Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-07-30
ECLI:NL:GHAMS:2024:2146
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
4,930 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie -en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.316.422/01 en 200.316.536/01
zaaknummer rechtbank: C/15/322735 / FA RK 21-5784
beschikking van de meervoudige kamer van 30 juli 2024 inzake
[de vrouw]
,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. O. Saraç te Rotterdam,
en
[de man] ,wonende te [plaats B] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. E.B. Doganer te Amsterdam.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar beschikking van de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 9 februari 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Het hof verwijst naar en handhaaft hetgeen is overwogen in de tussenbeschikking van 6 februari 2024. Partijen zijn in de tussenbeschikking in de gelegenheid gesteld zich uiterlijk op 19 maart 2024 schriftelijk uit te laten over het onder 5.12 van de tussenbeschikking overwogene. Partijen zijn daarnaast in de gelegenheid gesteld binnen vier weken te reageren op de uitlating van de ander.
2.2.
Het hof heeft op 19 maart 2024 een reactie van de zijde van de man ontvangen.
2.3.
Het hof heeft op 25 maart 2024 de reactie van de zijde van de vrouw, gedateerd 19 maart 2024, ontvangen. De reactie van de vrouw, met producties, is omvangrijk en bevat onder meer een omschrijving van de feiten en omstandigheden. Alleen het laatste gedeelte van de reactie onder het kopje ‘Inschrijving van de echtscheidingsbeschikking’ ziet op het onderwerp waar partijen zich over mochten uitlaten. Het hof laat het overige gedeelte van de reactie van de vrouw en de producties dan ook buiten beschouwing.
2.4.
Het hof heeft op 26 juni 2024 een nadere reactie van de vrouw ontvangen, inhoudende een verzoek om een beslissing te nemen en een reactie op de brief van de wederpartij van 19 maart 2024. Het hof zal deze reactie buiten beschouwing laten, nu deze (ruim) buiten de in de tussenbeschikking gestelde termijn is ingediend.
3Nadere beoordeling van de ontvankelijkheid
3.1.
Het hof handhaaft hetgeen is overwogen en beslist in zijn tussenbeschikking van 6 februari 2024.
3.2.
In die tussenbeschikking heeft het hof overwogen dat de betekening van de echtscheidingsbeschikking op het adres van de voormalig echtelijke woning niet rechtsgeldig heeft plaatsgevonden en dat uit hetgeen onder 5.9 van de tussenbeschikking is overwogen ten aanzien van de appeltermijn volgt dat de echtscheidingsbeschikking in de onderhavige zaak is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand voordat zij in kracht van gewijsde is gegaan. Het hof heeft partijen bij de tussenbeschikking in de gelegenheid gesteld zich uiterlijk 19 maart 2024 schriftelijk uit te laten over de rechtsgevolgen van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, gelet op het feit dat deze ten tijde van de inschrijving nog niet in kracht van gewijsde was gegaan en over de vraag of die inschrijving, gelet op het bepaalde in artikel 1:163 lid 3 BW, alsnog zou kunnen plaatsvinden. Ook zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of een en ander consequenties zou moeten hebben voor de door hen in hoger beroep gedane verzoeken (met inbegrip van handhaving of wijziging daarvan) en mochten zij binnen vier weken op elkaars reacties reageren.
Het hof heeft van beide partijen de onder 2.2 tot en met 2.4 genoemde schriftelijke reacties ontvangen en zal hierna, met inachtneming van hetgeen onder 2.3 en 2.4 is vermeld met betrekking tot de reacties van de vrouw, de inhoud van die reacties weergeven en beoordelen.
3.3.
De man stelt het volgende. Als het uitgangspunt gevolgd wordt dat de echtscheidingsbeschikking nog niet in kracht van gewijsde is gegaan, hetgeen de man betwist, brengt dit met zich mee dat de inschrijving van de echtscheiding prematuur heeft plaatsgevonden. De man is van mening dat de volgende omstandigheden van belang zijn:
- partijen wensen beiden van elkaar te scheiden;
- de vrouw, althans haar advocaat heeft te kennen gegeven dat de vrouw op 10 juni 2022 kennis heeft genomen van het de echtscheidingsbeschikking en kennelijk, volgens de man ook volgens het hof, de beroepstermijn op dat moment voor haar is gaan lopen;
- de vrouw heeft geen grieven opgeworpen tegen de echtscheiding zelf, wat maakt dat dit onderdeel van de beschikking, voor zover dit niet eerder het geval is geweest, quod non, in ieder geval in kracht van gewijsde is gegaan per 11 september 2022. De echtscheiding had uiterlijk binnen 6 maanden na 11 september 2022 moeten worden ingeschreven, dat was echter niet mogelijk omdat de echtscheiding reeds was ingeschreven, wat een overmachtssituatie opleverde.
De gemeente Den Haag Team Landelijke Taken heeft volgens de man telefonisch meegedeeld dat een eventuele doorhaling van de inschrijving nogal wat tijd in beslag neemt, de procedure zou ten minste een half jaar in beslag nemen.
Omdat beide partijen wensen te scheiden en een eventuele doorhaling van de echtscheiding niet in het belang van beide partijen is, acht de man het wenselijk dat de inschrijving wordt gehandhaafd. De inschrijving van de echtscheiding kan dan weliswaar prematuur zijn, maar deze staat wel en is conform de wens van partijen, aldus de man.
3.4.
De reactie van de vrouw komt er kort samengevat op neer dat zij het eens is met het hof dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand voordat zij in kracht van gewijsde is gegaan en dus te vroeg is ingeschreven. Dit betekent dat het huwelijk van partijen (nog) niet ontbonden is. De termijn van zes maanden is inmiddels verstreken. De man dient opnieuw een verzoekschrift tot echtscheiding in te dienen bij de rechtbank, aldus de vrouw.
3.5.
Het hof overweegt als volgt. Zoals in (r.o 5.9 van) de tussenbeschikking is overwogen, heeft de betekening van de echtscheidingsbeschikking niet in persoon aan de vrouw plaatsgevonden, maar aan het adres van de voormalig echtelijke woning. Om redenen als in die beschikking vermeld, moet het ervoor gehouden worden dat de man wist dat de vrouw ten tijde van die betekening niet daadwerkelijk woonde of verbleef in de echtelijke woning. De onjuiste betekening op het adres van de voormalig echtelijke woning, zoals bedoeld in artikel 57 lid 2 Rv, heeft in dit geval tot gevolg gehad dat onvoldoende waarborg bestond dat de beschikking de vrouw zou bereiken, waardoor zij onredelijk is benadeeld. Dit alles leidt tot het oordeel dat de betekening niet rechtsgeldig is. Gevolg daarvan is dat voor de vrouw de appeltermijn nimmer is gaan lopen (vgl. art. 820 lid 1 Rv). Een redelijke wetstoepassing brengt niettemin mee dat de vrouw het hoger beroep tijdig heeft ingesteld en in zoverre daarin ontvankelijk is.
Vervolgens is in (r.o. 5.11 van) de tussenbeschikking overwogen dat op grond van artikel 1:163 lid 3 BW in samenhang met 1:20 lid 2 BW en onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad een echtscheiding slechts tot stand komt door inschrijving van een echtscheidingsbeschikking die in kracht van gewijsde is gegaan. Uit hetgeen onder 5.9 van de tussenbeschikking (zoals hiervoor weergegeven) is overwogen ten aanzien van de appeltermijn volgt dat de man de echtscheidingsbeschikking heeft doen inschrijven in de registers van de burgerlijke stand voordat zij in kracht van gewijsde is gegaan. Het hof heeft in de tussenbeschikking voorlopig geoordeeld dat de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking op 14 juni 2022 als gevolg daarvan zonder rechtsgevolg is gebleven.
Het hof handhaaft dit oordeel. Uit de reacties van partijen zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die tot een ander oordeel kunnen leiden. Dat partijen allebei willen scheiden en daarbij belang hebben, zoals de man aanvoert, maakt dit niet anders. Nu de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking zonder rechtsgevolg is gebleven betekent dit dat het huwelijk van partijen nog niet is ontbonden.
3.6.
De vraag rest of inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, gelet op het bepaalde in artikel 1:163 lid 3 BW, alsnog zou kunnen plaatsvinden. Het hof overweegt hiertoe als volgt. Op grond van artikel 1:163 lid 3 BW verliest de echtscheidingsbeschikking haar kracht als het verzoek tot inschrijving niet is gedaan uiterlijk zes maanden na de dag waarop de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.
De vrouw is op 5 september 2022 in hoger beroep gekomen.
Dictum
Het hof:
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoeken in hoger beroep;
verstaat dat de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag op 14 juni 2022 niet tot gevolg heeft gehad dat het huwelijk van partijen is ontbonden.
wijst af het verzoek van de man om een proceskostenveroordeling.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. M.T. Hoogland en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier en is op 30 juli 2024 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie -en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.316.422/01 en 200.316.536/01
zaaknummer rechtbank: C/15/322735 / FA RK 21-5784
beschikking van de meervoudige kamer van 30 juli 2024 inzake
[de vrouw]
,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. O. Saraç te Rotterdam,
en
[de man] ,wonende te [plaats B] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. E.B. Doganer te Amsterdam.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar beschikking van de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 9 februari 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Het hof verwijst naar en handhaaft hetgeen is overwogen in de tussenbeschikking van 6 februari 2024. Partijen zijn in de tussenbeschikking in de gelegenheid gesteld zich uiterlijk op 19 maart 2024 schriftelijk uit te laten over het onder 5.12 van de tussenbeschikking overwogene. Partijen zijn daarnaast in de gelegenheid gesteld binnen vier weken te reageren op de uitlating van de ander.
2.2.
Het hof heeft op 19 maart 2024 een reactie van de zijde van de man ontvangen.
2.3.
Het hof heeft op 25 maart 2024 de reactie van de zijde van de vrouw, gedateerd 19 maart 2024, ontvangen. De reactie van de vrouw, met producties, is omvangrijk en bevat onder meer een omschrijving van de feiten en omstandigheden. Alleen het laatste gedeelte van de reactie onder het kopje ‘Inschrijving van de echtscheidingsbeschikking’ ziet op het onderwerp waar partijen zich over mochten uitlaten. Het hof laat het overige gedeelte van de reactie van de vrouw en de producties dan ook buiten beschouwing.
2.4.
Het hof heeft op 26 juni 2024 een nadere reactie van de vrouw ontvangen, inhoudende een verzoek om een beslissing te nemen en een reactie op de brief van de wederpartij van 19 maart 2024. Het hof zal deze reactie buiten beschouwing laten, nu deze (ruim) buiten de in de tussenbeschikking gestelde termijn is ingediend.
3Nadere beoordeling van de ontvankelijkheid
3.1.
Het hof handhaaft hetgeen is overwogen en beslist in zijn tussenbeschikking van 6 februari 2024.
3.2.
In die tussenbeschikking heeft het hof overwogen dat de betekening van de echtscheidingsbeschikking op het adres van de voormalig echtelijke woning niet rechtsgeldig heeft plaatsgevonden en dat uit hetgeen onder 5.9 van de tussenbeschikking is overwogen ten aanzien van de appeltermijn volgt dat de echtscheidingsbeschikking in de onderhavige zaak is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand voordat zij in kracht van gewijsde is gegaan. Het hof heeft partijen bij de tussenbeschikking in de gelegenheid gesteld zich uiterlijk 19 maart 2024 schriftelijk uit te laten over de rechtsgevolgen van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, gelet op het feit dat deze ten tijde van de inschrijving nog niet in kracht van gewijsde was gegaan en over de vraag of die inschrijving, gelet op het bepaalde in artikel 1:163 lid 3 BW, alsnog zou kunnen plaatsvinden. Ook zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of een en ander consequenties zou moeten hebben voor de door hen in hoger beroep gedane verzoeken (met inbegrip van handhaving of wijziging daarvan) en mochten zij binnen vier weken op elkaars reacties reageren.
Het hof heeft van beide partijen de onder 2.2 tot en met 2.4 genoemde schriftelijke reacties ontvangen en zal hierna, met inachtneming van hetgeen onder 2.3 en 2.4 is vermeld met betrekking tot de reacties van de vrouw, de inhoud van die reacties weergeven en beoordelen.
3.3.
De man stelt het volgende. Als het uitgangspunt gevolgd wordt dat de echtscheidingsbeschikking nog niet in kracht van gewijsde is gegaan, hetgeen de man betwist, brengt dit met zich mee dat de inschrijving van de echtscheiding prematuur heeft plaatsgevonden. De man is van mening dat de volgende omstandigheden van belang zijn:
- partijen wensen beiden van elkaar te scheiden;
- de vrouw, althans haar advocaat heeft te kennen gegeven dat de vrouw op 10 juni 2022 kennis heeft genomen van het de echtscheidingsbeschikking en kennelijk, volgens de man ook volgens het hof, de beroepstermijn op dat moment voor haar is gaan lopen;
- de vrouw heeft geen grieven opgeworpen tegen de echtscheiding zelf, wat maakt dat dit onderdeel van de beschikking, voor zover dit niet eerder het geval is geweest, quod non, in ieder geval in kracht van gewijsde is gegaan per 11 september 2022. De echtscheiding had uiterlijk binnen 6 maanden na 11 september 2022 moeten worden ingeschreven, dat was echter niet mogelijk omdat de echtscheiding reeds was ingeschreven, wat een overmachtssituatie opleverde.
De gemeente Den Haag Team Landelijke Taken heeft volgens de man telefonisch meegedeeld dat een eventuele doorhaling van de inschrijving nogal wat tijd in beslag neemt, de procedure zou ten minste een half jaar in beslag nemen.
Omdat beide partijen wensen te scheiden en een eventuele doorhaling van de echtscheiding niet in het belang van beide partijen is, acht de man het wenselijk dat de inschrijving wordt gehandhaafd. De inschrijving van de echtscheiding kan dan weliswaar prematuur zijn, maar deze staat wel en is conform de wens van partijen, aldus de man.
3.4.
De reactie van de vrouw komt er kort samengevat op neer dat zij het eens is met het hof dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand voordat zij in kracht van gewijsde is gegaan en dus te vroeg is ingeschreven. Dit betekent dat het huwelijk van partijen (nog) niet ontbonden is. De termijn van zes maanden is inmiddels verstreken. De man dient opnieuw een verzoekschrift tot echtscheiding in te dienen bij de rechtbank, aldus de vrouw.
3.5.
Het hof overweegt als volgt. Zoals in (r.o 5.9 van) de tussenbeschikking is overwogen, heeft de betekening van de echtscheidingsbeschikking niet in persoon aan de vrouw plaatsgevonden, maar aan het adres van de voormalig echtelijke woning. Om redenen als in die beschikking vermeld, moet het ervoor gehouden worden dat de man wist dat de vrouw ten tijde van die betekening niet daadwerkelijk woonde of verbleef in de echtelijke woning. De onjuiste betekening op het adres van de voormalig echtelijke woning, zoals bedoeld in artikel 57 lid 2 Rv, heeft in dit geval tot gevolg gehad dat onvoldoende waarborg bestond dat de beschikking de vrouw zou bereiken, waardoor zij onredelijk is benadeeld. Dit alles leidt tot het oordeel dat de betekening niet rechtsgeldig is. Gevolg daarvan is dat voor de vrouw de appeltermijn nimmer is gaan lopen (vgl. art. 820 lid 1 Rv). Een redelijke wetstoepassing brengt niettemin mee dat de vrouw het hoger beroep tijdig heeft ingesteld en in zoverre daarin ontvankelijk is.
Vervolgens is in (r.o. 5.11 van) de tussenbeschikking overwogen dat op grond van artikel 1:163 lid 3 BW in samenhang met 1:20 lid 2 BW en onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad een echtscheiding slechts tot stand komt door inschrijving van een echtscheidingsbeschikking die in kracht van gewijsde is gegaan. Uit hetgeen onder 5.9 van de tussenbeschikking (zoals hiervoor weergegeven) is overwogen ten aanzien van de appeltermijn volgt dat de man de echtscheidingsbeschikking heeft doen inschrijven in de registers van de burgerlijke stand voordat zij in kracht van gewijsde is gegaan. Het hof heeft in de tussenbeschikking voorlopig geoordeeld dat de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking op 14 juni 2022 als gevolg daarvan zonder rechtsgevolg is gebleven.
Het hof handhaaft dit oordeel. Uit de reacties van partijen zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die tot een ander oordeel kunnen leiden. Dat partijen allebei willen scheiden en daarbij belang hebben, zoals de man aanvoert, maakt dit niet anders. Nu de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking zonder rechtsgevolg is gebleven betekent dit dat het huwelijk van partijen nog niet is ontbonden.
3.6.
De vraag rest of inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, gelet op het bepaalde in artikel 1:163 lid 3 BW, alsnog zou kunnen plaatsvinden. Het hof overweegt hiertoe als volgt. Op grond van artikel 1:163 lid 3 BW verliest de echtscheidingsbeschikking haar kracht als het verzoek tot inschrijving niet is gedaan uiterlijk zes maanden na de dag waarop de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.
De vrouw is op 5 september 2022 in hoger beroep gekomen.
Dictum
Het hof:
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoeken in hoger beroep;
verstaat dat de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag op 14 juni 2022 niet tot gevolg heeft gehad dat het huwelijk van partijen is ontbonden.
wijst af het verzoek van de man om een proceskostenveroordeling.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. M.T. Hoogland en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier en is op 30 juli 2024 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.