Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-07-09
ECLI:NL:GHAMS:2024:2291
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
8,478 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerken 23/501, 23/502, 23/503 en 23/504, 23/505 tot en met 23/513, en 23/533 tot en met 23/536
9 juli 2024
uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op de hoger beroepen van
[X] B.V., gevestigd te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)
tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) van 1 mei 2023 in de zaken met de kenmerken (i) HAA 19/3953, (ii) HAA 20/6242, (iii) HAA 21/3121 en HAA 21/3122, (iv) HAA 21/3123 tot en met HAA 21/3131, en (v) HAA21/3897 tot en met HAA 21/3900 in de gedingen tussen
belanghebbende
en
1de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en
2. de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat,
alsmede op het verzoek als bedoeld in artikel 8:188 van de Awb van belanghebbende tot veroordeling van de inspecteur in haar kosten in verband met de ingetrokken incidenteel hoger beroepen.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.1.
De rechtbank heeft in de vijf bestreden uitspraken beslist op zeventien beroepen van belanghebbende over de voor de registratie van 16 personenauto’s geheven belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm). Drie van de beroepen heeft de rechtbank ongegrond verklaard (zaken 23/502, 23/535 en 23/536 = HAA 20/6242, HAA 21/3899 en HAA 21/3900), de overige beroepen gegrond.
1.1.2.
Ter zake van alle gegronde beroepen heeft de rechtbank de inspecteur opgedragen aan belanghebbende een teruggaaf te verlenen en belastingrente te vergoeden, de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende in bezwaar (€ 54,50 per zaak, € 763 in totaal) en de inspecteur opgedragen aan belanghebbende het griffierecht te vergoeden.
1.1.3.
In de uitspraak met kenmerk HAA 19/3953 (hierna: de moederuitspraak) heeft de rechtbank daarnaast voor alle beroepen die zij in de thans bestreden uitspraken gegrond heeft verklaard, alsmede voor nog vele andere beroepen die zij tegelijkertijd heeft behandeld, de inspecteur veroordeeld in de kosten van belanghebbende voor de behandeling van het beroep tot een bedrag van € 4.185. Ten slotte heeft de rechtbank zowel de inspecteur als de Staat veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende, in goede justitie vastgesteld op € 15.000 in totaal voor beroepen tegen ongeveer 875 uitspraken op bezwaar (€ 9.000 respectievelijk € 6.000).
1.2.
Op 20 juni 2023 heeft belanghebbende bij vijf geschriften de hoger beroepen ingesteld. De gronden zijn in juli 2023 in evenzovele (nagenoeg) identieke geschriften aangevuld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
De inspecteur heeft op 25 oktober 2023 incidenteel hoger beroepen ingesteld (in één geschrift, ook nog voor andere zaken). Belanghebbende heeft een schriftelijke zienswijze ingediend.
1.4.
Op 24 mei 2024 heeft belanghebbende een nader stuk ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2024. Ter zitting heeft de inspecteur zijn incidenteel hoger beroepen ingetrokken. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
Geschil
3.1.
Belanghebbende heeft haar in bezwaar en in eerste aanleg ingenomen standpunten herhaald slechts door daarnaar te verwijzen. Zij klaagt daarnaast erover dat de rechtbank onbevoegd en onrechtmatig uitleg heeft gegeven aan het Unierecht, vooral met betrekking tot het griffierecht, de proceskostenvergoeding en de vergoeding van immateriële schade. Daarvoor zij verder verwezen naar de stukken.
3.2.
Belanghebbende heeft verder verzocht om een vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten in verband met de behandeling van de incidenteel hoger beroepen die de inspecteur ter zitting heeft ingetrokken.
Overwegingen
Overgang NEDC- naar WLTP-testmethode voor vaststelling CO2-uitstoot
4.1.
Bij prejudiciële beslissing van 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:696, heeft de Hoge Raad prejudiciële vragen beantwoord over de overgang van de NEDC- naar de WLTP-testmethode voor de vaststelling van de CO2-uitstoot van motorrijtuigen, en meer bepaald over de transitieregeling die in dat verband opgenomen is geweest in artikel 9, leden 11 en 12 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (tekst van 27 juni 2017 tot en met 30 juni 2020). De antwoorden van de Hoge Raad luiden over de verhouding van die transitieregeling tot het productherkomstdiscriminatieverbod van artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VwEU) als volgt:
“Prejudiciële vraag 2
De omstandigheid dat de CO2-uitstoot van gelijksoortige binnenlandse en buitenlandse personenauto’s volgens een verschillende, in de transitieregeling voorziene methode is of kan zijn vastgesteld, leidt alleen dan niet tot strijd met artikel 110 VWEU, indien de voor de buitenlandse personenauto te heffen bpm wordt berekend naar de CO2-uitstoot die is vastgesteld volgens de methode die voor de belastingplichtige het meest voordelig is.
Prejudiciële vraag 3
Voor de toetsing aan artikel 110 VWEU van de maatstaf van heffing zoals die in de transitieregeling is neergelegd, gelden personenauto’s als gelijksoortig indien zij van hetzelfde merk en model zijn, dat wil zeggen dat zij behoren tot een categorie voertuigen die op de in bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG vermelde essentiële punten identiek zijn en onder dezelfde EU-typegoedkeuring vallen.
De belastingplichtige die stelt dat in zijn geval artikel 110 VWEU is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, moet aannemelijk maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto (dat wil zeggen: van hetzelfde merk en model, zoals hiervoor omschreven, als die buitenlandse personenauto) in nieuwe staat is geregistreerd.”
4.2.
In de voorliggende zaken heeft belanghebbende niet gesteld dat enige betrokken auto een datum van eerste toelating heeft tussen 1 september 2018 en 1 september 2019. Voor zover het Hof kan beoordelen, is dat ook bij geen van de auto’s het geval. Gelet op de in 4.1 weergegeven antwoorden van de Hoge Raad, kan daarom in dezen geen schending van artikel 110 VwEU door de overgang van de NEDC- naar de WLTP-testmethode worden vastgesteld. Het Hof acht het ook zelf buiten twijfel dat artikel 110 VwEU in casibus niet is geschonden.
De heffing van het griffierecht in eerste aanleg en in hoger beroep
4.3.
Belanghebbende betoogt over het griffierecht, zowel voor het beroep als voor het hoger beroep, dat de toegang tot de rechter ontoelaatbaar, en in strijd met onder meer artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: EU-Handvest), wordt beperkt door de hoogte ervan en door de heffing bij het instellen van het rechtsmiddel.
4.4.
Voormeld betoog heeft het Hof al meermaals verworpen in zaken van belanghebbende onder verwijzing naar de motivering in het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579. Hetgeen belanghebbende in deze zaken naar voren heeft gebracht, geeft geen aanleiding thans anders te oordelen. Zo belanghebbende tevens heeft willen betogen, dat de wettelijke rente over de vergoeding van het griffierecht eerder gaat lopen dan vier weken na de datum van de uitspraak van de rechtbank, is dat eveneens onjuist.
Proceskostenvergoeding in eerste aanleg
4.5.
Naar het Hof begrijpt, stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de rechtbank een hogere proceskostenvergoeding had moeten toekennen. De vergoeding van proceskosten moet volgens haar in een forfaitair stelsel dusdanig hoog zijn, dat zij ten minste het bedrag van de werkelijke kosten benadert, om de doeltreffendheid van het Unierecht te waarborgen, en ook om te voldoen aan het bepaalde in artikel 47 van het EU-Handvest. De proceskostenvergoeding had bovendien per beroepschrift moeten worden toegekend.
4.6.
Voor zover het betoog van belanghebbende inhoudt dat de normering van vergoedingen van proceskosten in van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het BPB) niet voldoet aan de eisen die het Unierecht daaraan stelt, en dat de rechtbank daarom een hogere vergoeding had moeten toekennen, faalt het (vgl. HR 3 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:833, en HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810). Belanghebbende heeft bovendien niet concreet gesteld wat in haar visie wel een passende vergoeding zou zijn.
4.7.1.
Verder acht het Hof de proceskostenvergoedingen die de rechtbank heeft toegekend (€ 54,50 per alsnog gegrond verklaard bezwaar, € 4.185 in totaal voor alle beroepen uit een cluster van bijna 1.000 zaken die gegrond zijn verklaard, met uitzondering van 97 zaken die vanwege schending van de hoorplicht gegrond zijn verklaard) niet te laag.
4.7.2.
In zestien van de zeventien zaken waarin de rechtbank in de bestreden uitspraken een kostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft toegekend (de beroepen tegen voldoening op aangifte), bestaat niet eens grond daarvoor. In die zaken heeft de rechtbank het bezwaar alleen gegrond verklaard omdat voor de betrokken (import)auto’s niet kan worden uitgesloten dat op vergelijkbare binnenlandse auto’s de faciliteit van artikel 16a, lid 1, van de Wet is toegepast. Belanghebbende had echter de verminderingen in dat verband zelf in haar aangiften al kunnen toepassen. Daarom ontbreekt de aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid die op grond van artikel 7:15, lid 2, van de Awb is vereist voor een kostenvergoeding voor de behandeling van het bezwaar (vgl. HR 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1040, r.o. 3.4.5 en 3.4.6). Uit het Unierecht volgt ook niet dat voor de bezwaarfase proceskosten moesten worden vergoed (vgl. HvJ EU 22 februari 2024, Gemeente Dinkelland, C674/22, ECLI:EU:C:2024:147).
4.7.3.
Voor het overige onderschrijft het Hof de toepassingen die de rechtbank heeft gegeven aan artikel 2, lid 3, van het BPB en de door haar in dat verband gebezigde motiveringen. Verder kan hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd ook niet de slotsom schragen dat de rechtbank voor de beroepsfase ten onrechte samenhang in de zin van artikel 3 van het BPB heeft aangenomen.
Conclusie
4.12.
Hetgeen hiervoor is overwogen leidt ertoe dat de hoger beroepen ongegrond zijn.
5Kosten
5.1.
Voor een kostenveroordeling in het (principaal) hoger beroep van belanghebbende bestaat geen aanleiding.
5.2.
Wel bestaat aanleiding om de inspecteur op voet van artikel 8:118 van de Awb te veroordelen in de kosten van belanghebbende in verband met de behandeling van de ingetrokken incidenteel hoger beroepen van de inspecteur. Die kosten, meer bepaald voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, stelt het Hof met toepassing van het BPB vast op (afgerond) € 657 (2 punten (schriftelijke zienswijze en bijwonen zitting), een puntwaarde van € 875, een wegingsfactor van 0,25 (zeer licht) en aanvullend een factor van 1,5 vanwege samenhang van meer dan vier zaken). Voor een hogere vergoeding, al dan niet van de werkelijke kosten, op grond van de omstandigheid dat de inspecteur zijn incidenteel hoger beroepen ter zitting heeft ingetrokken, ziet het Hof geen aanleiding. Belanghebbende heeft haar verzoek in zoverre ook onvoldoende onderbouwd.
5.3.
De ingetrokken incidenteel hoger beroepen van de inspecteur betreffen ook andere zaken waarin het Hof heden uitspraak doet en die gelijktijdig met de zaken in deze uitspraak zijn behandeld (onder meer met kenmerken 23/514 tot en met 23/528). De samenhang strekt zich ook tot die andere zaken uit. Daarom zal de helft van de kostenvergoeding (€ 328,50) worden toegekend in deze uitspraak en de andere helft in bedoelde andere uitspraak.
Dictum
Het Hof:
bevestigt de uitspraken van de rechtbank, en
veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende in verband met de ingetrokken incidenteel hoger beroepen van de inspecteur tot een bedrag van € 328,50.
De uitspraak is gedaan door mrs. W.J. Blokland, voorzitter, A.M. van Amsterdam en N. Djebali, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 9 juli 2024 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerken 23/501, 23/502, 23/503 en 23/504, 23/505 tot en met 23/513, en 23/533 tot en met 23/536
9 juli 2024
uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op de hoger beroepen van
[X] B.V., gevestigd te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)
tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) van 1 mei 2023 in de zaken met de kenmerken (i) HAA 19/3953, (ii) HAA 20/6242, (iii) HAA 21/3121 en HAA 21/3122, (iv) HAA 21/3123 tot en met HAA 21/3131, en (v) HAA21/3897 tot en met HAA 21/3900 in de gedingen tussen
belanghebbende
en
1de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en
2. de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat,
alsmede op het verzoek als bedoeld in artikel 8:188 van de Awb van belanghebbende tot veroordeling van de inspecteur in haar kosten in verband met de ingetrokken incidenteel hoger beroepen.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.1.
De rechtbank heeft in de vijf bestreden uitspraken beslist op zeventien beroepen van belanghebbende over de voor de registratie van 16 personenauto’s geheven belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm). Drie van de beroepen heeft de rechtbank ongegrond verklaard (zaken 23/502, 23/535 en 23/536 = HAA 20/6242, HAA 21/3899 en HAA 21/3900), de overige beroepen gegrond.
1.1.2.
Ter zake van alle gegronde beroepen heeft de rechtbank de inspecteur opgedragen aan belanghebbende een teruggaaf te verlenen en belastingrente te vergoeden, de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende in bezwaar (€ 54,50 per zaak, € 763 in totaal) en de inspecteur opgedragen aan belanghebbende het griffierecht te vergoeden.
1.1.3.
In de uitspraak met kenmerk HAA 19/3953 (hierna: de moederuitspraak) heeft de rechtbank daarnaast voor alle beroepen die zij in de thans bestreden uitspraken gegrond heeft verklaard, alsmede voor nog vele andere beroepen die zij tegelijkertijd heeft behandeld, de inspecteur veroordeeld in de kosten van belanghebbende voor de behandeling van het beroep tot een bedrag van € 4.185. Ten slotte heeft de rechtbank zowel de inspecteur als de Staat veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende, in goede justitie vastgesteld op € 15.000 in totaal voor beroepen tegen ongeveer 875 uitspraken op bezwaar (€ 9.000 respectievelijk € 6.000).
1.2.
Op 20 juni 2023 heeft belanghebbende bij vijf geschriften de hoger beroepen ingesteld. De gronden zijn in juli 2023 in evenzovele (nagenoeg) identieke geschriften aangevuld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
De inspecteur heeft op 25 oktober 2023 incidenteel hoger beroepen ingesteld (in één geschrift, ook nog voor andere zaken). Belanghebbende heeft een schriftelijke zienswijze ingediend.
1.4.
Op 24 mei 2024 heeft belanghebbende een nader stuk ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2024. Ter zitting heeft de inspecteur zijn incidenteel hoger beroepen ingetrokken. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
Geschil
3.1.
Belanghebbende heeft haar in bezwaar en in eerste aanleg ingenomen standpunten herhaald slechts door daarnaar te verwijzen. Zij klaagt daarnaast erover dat de rechtbank onbevoegd en onrechtmatig uitleg heeft gegeven aan het Unierecht, vooral met betrekking tot het griffierecht, de proceskostenvergoeding en de vergoeding van immateriële schade. Daarvoor zij verder verwezen naar de stukken.
3.2.
Belanghebbende heeft verder verzocht om een vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten in verband met de behandeling van de incidenteel hoger beroepen die de inspecteur ter zitting heeft ingetrokken.
Overwegingen
Overgang NEDC- naar WLTP-testmethode voor vaststelling CO2-uitstoot
4.1.
Bij prejudiciële beslissing van 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:696, heeft de Hoge Raad prejudiciële vragen beantwoord over de overgang van de NEDC- naar de WLTP-testmethode voor de vaststelling van de CO2-uitstoot van motorrijtuigen, en meer bepaald over de transitieregeling die in dat verband opgenomen is geweest in artikel 9, leden 11 en 12 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (tekst van 27 juni 2017 tot en met 30 juni 2020). De antwoorden van de Hoge Raad luiden over de verhouding van die transitieregeling tot het productherkomstdiscriminatieverbod van artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VwEU) als volgt:
“Prejudiciële vraag 2
De omstandigheid dat de CO2-uitstoot van gelijksoortige binnenlandse en buitenlandse personenauto’s volgens een verschillende, in de transitieregeling voorziene methode is of kan zijn vastgesteld, leidt alleen dan niet tot strijd met artikel 110 VWEU, indien de voor de buitenlandse personenauto te heffen bpm wordt berekend naar de CO2-uitstoot die is vastgesteld volgens de methode die voor de belastingplichtige het meest voordelig is.
Prejudiciële vraag 3
Voor de toetsing aan artikel 110 VWEU van de maatstaf van heffing zoals die in de transitieregeling is neergelegd, gelden personenauto’s als gelijksoortig indien zij van hetzelfde merk en model zijn, dat wil zeggen dat zij behoren tot een categorie voertuigen die op de in bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG vermelde essentiële punten identiek zijn en onder dezelfde EU-typegoedkeuring vallen.
De belastingplichtige die stelt dat in zijn geval artikel 110 VWEU is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, moet aannemelijk maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto (dat wil zeggen: van hetzelfde merk en model, zoals hiervoor omschreven, als die buitenlandse personenauto) in nieuwe staat is geregistreerd.”
4.2.
In de voorliggende zaken heeft belanghebbende niet gesteld dat enige betrokken auto een datum van eerste toelating heeft tussen 1 september 2018 en 1 september 2019. Voor zover het Hof kan beoordelen, is dat ook bij geen van de auto’s het geval. Gelet op de in 4.1 weergegeven antwoorden van de Hoge Raad, kan daarom in dezen geen schending van artikel 110 VwEU door de overgang van de NEDC- naar de WLTP-testmethode worden vastgesteld. Het Hof acht het ook zelf buiten twijfel dat artikel 110 VwEU in casibus niet is geschonden.
De heffing van het griffierecht in eerste aanleg en in hoger beroep
4.3.
Belanghebbende betoogt over het griffierecht, zowel voor het beroep als voor het hoger beroep, dat de toegang tot de rechter ontoelaatbaar, en in strijd met onder meer artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: EU-Handvest), wordt beperkt door de hoogte ervan en door de heffing bij het instellen van het rechtsmiddel.
4.4.
Voormeld betoog heeft het Hof al meermaals verworpen in zaken van belanghebbende onder verwijzing naar de motivering in het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579. Hetgeen belanghebbende in deze zaken naar voren heeft gebracht, geeft geen aanleiding thans anders te oordelen. Zo belanghebbende tevens heeft willen betogen, dat de wettelijke rente over de vergoeding van het griffierecht eerder gaat lopen dan vier weken na de datum van de uitspraak van de rechtbank, is dat eveneens onjuist.
Proceskostenvergoeding in eerste aanleg
4.5.
Naar het Hof begrijpt, stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de rechtbank een hogere proceskostenvergoeding had moeten toekennen. De vergoeding van proceskosten moet volgens haar in een forfaitair stelsel dusdanig hoog zijn, dat zij ten minste het bedrag van de werkelijke kosten benadert, om de doeltreffendheid van het Unierecht te waarborgen, en ook om te voldoen aan het bepaalde in artikel 47 van het EU-Handvest. De proceskostenvergoeding had bovendien per beroepschrift moeten worden toegekend.
4.6.
Voor zover het betoog van belanghebbende inhoudt dat de normering van vergoedingen van proceskosten in van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het BPB) niet voldoet aan de eisen die het Unierecht daaraan stelt, en dat de rechtbank daarom een hogere vergoeding had moeten toekennen, faalt het (vgl. HR 3 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:833, en HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810). Belanghebbende heeft bovendien niet concreet gesteld wat in haar visie wel een passende vergoeding zou zijn.
4.7.1.
Verder acht het Hof de proceskostenvergoedingen die de rechtbank heeft toegekend (€ 54,50 per alsnog gegrond verklaard bezwaar, € 4.185 in totaal voor alle beroepen uit een cluster van bijna 1.000 zaken die gegrond zijn verklaard, met uitzondering van 97 zaken die vanwege schending van de hoorplicht gegrond zijn verklaard) niet te laag.
4.7.2.
In zestien van de zeventien zaken waarin de rechtbank in de bestreden uitspraken een kostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft toegekend (de beroepen tegen voldoening op aangifte), bestaat niet eens grond daarvoor. In die zaken heeft de rechtbank het bezwaar alleen gegrond verklaard omdat voor de betrokken (import)auto’s niet kan worden uitgesloten dat op vergelijkbare binnenlandse auto’s de faciliteit van artikel 16a, lid 1, van de Wet is toegepast. Belanghebbende had echter de verminderingen in dat verband zelf in haar aangiften al kunnen toepassen. Daarom ontbreekt de aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid die op grond van artikel 7:15, lid 2, van de Awb is vereist voor een kostenvergoeding voor de behandeling van het bezwaar (vgl. HR 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1040, r.o. 3.4.5 en 3.4.6). Uit het Unierecht volgt ook niet dat voor de bezwaarfase proceskosten moesten worden vergoed (vgl. HvJ EU 22 februari 2024, Gemeente Dinkelland, C674/22, ECLI:EU:C:2024:147).
4.7.3.
Voor het overige onderschrijft het Hof de toepassingen die de rechtbank heeft gegeven aan artikel 2, lid 3, van het BPB en de door haar in dat verband gebezigde motiveringen. Verder kan hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd ook niet de slotsom schragen dat de rechtbank voor de beroepsfase ten onrechte samenhang in de zin van artikel 3 van het BPB heeft aangenomen.
Conclusie
4.12.
Hetgeen hiervoor is overwogen leidt ertoe dat de hoger beroepen ongegrond zijn.
5Kosten
5.1.
Voor een kostenveroordeling in het (principaal) hoger beroep van belanghebbende bestaat geen aanleiding.
5.2.
Wel bestaat aanleiding om de inspecteur op voet van artikel 8:118 van de Awb te veroordelen in de kosten van belanghebbende in verband met de behandeling van de ingetrokken incidenteel hoger beroepen van de inspecteur. Die kosten, meer bepaald voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, stelt het Hof met toepassing van het BPB vast op (afgerond) € 657 (2 punten (schriftelijke zienswijze en bijwonen zitting), een puntwaarde van € 875, een wegingsfactor van 0,25 (zeer licht) en aanvullend een factor van 1,5 vanwege samenhang van meer dan vier zaken). Voor een hogere vergoeding, al dan niet van de werkelijke kosten, op grond van de omstandigheid dat de inspecteur zijn incidenteel hoger beroepen ter zitting heeft ingetrokken, ziet het Hof geen aanleiding. Belanghebbende heeft haar verzoek in zoverre ook onvoldoende onderbouwd.
5.3.
De ingetrokken incidenteel hoger beroepen van de inspecteur betreffen ook andere zaken waarin het Hof heden uitspraak doet en die gelijktijdig met de zaken in deze uitspraak zijn behandeld (onder meer met kenmerken 23/514 tot en met 23/528). De samenhang strekt zich ook tot die andere zaken uit. Daarom zal de helft van de kostenvergoeding (€ 328,50) worden toegekend in deze uitspraak en de andere helft in bedoelde andere uitspraak.
Dictum
Het Hof:
bevestigt de uitspraken van de rechtbank, en
veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende in verband met de ingetrokken incidenteel hoger beroepen van de inspecteur tot een bedrag van € 328,50.
De uitspraak is gedaan door mrs. W.J. Blokland, voorzitter, A.M. van Amsterdam en N. Djebali, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 9 juli 2024 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: