Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-01-24
ECLI:NL:GHAMS:2024:195
Strafrecht
Hoger beroep
4,312 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001411-22
datum uitspraak: 24 januari 2024
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 19 februari 2021 in de strafzaak onder parketnummer 15-148438-20 tegen
[verdachte01]
,
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1992,
adres: [adres01] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
10 januari 2024.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 11 januari 2020 te Haarlem, althans in Nederland, [benadeelde01] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde01] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak je dood. Ik schiet je dood. Je hebt mazzel dat ik mijn pistool niet bij me heb nu. Ik ga zorgen dat je opstaat met een gebroken schedel. Ik steek je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Bespreking van een bewijsverweer
Volgens de raadsman kunnen de uitlatingen van de verdachte niet als bedreiging worden gekwalificeerd, omdat het de portier duidelijk was dat het slechts ging om het uitschreeuwen door de verdachte van zijn frustratie.
Het hof verwerpt dat verweer, omdat naar zijn oordeel de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij [benadeelde01] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen, en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 11 januari 2020 te Haarlem, [benadeelde01] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [benadeelde01] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak je dood. Ik schiet je dood. Je hebt mazzel dat ik mijn pistool niet bij me heb nu. Ik ga zorgen dat je opstaat met een gebroken schedel. Ik steek je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Strafbaarheid van de verdachte
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep op psychische overmacht toekomt en dat hij om die reden dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte de bedreigingen heeft geuit doordat hij in een bepaalde psychische toestand verkeerde. Die psychische toestand is veroorzaakt doordat hij zonder goede reden en met buitenproportioneel geweld het café zou zijn uitgezet, waarbij hij ten val is gekomen en letsel aan zijn hand heeft opgelopen.
Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden. Niet aannemelijk is geworden dat ten tijde van het tenlastegelegde sprake was van een van buiten komende drang bij de verdachte. Daarnaast kon redelijkerwijs van de verdachte worden gevergd af te zien van het bedreigen van de aangever. Het beroep op psychische overmacht wordt dan ook verworpen.
Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 250,00, te vervangen door vijf dagen hechtenis indien deze geldboete niet wordt voldaan.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 500,00, te vervangen door tien dagen hechtenis indien deze geldboete niet wordt voldaan.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte en diens draagkracht. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich in het uitgaansleven schuldig gemaakt aan het bedreigen van een beveiliger. Door de beveiliger te bedreigen heeft de verdachte gevoelens van angst en onveiligheid bij hem teweeggebracht. Bovendien versterkt dergelijk gedrag in het openbare uitgaansleven de in de samenleving levende gevoelens van angst en onrust. Het hof heeft rekening gehouden met straffen die meestal worden opgelegd voor soortgelijke feiten.
Uit het strafblad van de verdachte van 18 december 2023 blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk feit strafrechtelijk is veroordeeld.
In het voordeel van de verdachte houdt het hof rekening met het tijdsverloop en het feit dat de verdachte door de gevolgen is getroffen gelet op het letsel aan zijn hand dat hij heeft opgelopen door de gebeurtenissen voorafgaand aan de bedreiging.
Het hof acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke geldboete van € 250,00 passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde01]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 300,00 ter compensatie van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft toewijzing van de gehele vordering tot schadevergoeding gevorderd.
De raadsman heeft het hof verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen, omdat het rechtstreekse verband tussen de opgegeven schade en het bewezenverklaarde onvoldoende onderbouwd is.
Het hof overweegt als volgt.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboete
van
€ 250,00 (tweehonderdvijftig euro)
, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
5 (vijf) dagen hechtenis
.
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jaren
aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde01]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde01] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte en de benadeelde partij ieder in de eigen kosten.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Kuiper, mr. R.P. den Otter en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van
mr. L.M. van Leeuwen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 januari 2024.
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001411-22
datum uitspraak: 24 januari 2024
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 19 februari 2021 in de strafzaak onder parketnummer 15-148438-20 tegen
[verdachte01]
,
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1992,
adres: [adres01] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
10 januari 2024.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 11 januari 2020 te Haarlem, althans in Nederland, [benadeelde01] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde01] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak je dood. Ik schiet je dood. Je hebt mazzel dat ik mijn pistool niet bij me heb nu. Ik ga zorgen dat je opstaat met een gebroken schedel. Ik steek je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Bespreking van een bewijsverweer
Volgens de raadsman kunnen de uitlatingen van de verdachte niet als bedreiging worden gekwalificeerd, omdat het de portier duidelijk was dat het slechts ging om het uitschreeuwen door de verdachte van zijn frustratie.
Het hof verwerpt dat verweer, omdat naar zijn oordeel de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij [benadeelde01] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen, en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 11 januari 2020 te Haarlem, [benadeelde01] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [benadeelde01] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak je dood. Ik schiet je dood. Je hebt mazzel dat ik mijn pistool niet bij me heb nu. Ik ga zorgen dat je opstaat met een gebroken schedel. Ik steek je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Strafbaarheid van de verdachte
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep op psychische overmacht toekomt en dat hij om die reden dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte de bedreigingen heeft geuit doordat hij in een bepaalde psychische toestand verkeerde. Die psychische toestand is veroorzaakt doordat hij zonder goede reden en met buitenproportioneel geweld het café zou zijn uitgezet, waarbij hij ten val is gekomen en letsel aan zijn hand heeft opgelopen.
Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden. Niet aannemelijk is geworden dat ten tijde van het tenlastegelegde sprake was van een van buiten komende drang bij de verdachte. Daarnaast kon redelijkerwijs van de verdachte worden gevergd af te zien van het bedreigen van de aangever. Het beroep op psychische overmacht wordt dan ook verworpen.
Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 250,00, te vervangen door vijf dagen hechtenis indien deze geldboete niet wordt voldaan.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 500,00, te vervangen door tien dagen hechtenis indien deze geldboete niet wordt voldaan.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte en diens draagkracht. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich in het uitgaansleven schuldig gemaakt aan het bedreigen van een beveiliger. Door de beveiliger te bedreigen heeft de verdachte gevoelens van angst en onveiligheid bij hem teweeggebracht. Bovendien versterkt dergelijk gedrag in het openbare uitgaansleven de in de samenleving levende gevoelens van angst en onrust. Het hof heeft rekening gehouden met straffen die meestal worden opgelegd voor soortgelijke feiten.
Uit het strafblad van de verdachte van 18 december 2023 blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk feit strafrechtelijk is veroordeeld.
In het voordeel van de verdachte houdt het hof rekening met het tijdsverloop en het feit dat de verdachte door de gevolgen is getroffen gelet op het letsel aan zijn hand dat hij heeft opgelopen door de gebeurtenissen voorafgaand aan de bedreiging.
Het hof acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke geldboete van € 250,00 passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde01]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 300,00 ter compensatie van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft toewijzing van de gehele vordering tot schadevergoeding gevorderd.
De raadsman heeft het hof verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen, omdat het rechtstreekse verband tussen de opgegeven schade en het bewezenverklaarde onvoldoende onderbouwd is.
Het hof overweegt als volgt.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboete
van
€ 250,00 (tweehonderdvijftig euro)
, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
5 (vijf) dagen hechtenis
.
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jaren
aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde01]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde01] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte en de benadeelde partij ieder in de eigen kosten.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Kuiper, mr. R.P. den Otter en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van
mr. L.M. van Leeuwen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 januari 2024.