Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-07-25
ECLI:NL:GHAMS:2024:2417
Strafrecht
Hoger beroep
5,732 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003868-19
datum uitspraak: 25 juli 2024
TEGENSPRAAK (artikel 279 Sv)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlemmermeer) van 10 oktober 2019 in de strafzaak onder parketnummer 82-125386-18 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1971,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
25 juli 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de (waarnemend) raadsvrouw naar voren heeft gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straf. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Daarbij is rekening gehouden met de tussen het openbaar ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken, als hierna te melden.
Procesverloop
De verdachte is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 10 oktober 2019 veroordeeld voor – kort gezegd – het plegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, en het opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als ware het echt en onvervalst.
Tegen dat vonnis is namens de verdachte op 22 oktober 2019 hoger beroep ingesteld.
Op 10 november 2022 heeft een regiezitting plaatsgevonden en is de zaak aangehouden omdat de toenmalige raadsman (mr. Verhoeven) nog niet over het strafdossier beschikte, waardoor hij niet in de gelegenheid was eventuele onderzoekswensen kenbaar te maken. Het hof heeft op die regiezitting beslist dat de verdediging uiterlijk 5 januari 2023 eventuele onderzoekswensen moet indienen. Op
24 januari 2023 heeft de raadsvrouw (mr. Snelder) de verdediging overgenomen en onderzoekswensen ingediend. Op 28 februari 2024 is de verdediging overgenomen door mr. Jonk. Vervolgens heeft de raadsman het hof per e-mailbericht van 12 juli 2024 te kennen gegeven dat de verdediging in overleg is met het openbaar ministerie over procesafspraken. Daarop heeft het hof op 18 juli 2024 ondertekende procesafspraken ontvangen, waarbij het hof door de verdediging en de advocaat-generaal is verzocht dienovereenkomstig te beslissen. De procesafspraken zijn op schrift gesteld en door de advocaat-generaal en de verdachte ondertekend. Als uitgangspunten en voorwaarden is daarin – samengevat – het volgende vermeld:
Van de zijde van het openbaar ministerie
1. Het openbaar ministerie zal vorderen dat de verdachte wordt veroordeeld overeenkomstig de bewezenverklaringen en kwalificaties daarvan van de rechtbank.
2. Het openbaar ministerie zal vorderen dat aan de verdachte wordt opgelegd, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf voor de duur van 100 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
Van de zijde van de verdachte
3. De verdachte ziet af van het indienen van verdere onderzoekswensen en trekt alle ingediende onderzoekswensen in, onmiddellijk nadat het gerechtshof heeft verklaard dat het de procesafspraken aanvaardt.
4. Door de verdediging worden geen bewijs- of kwalificatieverweren gevoerd. De verdediging zal zich ten aanzien van de bewezenverklaring en de kwalificatie refereren aan het oordeel van het gerechtshof.
5. De verdediging zal het gerechtshof vragen de straf te bepalen overeenkomstig het requisitoir van het openbaar ministerie.
Voornoemde afspraken zijn gemaakt onder de opschortende voorwaarde dat het gerechtshof de procesafspraken aanvaardt.
Beoordeling
Ter terechtzitting in hoger beroep van 25 juli 2024 is de korte inhoud van de procesafspraken voorgehouden en is die inhoud en de totstandkoming daarvan door de verdediging en de advocaat-generaal bevestigd en toegelicht. Nu de verdachte niet in staat was ter terechtzitting te verschijnen, is op 23 juli 2024 een door de verdachte ondertekende verklaring verstrekt. De partijen hebben aangegeven dat zij zich rekenschap hebben gegeven van de inhoud, de strekking en de consequenties van hun voorstel.
Nu de procesafspraken op basis van vrijwillige wederkerigheid tot stand zijn gekomen en de verdachte middels haar schriftelijke verklaring van 23 juli 2024 en de (mondelinge) toelichting van haar (waarnemend) raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep van 25 juli 2024 ondubbelzinnig heeft aangegeven zich volledig te kunnen vinden in de gemaakte procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten, komen deze afspraken voor een beoordeling door het hof in aanmerking.
Voor het overnemen van de procesafspraken kijkt het hof niet alleen of zij bijdragen aan het verkorten van de procedure en het efficiënter en effectiever afdoen van de zaak waar de afspraken op zien, maar ook of de overeengekomen afspraken voor de beëindiging van de zaak in een redelijke verhouding staan tot de ernst van de zaak, mede gelet op de in artikel 348 en 350 Sv genoemde vraagpunten.
Het hof neemt bij de beoordeling van de procesafspraken (mede) in aanmerking het lange tijdsverloop tot op heden, de redelijke termijn die in hoger beroep reeds met twee jaren en negen maanden flink is overschreden en de te verwachten duur bij voortzetting van de procedure in hoger beroep. Daarbij is van belang dat op dit moment nog geen datum voor een inhoudelijke behandeling kan worden vastgesteld, gelet op de door de verdediging ingediende onderzoekswensen waarover eerst een beslissing zou moeten worden genomen. Door het afsluiten van de zaak op de wijze als door de partijen wordt voorgesteld, wordt de toch al langdurende procedure beëindigd.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat – met het oog op de vraagpunten van artikel 348 en 350 Sv – van het afdoeningsvoorstel niet kan worden gesteld dat het niet in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak zoals die blijkt uit de processtukken en het verhandelde op de terechtzitting.
Nu het hof de afspraken overneemt, komen de door de verdediging reeds ingediende onderzoekswensen te vervallen en zal het hof het vonnis waarvan beroep bevestigen, behalve ten aanzien van de strafoplegging.
Oplegging van straffen
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf voor de duur van 180 uren.
De advocaat-generaal heeft op basis van de tussen hem en de verdediging overeengekomen procesafspraken gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 100 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan sociale zekerheidsfraude doordat zij bij het UWV een aanvraagformulier voor een WW-uitkering en een aanvraagformulier overname betalingsverplichtingen heeft ingediend en in die aanvragen in strijd met de waarheid heeft vermeld dat zij werkzaam is geweest bij [bedrijf 1] B.V. (later handelend onder de naam [bedrijf 2] B.V.). Tevens heeft de verdachte ter verkrijging van een uitkering wegens betalingsonmacht, een aantal valse salarisspecificaties en een valse arbeidsovereenkomst/uitzendovereenkomst verstrekt aan het UWV. Door het gefingeerde dienstverband leek de verdachte recht te hebben op sociale zekerheid, terwijl zij daar geen recht op had. Door zo te handelen heeft de verdachte het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in de echtheid van documenten en de juistheid van (digitaal) ingevulde aanvraagformulieren ernstig beschaamd. Daarnaast tast misbruik het stelsel van sociale voorzieningen als geheel aan en leidt het tot benadeling van de maatschappij doordat aan de verdachte een uitkering is verstrekt waar zij geen recht op had.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf in aanmerking genomen dat de feiten meer dan tien jaren geleden zijn aangevangen, dat de redelijke termijn in tweede aanleg met twee jaren en negen maanden is overschreden en niet gebleken is dat de verdachte opnieuw met politie en justitie in aanraking is gekomen.
Gelet op het voorgaande ziet het hof aanleiding de tot stand gekomen procesafspraken in zijn uitspraak over te nemen en de verdachte een taakstraf conform deze afspraken op te leggen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. H.A. Stalenhoef en mr. I.A. Groenendijk, in tegenwoordigheid van
mr. L.M. van Leeuwen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 juli 2024.
mr. H.A. Stalenhoef is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003868-19
datum uitspraak: 25 juli 2024
TEGENSPRAAK (artikel 279 Sv)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlemmermeer) van 10 oktober 2019 in de strafzaak onder parketnummer 82-125386-18 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1971,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
25 juli 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de (waarnemend) raadsvrouw naar voren heeft gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straf. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Daarbij is rekening gehouden met de tussen het openbaar ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken, als hierna te melden.
Procesverloop
De verdachte is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 10 oktober 2019 veroordeeld voor – kort gezegd – het plegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, en het opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als ware het echt en onvervalst.
Tegen dat vonnis is namens de verdachte op 22 oktober 2019 hoger beroep ingesteld.
Op 10 november 2022 heeft een regiezitting plaatsgevonden en is de zaak aangehouden omdat de toenmalige raadsman (mr. Verhoeven) nog niet over het strafdossier beschikte, waardoor hij niet in de gelegenheid was eventuele onderzoekswensen kenbaar te maken. Het hof heeft op die regiezitting beslist dat de verdediging uiterlijk 5 januari 2023 eventuele onderzoekswensen moet indienen. Op
24 januari 2023 heeft de raadsvrouw (mr. Snelder) de verdediging overgenomen en onderzoekswensen ingediend. Op 28 februari 2024 is de verdediging overgenomen door mr. Jonk. Vervolgens heeft de raadsman het hof per e-mailbericht van 12 juli 2024 te kennen gegeven dat de verdediging in overleg is met het openbaar ministerie over procesafspraken. Daarop heeft het hof op 18 juli 2024 ondertekende procesafspraken ontvangen, waarbij het hof door de verdediging en de advocaat-generaal is verzocht dienovereenkomstig te beslissen. De procesafspraken zijn op schrift gesteld en door de advocaat-generaal en de verdachte ondertekend. Als uitgangspunten en voorwaarden is daarin – samengevat – het volgende vermeld:
Van de zijde van het openbaar ministerie
1. Het openbaar ministerie zal vorderen dat de verdachte wordt veroordeeld overeenkomstig de bewezenverklaringen en kwalificaties daarvan van de rechtbank.
2. Het openbaar ministerie zal vorderen dat aan de verdachte wordt opgelegd, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf voor de duur van 100 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
Van de zijde van de verdachte
3. De verdachte ziet af van het indienen van verdere onderzoekswensen en trekt alle ingediende onderzoekswensen in, onmiddellijk nadat het gerechtshof heeft verklaard dat het de procesafspraken aanvaardt.
4. Door de verdediging worden geen bewijs- of kwalificatieverweren gevoerd. De verdediging zal zich ten aanzien van de bewezenverklaring en de kwalificatie refereren aan het oordeel van het gerechtshof.
5. De verdediging zal het gerechtshof vragen de straf te bepalen overeenkomstig het requisitoir van het openbaar ministerie.
Voornoemde afspraken zijn gemaakt onder de opschortende voorwaarde dat het gerechtshof de procesafspraken aanvaardt.
Beoordeling
Ter terechtzitting in hoger beroep van 25 juli 2024 is de korte inhoud van de procesafspraken voorgehouden en is die inhoud en de totstandkoming daarvan door de verdediging en de advocaat-generaal bevestigd en toegelicht. Nu de verdachte niet in staat was ter terechtzitting te verschijnen, is op 23 juli 2024 een door de verdachte ondertekende verklaring verstrekt. De partijen hebben aangegeven dat zij zich rekenschap hebben gegeven van de inhoud, de strekking en de consequenties van hun voorstel.
Nu de procesafspraken op basis van vrijwillige wederkerigheid tot stand zijn gekomen en de verdachte middels haar schriftelijke verklaring van 23 juli 2024 en de (mondelinge) toelichting van haar (waarnemend) raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep van 25 juli 2024 ondubbelzinnig heeft aangegeven zich volledig te kunnen vinden in de gemaakte procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten, komen deze afspraken voor een beoordeling door het hof in aanmerking.
Voor het overnemen van de procesafspraken kijkt het hof niet alleen of zij bijdragen aan het verkorten van de procedure en het efficiënter en effectiever afdoen van de zaak waar de afspraken op zien, maar ook of de overeengekomen afspraken voor de beëindiging van de zaak in een redelijke verhouding staan tot de ernst van de zaak, mede gelet op de in artikel 348 en 350 Sv genoemde vraagpunten.
Het hof neemt bij de beoordeling van de procesafspraken (mede) in aanmerking het lange tijdsverloop tot op heden, de redelijke termijn die in hoger beroep reeds met twee jaren en negen maanden flink is overschreden en de te verwachten duur bij voortzetting van de procedure in hoger beroep. Daarbij is van belang dat op dit moment nog geen datum voor een inhoudelijke behandeling kan worden vastgesteld, gelet op de door de verdediging ingediende onderzoekswensen waarover eerst een beslissing zou moeten worden genomen. Door het afsluiten van de zaak op de wijze als door de partijen wordt voorgesteld, wordt de toch al langdurende procedure beëindigd.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat – met het oog op de vraagpunten van artikel 348 en 350 Sv – van het afdoeningsvoorstel niet kan worden gesteld dat het niet in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak zoals die blijkt uit de processtukken en het verhandelde op de terechtzitting.
Nu het hof de afspraken overneemt, komen de door de verdediging reeds ingediende onderzoekswensen te vervallen en zal het hof het vonnis waarvan beroep bevestigen, behalve ten aanzien van de strafoplegging.
Oplegging van straffen
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf voor de duur van 180 uren.
De advocaat-generaal heeft op basis van de tussen hem en de verdediging overeengekomen procesafspraken gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 100 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan sociale zekerheidsfraude doordat zij bij het UWV een aanvraagformulier voor een WW-uitkering en een aanvraagformulier overname betalingsverplichtingen heeft ingediend en in die aanvragen in strijd met de waarheid heeft vermeld dat zij werkzaam is geweest bij [bedrijf 1] B.V. (later handelend onder de naam [bedrijf 2] B.V.). Tevens heeft de verdachte ter verkrijging van een uitkering wegens betalingsonmacht, een aantal valse salarisspecificaties en een valse arbeidsovereenkomst/uitzendovereenkomst verstrekt aan het UWV. Door het gefingeerde dienstverband leek de verdachte recht te hebben op sociale zekerheid, terwijl zij daar geen recht op had. Door zo te handelen heeft de verdachte het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in de echtheid van documenten en de juistheid van (digitaal) ingevulde aanvraagformulieren ernstig beschaamd. Daarnaast tast misbruik het stelsel van sociale voorzieningen als geheel aan en leidt het tot benadeling van de maatschappij doordat aan de verdachte een uitkering is verstrekt waar zij geen recht op had.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf in aanmerking genomen dat de feiten meer dan tien jaren geleden zijn aangevangen, dat de redelijke termijn in tweede aanleg met twee jaren en negen maanden is overschreden en niet gebleken is dat de verdachte opnieuw met politie en justitie in aanraking is gekomen.
Gelet op het voorgaande ziet het hof aanleiding de tot stand gekomen procesafspraken in zijn uitspraak over te nemen en de verdachte een taakstraf conform deze afspraken op te leggen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. H.A. Stalenhoef en mr. I.A. Groenendijk, in tegenwoordigheid van
mr. L.M. van Leeuwen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 juli 2024.
mr. H.A. Stalenhoef is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.