Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-08-06
ECLI:NL:GHAMS:2024:2434
Civiel recht
Hoger beroep
4,300 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Zaaknummer : 200.308.280/01
Zaaknummer rechtbank : 697698 / HA ZA 21-192
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 6 augustus 2024
in de zaak van
[appellant] ,
wonende in [plaats 1] ,
appellante,
in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. P.F.M. Verstegen in Nijmegen,
tegen
[geïntimeerde]
wonende in [plaats 1] ,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser is reconventie,
hierna te noemen: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. Y. Kaya in Amsterdam.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
het door het hof gewezen tussenarrest van 5 maart 2024,
de akte van [appellant] van 15 april 2024.
1.2.
[geïntimeerde] heeft zich - na het tussenarrest van 5 maart 2024 - niet bij akte uitgelaten over het voornemen van het hof om zich door een deskundige te laten voorlichten.
1.3.
Ten slotte heeft het hof opnieuw een datum voor arrest bepaald.
2De verdere beoordeling in hoger beroep
2.1.
In het tussenarrest van 5 maart 2024 heeft het hof overwogen dat zij deskundige voorlichting nodig heeft ter beantwoording van – kort samengevat – de volgende vragen:
Wat was de waarde van de geleverde prestatie van [geïntimeerde] op 23 juni 2020?;
Wat zijn de (meer)kosten voor [appellant] (geweest) om het werk door een derde af te laten maken?
2.1.1.
Om vast te (laten) stellen wat de waarde van de geleverde prestatie van [geïntimeerde] was op 23 juni 2020 heeft het hof in het tussenarrest kenbaar gemaakt voornemens te zijn de volgende vragen aan de te benoemen deskundige(n) voor te leggen:
- Kunt u zo precies mogelijk aangeven welke werkzaamheden die zijn genoemd in de offerte van 26 april 2020 (productie 2 bij conclusie van antwoord/eis in reconventie) op de datum van 23 juni 2020 reeds waren verricht door [geïntimeerde] en welke werkzaamheden hij nog had moeten verrichten?
- Kunt u aangeven of naar uw mening de door [geïntimeerde] verrichte werkzaamheden voldoen aan de overeenkomst (dat wil zeggen: de offerte van 26 april 2020) en de eisen van goed vakmanschap?
- Welke waarde kent u toe aan de door [geïntimeerde] verrichte werkzaamheden?
- Kunt u motiveren hoe u tot uw conclusies bent gekomen?
- Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan het hof volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?
2.1.2.
Om vast te laten stellen wat de (meer)kosten om het werk door een derde af te laten maken zijn (geweest) heeft het hof in het tussenarrest kenbaar gemaakt voornemens te zijn de volgende vragen aan de(zelfde) te benoemen deskundige(n) voor te leggen:
- Kunt u aangeven welke van de door [appellant] als productie 15 bij akte in eerste aanleg van 12 oktober 2021 genoemde kosten (en daarbij behorende facturen) betrekking hebben op werkzaamheden die zijn genoemd in de offerte van 26 april 2020 en die door [geïntimeerde] slechts gedeeltelijk of (helemaal) niet (naar behoren) zijn uitgevoerd?
- Kunt u toelichten hoe u tot deze conclusies bent gekomen?
- Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan het hof volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?
2.2.
Voor de beantwoording van deze vragen heeft het hof aansluiting gezocht bij de offerte van 26 april 2020. [appellant] kan zich met dit uitgangspunt niet verenigen en heeft het hof verzocht de oorspronkelijke offerte van 5 juli 2019 aan te houden als uitgangspunt.
2.3.
Het hof ziet geen aanleiding om uit te gaan van een ander uitgangspunt of terug te komen op de in het tussenarrest van 5 maart 2024 genomen beslissingen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
2.4.
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is duidelijk geworden dat partijen het erover eens zijn dat de in de offerte van 26 april 2020 opgenomen werkzaamheden door [geïntimeerde] zouden worden uitgevoerd voor een totaalbedrag van € 130.000,00 (zie rechtsoverweging 6.3. van het tussenarrest van 5 maart 2024). Dit betekent dat [appellant] de offerte van 26 april 2020 heeft aanvaard, en daarmee heeft zij ook aanvaard dat de daarin genoemde werkzaamheden zouden worden verricht voor het bedrag van € 130.000,00. Dit betekent dat tussen partijen, in afwijking van de offerte van 5 juli 2019, een nieuwe overeenkomst van aanneming van werk tot stand is gekomen. De door [appellant] aanvaardde offerte van 26 april 2020 is daarmee in de plaats gekomen van de eerdere afspraken en dat is dan ook de aannemingsovereenkomst die door [appellant] is ontbonden en waarop de ongedaanmakingsverbintenissen zien.
2.5.
Dat volgens [appellant] daarbij concessies door [geïntimeerde] zouden zijn ‘afgedwongen’, althans dat over deze afspraken is onderhandeld, waarna deze tussen partijen zijn overeengekomen, maakt niet dat de afspraken van 26 april 2020 niet rechtsgeldig tot stand zijn gekomen. De offerte van 26 april 2020 is immers door [appellant] aanvaard. Zij had er ook voor kunnen kiezen deze niet te aanvaarden en terug te vallen op de bestaande overeenkomst, maar heeft dat om haar moverende redenen niet gedaan. Voor zover [appellant] in aanvulling op haar memorie van grieven in dit stadium van de procedure een andere grondslag wil toevoegen aan het debat tussen partijen is - naast het feit dat de twee conclusieregel zich daartegen verzet – onvoldoende gesteld om aan zo’n debat toe te komen. In haar memorie van grieven heeft zij slechts kenbaar gemaakt dat teruggevallen moet worden op de oorspronkelijke overeenkomst, omdat [geïntimeerde] nimmer zou hebben gewaarschuwd voor de noodzaak van een prijsverhoging, hij eigenmachtig wijzigingen van het werk zou hebben aangebracht en sprake zou zijn van gebreken. De stelling dat de offerte van 26 april 2020 wel als basis zou dienen voor de uiteindelijk afgesproken werkzaamheden, maar die offerte niet door haar is geaccepteerd (grief 4, onder punt 4.2. van de memorie van grieven), kan het hof zonder nadere toelichting – die [appellant] niet heeft gegeven – niet met elkaar rijmen.
2.5.1.
Verder heeft [appellant] in haar akte van 15 april 2024 aangevoerd dat -overeenkomstig artikel 6:272 lid 2 BW - de waarde van de door [geïntimeerde] uitgevoerde werkzaamheden objectief (los van de offertes van Bilde) moet worden bepaald.
2.6.
Het hof ziet ook in dat argument geen aanleiding om terug te komen op het in het tussenarrest van 5 maart 2024 gekozen uitgangspunt, namelijk dat de waarde van het door [geïntimeerde] uitgevoerde werk in dit geval moet worden vastgesteld aan de hand van de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst. Daartoe wordt het volgende overwogen.
2.7.
Als uitgangspunt geldt dat de ontvanger van de prestatie die waarde moet vergoeden die in het economisch verkeer normaal aan de prestatie wordt toegekend. Als de prestatie aan de overeenkomst beantwoordt, zal de waarde veelal gesteld kunnen worden op de hoogte van de tegenprestatie (in dit geval: de overeengekomen aanneemsom). Of de ontvanger het normale profijt van de prestatie heeft gehad doet in beginsel bij de bepaling van de waarde niet ter zake, behoudens in het geval van art. 6: 272 lid 2 BW.
Dictum
Het hof:
3.1.
verwijst de zaak naar de rol(zitting) van 3 september 2024 voor het nemen van een akte door beide partijen overeenkomstig rechtsoverweging 2.11;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. van der Pol, E. Loesberg en R.F. Groos en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2024.
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Zaaknummer : 200.308.280/01
Zaaknummer rechtbank : 697698 / HA ZA 21-192
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 6 augustus 2024
in de zaak van
[appellant] ,
wonende in [plaats 1] ,
appellante,
in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. P.F.M. Verstegen in Nijmegen,
tegen
[geïntimeerde]
wonende in [plaats 1] ,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser is reconventie,
hierna te noemen: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. Y. Kaya in Amsterdam.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
het door het hof gewezen tussenarrest van 5 maart 2024,
de akte van [appellant] van 15 april 2024.
1.2.
[geïntimeerde] heeft zich - na het tussenarrest van 5 maart 2024 - niet bij akte uitgelaten over het voornemen van het hof om zich door een deskundige te laten voorlichten.
1.3.
Ten slotte heeft het hof opnieuw een datum voor arrest bepaald.
2De verdere beoordeling in hoger beroep
2.1.
In het tussenarrest van 5 maart 2024 heeft het hof overwogen dat zij deskundige voorlichting nodig heeft ter beantwoording van – kort samengevat – de volgende vragen:
Wat was de waarde van de geleverde prestatie van [geïntimeerde] op 23 juni 2020?;
Wat zijn de (meer)kosten voor [appellant] (geweest) om het werk door een derde af te laten maken?
2.1.1.
Om vast te (laten) stellen wat de waarde van de geleverde prestatie van [geïntimeerde] was op 23 juni 2020 heeft het hof in het tussenarrest kenbaar gemaakt voornemens te zijn de volgende vragen aan de te benoemen deskundige(n) voor te leggen:
- Kunt u zo precies mogelijk aangeven welke werkzaamheden die zijn genoemd in de offerte van 26 april 2020 (productie 2 bij conclusie van antwoord/eis in reconventie) op de datum van 23 juni 2020 reeds waren verricht door [geïntimeerde] en welke werkzaamheden hij nog had moeten verrichten?
- Kunt u aangeven of naar uw mening de door [geïntimeerde] verrichte werkzaamheden voldoen aan de overeenkomst (dat wil zeggen: de offerte van 26 april 2020) en de eisen van goed vakmanschap?
- Welke waarde kent u toe aan de door [geïntimeerde] verrichte werkzaamheden?
- Kunt u motiveren hoe u tot uw conclusies bent gekomen?
- Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan het hof volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?
2.1.2.
Om vast te laten stellen wat de (meer)kosten om het werk door een derde af te laten maken zijn (geweest) heeft het hof in het tussenarrest kenbaar gemaakt voornemens te zijn de volgende vragen aan de(zelfde) te benoemen deskundige(n) voor te leggen:
- Kunt u aangeven welke van de door [appellant] als productie 15 bij akte in eerste aanleg van 12 oktober 2021 genoemde kosten (en daarbij behorende facturen) betrekking hebben op werkzaamheden die zijn genoemd in de offerte van 26 april 2020 en die door [geïntimeerde] slechts gedeeltelijk of (helemaal) niet (naar behoren) zijn uitgevoerd?
- Kunt u toelichten hoe u tot deze conclusies bent gekomen?
- Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan het hof volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?
2.2.
Voor de beantwoording van deze vragen heeft het hof aansluiting gezocht bij de offerte van 26 april 2020. [appellant] kan zich met dit uitgangspunt niet verenigen en heeft het hof verzocht de oorspronkelijke offerte van 5 juli 2019 aan te houden als uitgangspunt.
2.3.
Het hof ziet geen aanleiding om uit te gaan van een ander uitgangspunt of terug te komen op de in het tussenarrest van 5 maart 2024 genomen beslissingen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
2.4.
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is duidelijk geworden dat partijen het erover eens zijn dat de in de offerte van 26 april 2020 opgenomen werkzaamheden door [geïntimeerde] zouden worden uitgevoerd voor een totaalbedrag van € 130.000,00 (zie rechtsoverweging 6.3. van het tussenarrest van 5 maart 2024). Dit betekent dat [appellant] de offerte van 26 april 2020 heeft aanvaard, en daarmee heeft zij ook aanvaard dat de daarin genoemde werkzaamheden zouden worden verricht voor het bedrag van € 130.000,00. Dit betekent dat tussen partijen, in afwijking van de offerte van 5 juli 2019, een nieuwe overeenkomst van aanneming van werk tot stand is gekomen. De door [appellant] aanvaardde offerte van 26 april 2020 is daarmee in de plaats gekomen van de eerdere afspraken en dat is dan ook de aannemingsovereenkomst die door [appellant] is ontbonden en waarop de ongedaanmakingsverbintenissen zien.
2.5.
Dat volgens [appellant] daarbij concessies door [geïntimeerde] zouden zijn ‘afgedwongen’, althans dat over deze afspraken is onderhandeld, waarna deze tussen partijen zijn overeengekomen, maakt niet dat de afspraken van 26 april 2020 niet rechtsgeldig tot stand zijn gekomen. De offerte van 26 april 2020 is immers door [appellant] aanvaard. Zij had er ook voor kunnen kiezen deze niet te aanvaarden en terug te vallen op de bestaande overeenkomst, maar heeft dat om haar moverende redenen niet gedaan. Voor zover [appellant] in aanvulling op haar memorie van grieven in dit stadium van de procedure een andere grondslag wil toevoegen aan het debat tussen partijen is - naast het feit dat de twee conclusieregel zich daartegen verzet – onvoldoende gesteld om aan zo’n debat toe te komen. In haar memorie van grieven heeft zij slechts kenbaar gemaakt dat teruggevallen moet worden op de oorspronkelijke overeenkomst, omdat [geïntimeerde] nimmer zou hebben gewaarschuwd voor de noodzaak van een prijsverhoging, hij eigenmachtig wijzigingen van het werk zou hebben aangebracht en sprake zou zijn van gebreken. De stelling dat de offerte van 26 april 2020 wel als basis zou dienen voor de uiteindelijk afgesproken werkzaamheden, maar die offerte niet door haar is geaccepteerd (grief 4, onder punt 4.2. van de memorie van grieven), kan het hof zonder nadere toelichting – die [appellant] niet heeft gegeven – niet met elkaar rijmen.
2.5.1.
Verder heeft [appellant] in haar akte van 15 april 2024 aangevoerd dat -overeenkomstig artikel 6:272 lid 2 BW - de waarde van de door [geïntimeerde] uitgevoerde werkzaamheden objectief (los van de offertes van Bilde) moet worden bepaald.
2.6.
Het hof ziet ook in dat argument geen aanleiding om terug te komen op het in het tussenarrest van 5 maart 2024 gekozen uitgangspunt, namelijk dat de waarde van het door [geïntimeerde] uitgevoerde werk in dit geval moet worden vastgesteld aan de hand van de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst. Daartoe wordt het volgende overwogen.
2.7.
Als uitgangspunt geldt dat de ontvanger van de prestatie die waarde moet vergoeden die in het economisch verkeer normaal aan de prestatie wordt toegekend. Als de prestatie aan de overeenkomst beantwoordt, zal de waarde veelal gesteld kunnen worden op de hoogte van de tegenprestatie (in dit geval: de overeengekomen aanneemsom). Of de ontvanger het normale profijt van de prestatie heeft gehad doet in beginsel bij de bepaling van de waarde niet ter zake, behoudens in het geval van art. 6: 272 lid 2 BW.
Dictum
Het hof:
3.1.
verwijst de zaak naar de rol(zitting) van 3 september 2024 voor het nemen van een akte door beide partijen overeenkomstig rechtsoverweging 2.11;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. van der Pol, E. Loesberg en R.F. Groos en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2024.