Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-04-22
ECLI:NL:GHAMS:2024:2236
Strafrecht
Hoger beroep
1,784 tokens
Inleiding
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer(s): 000846-23 (530 Sv)
parketnummer in eerste aanleg: 13/168547-19
Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2022 op het verzoekschrift op de voet van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] 1974,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. C.J.P. Liefting,
[adres]
Procesverloop
Het hoger beroep is op 19 januari 2023 ingesteld door verzoeker (hierna appellant). Voorts is een appelschriftuur ingekomen.
Op 18 januari 2024 zijn appellant en diens advocaat opgeroepen voor de raadkamer van 25 maart 2024.
Op 22 januari 2024 heeft de advocaat-generaal het advies van het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt.
Het hof heeft ambtshalve vernomen dat de advocaat van appellant per 27 februari 2024 geschrapt is van het tableau.
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 25 maart 2024 de advocaat-generaal ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant is niet in raadkamer verschenen.
2Inhoud van het verzoek
Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van inbeslagname van goederen in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 5.425,00;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in eerste aanleg ten bedrage van € 680,00.
Beoordeling
Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
Appellant is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek en heeft het verzoek voor een standaardvergoeding voor het opmaken, indienen en in behandelen van het verzoekschrift afgewezen.
De verzochte schadevergoeding kent als achtergrond een veronderstelde waardevermindering van de beslagen goederen gedurende de periode van beslaglegging tot aan het moment van teruggave. Het hof is van oordeel dat artikel 530 Sv noch enige andere bepaling in het Wetboek van Strafvordering voorziet in een grondslag voor een dergelijk verzoek. Het oordeel van de rechtbank dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn verzoek is dan ook juist. Het hof is tevens van oordeel dat ook het verzoek tot vaststelling en toewijzing van een standaardvergoeding door de rechtbank op juiste gronden is afgewezen.
Het hof zal het hoger beroep derhalve afwijzen.
Dictum
Het hof:
Wijst het hoger beroep af
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.M.P. Geelhoed, A.R.O. Mooy en A.C. Huisman, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 22 april 2024.
Inleiding
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer(s): 000846-23 (530 Sv)
parketnummer in eerste aanleg: 13/168547-19
Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2022 op het verzoekschrift op de voet van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] 1974,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. C.J.P. Liefting,
[adres]
Procesverloop
Het hoger beroep is op 19 januari 2023 ingesteld door verzoeker (hierna appellant). Voorts is een appelschriftuur ingekomen.
Op 18 januari 2024 zijn appellant en diens advocaat opgeroepen voor de raadkamer van 25 maart 2024.
Op 22 januari 2024 heeft de advocaat-generaal het advies van het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt.
Het hof heeft ambtshalve vernomen dat de advocaat van appellant per 27 februari 2024 geschrapt is van het tableau.
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 25 maart 2024 de advocaat-generaal ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant is niet in raadkamer verschenen.
2Inhoud van het verzoek
Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van inbeslagname van goederen in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 5.425,00;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in eerste aanleg ten bedrage van € 680,00.
Beoordeling
Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
Appellant is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek en heeft het verzoek voor een standaardvergoeding voor het opmaken, indienen en in behandelen van het verzoekschrift afgewezen.
De verzochte schadevergoeding kent als achtergrond een veronderstelde waardevermindering van de beslagen goederen gedurende de periode van beslaglegging tot aan het moment van teruggave. Het hof is van oordeel dat artikel 530 Sv noch enige andere bepaling in het Wetboek van Strafvordering voorziet in een grondslag voor een dergelijk verzoek. Het oordeel van de rechtbank dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn verzoek is dan ook juist. Het hof is tevens van oordeel dat ook het verzoek tot vaststelling en toewijzing van een standaardvergoeding door de rechtbank op juiste gronden is afgewezen.
Het hof zal het hoger beroep derhalve afwijzen.
Dictum
Het hof:
Wijst het hoger beroep af
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.M.P. Geelhoed, A.R.O. Mooy en A.C. Huisman, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 22 april 2024.