plaats. Deze kosten staan (mede daarmee) niet in rechtstreeks verband met de strafzaak tegen appellant.
Gelet op het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen en opnieuw recht doen.
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de strafzaak (verzoek onder a) ten bedrage van € 21.423,96.
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure (verzoek onder b en c) ten bedrage van € 1.020,00.
Dictum
Het hof:
Vernietigt de beschikking waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Kent op de voet van artikel 530 Sv aan appellant een vergoeding toe van € 22.443,96 (tweeëntwintigduizend vierhonderddrieënveertig euro en zesennegentig cent).
Wijst het meer of anders verzochte af.
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.M.P. Geelhoed, A.W.T. Klappe en D.A.G. van Toor, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 24 september 2024.
De voorzitter beveelt:
de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 22.443,96 (tweeëntwintigduizend vierhonderddrieënveertig euro en zesennegentig cent) op bankrekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. [tnv] o.v.v. [ovv].
Amsterdam, 24 september 2024,
mr. A.M.P. Geelhoed, voorzitter.
Inleiding
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer(s): 000265-24 (530 Sv)
parketnummer in eerste aanleg: 13/698899-15
Beschikking op het hoger beroep tegen de beslissing van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 7 februari 2024 op het verzoekschrift op de voet van de artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1970,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. G. Spong,
Keizersgracht 278, 1016 EW Amsterdam.
Procesverloop
Op 21 februari 2024 is hoger beroep ingesteld door verzoeker (hierna appellant).
Op 30 juli 2024 heeft de advocaat-generaal het standpunt van het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt.
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 27 augustus 2024 de advocaat-generaal en de advocaat van appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant is niet in raadkamer verschenen.
2Inhoud van het verzoek
Het verzoek – zoals aangevuld in raadkamer in hoger beroep – strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
a. kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van:
i. € 25.797,14 voor rechtsbijstand verleend door Spong Advocaten;
ii. € 1.0405,67 voor rechtsbijstand door RPV Advocatuur;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in eerste aanleg ten bedrage van € 680,00;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in hoger beroep ten bedrage van € 340,00.
Beoordeling
Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
Ad a.i.
De rechtbank heeft het verzoek onder a.i. deels afgewezen omdat geoordeeld is dat 1. (bij gebreke van een achtergebleven nadere toelichting) een bovenmatig aantal minuten is gedeclareerd voor het opstellen van de pleitnotitie, gelet op de inhoud en de omvang daarvan en 2. kosten zijn gedeclareerd die zien op het opstellen van de verzoekschrift(en) waarvoor in beginsel een forfaitaire vergoeding wordt toegekend en er onvoldoende redenen zijn gesteld of waarvan is gebleken om van dit beginsel af te wijken.
Gezien de toelichting die de advocaat in hoger beroep heeft gegeven met betrekking tot het opstellen van de pleitnotities, ziet het hof geen aanleiding voor matiging van de tijd die aan het opstellen van de pleitnotitie is besteed.
Ten aanzien van de kosten die zien op rechtsbijstand in de verzoekschriftenprocedure heeft appellant – evenals in eerste aanleg – bepleit dat het hanteren van forfaitaire (kosten) vergoedingen niet is toegestaan, omdat dit in strijd zou zijn met het EU-recht, meer in het bijzonder in strijd is met het vrij verkeer van diensten. De werkelijk gemaakte uren dienen volgens hem leidend te zijn voor vaststelling van de vergoeding.
Het hof overweegt hiertoe het volgende: Standaardvergoedingen voor vaststelling van de proceskosten in de verzoeken als de onderhavige worden in de regel door het hof gehanteerd. Deze vergoedingen zijn terug te voeren op landelijke afspraken die zijn gemaakt ter bevordering van de rechtseenheid en welke afspraken zijn vastgelegd in zogenoemde oriëntatiepunten. Periodiek worden deze afspraken geëvalueerd en gewijzigd indien de bedragen niet meer voldoende aansluiten bij de praktijk. Het beroep op unierecht (meer in het bijzonder dat dergelijke afspraken in strijd zijn met het binnen de EU geldende vrije verkeer van diensten, waarbij appellant verwezen heeft naar het arrest van Hof van Justitie EG van 5 december 2006 (C-94/04)), slaagt niet, reeds niet omdat de litigieuze afspraken voor het hof niet bindend zijn. In individuele gevallen bestaat de mogelijkheid hiervan af te wijken. Het hof ziet hiertoe in onderhavige zaak geen aanleiding en hanteert de forfaitaire vergoeding in plaats van de door de raadsman gedeclareerde uren op 28 maart 2023 en 2 mei 2023.
Ad a.ii.
De rechtbank heeft het verzoek onder a.ii. Afgewezen, omdat dit kosten betreft die voor appellant in een civiele procedure tegen Liander zijn gemaakt.
Namens de advocaat van appellant is aangevoerd dat die kosten ook in aanmerking komen voor vergoeding, omdat ze het directe gevolg zijn van de strafvervolging.
Onder “kosten van raadsman” waarvoor vergoeding uit 's Rijks kas kan worden toegekend a.b.i. eerste volzin van artikel 591a.2 Sv oud [thans artikel 530 lid 2 Sv], zijn te verstaan kosten van raadsman die in rechtstreeks verband staan met strafzaak tegen gewezen verdachte, welke is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan art. 9a Sr.
De kosten waarvan onder a.ii. vergoeding wordt gevraagd zien op rechtsbijstand in een civiele procedure waarin – naar het hof begrijpt – Liander appellant aansprakelijk heeft gesteld voor schade aan het elektriciteitsnet. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het verzoek in zoverre moet worden afgewezen. De civiele procedure kent een eigen systeem van kostenvergoeding. Voor een vergoeding van deze kosten in deze procedure is daarmee geen plaats. Deze kosten staan (mede daarmee) niet in rechtstreeks verband met de strafzaak tegen appellant.
Gelet op het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen en opnieuw recht doen.
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de strafzaak (verzoek onder a) ten bedrage van € 21.423,96.
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure (verzoek onder b en c) ten bedrage van € 1.020,00.
Dictum
Het hof:
Vernietigt de beschikking waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Kent op de voet van artikel 530 Sv aan appellant een vergoeding toe van € 22.443,96 (tweeëntwintigduizend vierhonderddrieënveertig euro en zesennegentig cent).
Wijst het meer of anders verzochte af.
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.M.P. Geelhoed, A.W.T. Klappe en D.A.G. van Toor, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 24 september 2024.
De voorzitter beveelt:
de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 22.443,96 (tweeëntwintigduizend vierhonderddrieënveertig euro en zesennegentig cent) op bankrekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. [tnv] o.v.v. [ovv].
Amsterdam, 24 september 2024,
mr. A.M.P. Geelhoed, voorzitter.