Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-03-12
ECLI:NL:GHAMS:2024:2034
Strafrecht
Hoger beroep
5,270 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002897-20
datum uitspraak: 12 maart 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 8 december 2020 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 15-710247-16 tegen de betrokkene:
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,
adres: [adres 1].
Procesgang
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 29.628,78.
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 8 december 2020 veroordeeld ter zake van – kort gezegd – medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod en diefstal van elektriciteit. De betrokkene is schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.
Voorts heeft de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 8 december 2020 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 14.764,39 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Namens de betrokkene is hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 maart 2024 veroordeeld ter zake van – kort gezegd – medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 februari 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot ten aanzien van de betalingsverplichting tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 29.528,39. De betalingsverplichting dient te worden vastgesteld op het gehalveerde bedrag zoals de rechtbank aan betalingsverplichting heeft vastgesteld, maar met een matiging van 25% vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen, aangezien er – kort weergegeven – niets te ontnemen is bij de betrokkene, de betrokkene nergens van af wist en er nimmer een oogst is gerealiseerd.
Het hof overweegt als volgt.
Grondslag van de ontnemingsvordering
De betrokkene is bij arrest van 12 maart 2024 veroordeeld voor het op 6 juli 2016 opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Op die datum is in een pand aan de [adres 2] een hennepkwekerij aangetroffen met in totaal 347 hennepplanten. Op camerabeelden van 2 juli 2016 is te zien dat de twee personen omstreeks 02.44 uur het pand binnen gaan en omstreeks 05.41 uur het pand weer verlaten. De betrokkene heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij degene is die op deze camerabeelden te zien is, tezamen met [medeverdachte]. Ook op 6 juli 2016 is de betrokkene midden in de nacht waargenomen, terwijl hij samen met [medeverdachte] het betreffende pand omstreeks 04.14 uur verliet. Twee verbalisanten hebben omstreeks 02.00 uur bij het pand een auto aangetroffen waarvan de uitlaat nog warm was. Zij hebben buiten bij de toegangsdeur gewacht totdat er personen het pand uit zouden komen. De betrokkene had een sleutelbos op zak met daaraan de sleutels die op alle deuren van het bedrijfspand pasten. De betrokkene beschikte over de sleutels van het pand, van de binnendeuren – passend voor de deuren die leidden naar de begane grond en naar de trap naar de eerste etage – en van de meterkast. Betrokkene beschikte ook over de afstandsbediening van de toegangshekken van het bedrijventerrein waarop het pand zich bevond. In de linker jaszak van de verdachte zijn ook lange kruiskopschroeven aangetroffen, soortgelijk aan de schroeven waarmee het deurtje op de eerste etage dat leidde naar de hennepplantage dichtgeschroefd zat. Bij de aanhouding op 6 juli 2016 zijn in de zak van [medeverdachte] verse henneptoppen aangetroffen.
De alternatieve verklaring van de betrokkene voor diens aanwezigheid, is door het hof in de onderliggende strafzaak als ongeloofwaardig terzijde geschoven.
Op de camerabeelden zijn, behalve de betrokkene en [medeverdachte], geen andere personen te zien die uit het pand komen. De politie heeft de eigenaar van het pand, [naam], gehoord en onderzoek gedaan naar personen die (eveneens) toegang tot het bedrijfspand hadden of hebben gehad. De politie heeft na dat onderzoek gerelateerd dat van die personen niet van enige betrokkenheid bij de hennepkwekerij is gebleken.
In het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 26 juli 2016 (hierna: het ontnemingsrapport) is een aantal indicatoren vastgesteld, die wijzen op een eerdere oogst. Er zijn verdroogde hennepresten aangetroffen, er lag stof op de assimilatielampen, elektra, afvoerbuizen van de ventilatie en de transformatoren, de koolstoffilters waren vervuild en verkleurd op de plek van bevestiging, de kweekruimtes waren verontreinigd met resten van groei- en bloeimiddelen, de droognetten bevatten resten van henneptoppen, er lagen vervuilde, kennelijk gebruikte, plantenstokken en in de kweekruimte zijn lege jerrycans van groeimiddelen aangetroffen.
Gelet op de aanwezigheid van de betrokkene in het betreffende pand in combinatie met de eerdere oogst en de vaststellingen aangaande de andere persoenen die toegang tot het bedrijfspand hadden of hebben gehad, zijn er naar het oordeel van het hof voldoende aanwijzingen dat de betrokkene degene is geweest die uit andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht wederrechtelijk voordeel heeft genoten.
Opbrengst
Het hof verenigt zich met het ontnemingsrapport en neemt dit over. Er zijn in totaal 347 hennepplanten aangetroffen in het pand aan de [adres 2]. In kweekruimte 1 stonden 207 hennepplanten in potten en in kweekruimte 2 stonden 140 hennepplanten in potten. Aangezien uit het onderzoek niet is gebleken wat de geoogste hennep precies heeft opgebracht, zal voor de berekening van het voordeel gebruik worden gemaakt van standaardnormen die gelden bij 15 hennepplanten in potten per vierkante meter. Uitgaande van een gemiddelde opbrengst van 28,2 gram per hennepplant, bedraagt de totale bruto opbrengst aan hennep per oogst voor kweekruimte 1: 207 hennepplanten x 28,2 gram = 5,8374 kilogram. Voor kweekruimte 2 komt de opbrengst op: 140 hennepplanten x 28,2 gram = 3,948 kilogram. De totale opbrengst aan hennep per oogst is dus 5,8374 + 3,948 = 9,7854 kilogram.
Aangezien de daadwerkelijke verkoopprijs van de hennep niet is vastgesteld, zal worden gerekend met een standaardnorm van € 3.280,00 minimale bruto opbrengst per kilogram: 9,7854 kilogram x € 3.280,00 = € 32.096,11.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 29.528,78 (negenentwintigduizend vijfhonderdachtentwintig euro en achtenzeventig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 13.287,95 (dertienduizend tweehonderdzevenentachtig euro en vijfennegentig cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 265 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. L.F. Roseval, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. S. Geensen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 maart 2024.
Mr. B.A.A. Postma en mr. S. Geensen zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=
===
[…]
Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 6 juli 2016 (p. 67-68).
Proces-verbaal van bevindingen van 4 juli 2016 inclusief bijlagen (p. 52-61).
Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 februari 2024, inhoudende de verklaring van de betrokkene.
Proces-verbaal van bevindingen van 6 juli 2016 (p. 62-63)
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 26 juli 2016 (p. 221).
Proces-verbaal van bevindingen van 6 juli 2016 (p. 62-63).
Proces-verbaal van bevindingen van 6 juli 2016 (p. 63).
Proces-verbaal van bevindingen van 13 oktober 2016 (p. 135).
Zie dossierpagina 128 tot en met 133, en het proces-verbaal van bevindingen van 13 oktober 2016 (p. 134-135).
Proces-verbaal van bevindingen van 13 oktober 2016 (p. 135).
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 26 juli 2016 (p. 219-220).
Idem, p. 215-221.
Idem, p. 217-218.
Idem, p. 218-219.
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002897-20
datum uitspraak: 12 maart 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 8 december 2020 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 15-710247-16 tegen de betrokkene:
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,
adres: [adres 1].
Procesgang
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 29.628,78.
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 8 december 2020 veroordeeld ter zake van – kort gezegd – medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod en diefstal van elektriciteit. De betrokkene is schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.
Voorts heeft de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 8 december 2020 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 14.764,39 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Namens de betrokkene is hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 maart 2024 veroordeeld ter zake van – kort gezegd – medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 februari 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot ten aanzien van de betalingsverplichting tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 29.528,39. De betalingsverplichting dient te worden vastgesteld op het gehalveerde bedrag zoals de rechtbank aan betalingsverplichting heeft vastgesteld, maar met een matiging van 25% vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen, aangezien er – kort weergegeven – niets te ontnemen is bij de betrokkene, de betrokkene nergens van af wist en er nimmer een oogst is gerealiseerd.
Het hof overweegt als volgt.
Grondslag van de ontnemingsvordering
De betrokkene is bij arrest van 12 maart 2024 veroordeeld voor het op 6 juli 2016 opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Op die datum is in een pand aan de [adres 2] een hennepkwekerij aangetroffen met in totaal 347 hennepplanten. Op camerabeelden van 2 juli 2016 is te zien dat de twee personen omstreeks 02.44 uur het pand binnen gaan en omstreeks 05.41 uur het pand weer verlaten. De betrokkene heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij degene is die op deze camerabeelden te zien is, tezamen met [medeverdachte]. Ook op 6 juli 2016 is de betrokkene midden in de nacht waargenomen, terwijl hij samen met [medeverdachte] het betreffende pand omstreeks 04.14 uur verliet. Twee verbalisanten hebben omstreeks 02.00 uur bij het pand een auto aangetroffen waarvan de uitlaat nog warm was. Zij hebben buiten bij de toegangsdeur gewacht totdat er personen het pand uit zouden komen. De betrokkene had een sleutelbos op zak met daaraan de sleutels die op alle deuren van het bedrijfspand pasten. De betrokkene beschikte over de sleutels van het pand, van de binnendeuren – passend voor de deuren die leidden naar de begane grond en naar de trap naar de eerste etage – en van de meterkast. Betrokkene beschikte ook over de afstandsbediening van de toegangshekken van het bedrijventerrein waarop het pand zich bevond. In de linker jaszak van de verdachte zijn ook lange kruiskopschroeven aangetroffen, soortgelijk aan de schroeven waarmee het deurtje op de eerste etage dat leidde naar de hennepplantage dichtgeschroefd zat. Bij de aanhouding op 6 juli 2016 zijn in de zak van [medeverdachte] verse henneptoppen aangetroffen.
De alternatieve verklaring van de betrokkene voor diens aanwezigheid, is door het hof in de onderliggende strafzaak als ongeloofwaardig terzijde geschoven.
Op de camerabeelden zijn, behalve de betrokkene en [medeverdachte], geen andere personen te zien die uit het pand komen. De politie heeft de eigenaar van het pand, [naam], gehoord en onderzoek gedaan naar personen die (eveneens) toegang tot het bedrijfspand hadden of hebben gehad. De politie heeft na dat onderzoek gerelateerd dat van die personen niet van enige betrokkenheid bij de hennepkwekerij is gebleken.
In het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 26 juli 2016 (hierna: het ontnemingsrapport) is een aantal indicatoren vastgesteld, die wijzen op een eerdere oogst. Er zijn verdroogde hennepresten aangetroffen, er lag stof op de assimilatielampen, elektra, afvoerbuizen van de ventilatie en de transformatoren, de koolstoffilters waren vervuild en verkleurd op de plek van bevestiging, de kweekruimtes waren verontreinigd met resten van groei- en bloeimiddelen, de droognetten bevatten resten van henneptoppen, er lagen vervuilde, kennelijk gebruikte, plantenstokken en in de kweekruimte zijn lege jerrycans van groeimiddelen aangetroffen.
Gelet op de aanwezigheid van de betrokkene in het betreffende pand in combinatie met de eerdere oogst en de vaststellingen aangaande de andere persoenen die toegang tot het bedrijfspand hadden of hebben gehad, zijn er naar het oordeel van het hof voldoende aanwijzingen dat de betrokkene degene is geweest die uit andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht wederrechtelijk voordeel heeft genoten.
Opbrengst
Het hof verenigt zich met het ontnemingsrapport en neemt dit over. Er zijn in totaal 347 hennepplanten aangetroffen in het pand aan de [adres 2]. In kweekruimte 1 stonden 207 hennepplanten in potten en in kweekruimte 2 stonden 140 hennepplanten in potten. Aangezien uit het onderzoek niet is gebleken wat de geoogste hennep precies heeft opgebracht, zal voor de berekening van het voordeel gebruik worden gemaakt van standaardnormen die gelden bij 15 hennepplanten in potten per vierkante meter. Uitgaande van een gemiddelde opbrengst van 28,2 gram per hennepplant, bedraagt de totale bruto opbrengst aan hennep per oogst voor kweekruimte 1: 207 hennepplanten x 28,2 gram = 5,8374 kilogram. Voor kweekruimte 2 komt de opbrengst op: 140 hennepplanten x 28,2 gram = 3,948 kilogram. De totale opbrengst aan hennep per oogst is dus 5,8374 + 3,948 = 9,7854 kilogram.
Aangezien de daadwerkelijke verkoopprijs van de hennep niet is vastgesteld, zal worden gerekend met een standaardnorm van € 3.280,00 minimale bruto opbrengst per kilogram: 9,7854 kilogram x € 3.280,00 = € 32.096,11.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 29.528,78 (negenentwintigduizend vijfhonderdachtentwintig euro en achtenzeventig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 13.287,95 (dertienduizend tweehonderdzevenentachtig euro en vijfennegentig cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 265 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. L.F. Roseval, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. S. Geensen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 maart 2024.
Mr. B.A.A. Postma en mr. S. Geensen zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=
===
[…]
Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 6 juli 2016 (p. 67-68).
Proces-verbaal van bevindingen van 4 juli 2016 inclusief bijlagen (p. 52-61).
Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 februari 2024, inhoudende de verklaring van de betrokkene.
Proces-verbaal van bevindingen van 6 juli 2016 (p. 62-63)
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 26 juli 2016 (p. 221).
Proces-verbaal van bevindingen van 6 juli 2016 (p. 62-63).
Proces-verbaal van bevindingen van 6 juli 2016 (p. 63).
Proces-verbaal van bevindingen van 13 oktober 2016 (p. 135).
Zie dossierpagina 128 tot en met 133, en het proces-verbaal van bevindingen van 13 oktober 2016 (p. 134-135).
Proces-verbaal van bevindingen van 13 oktober 2016 (p. 135).
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 26 juli 2016 (p. 219-220).
Idem, p. 215-221.
Idem, p. 217-218.
Idem, p. 218-219.