Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-06-25
ECLI:NL:GHAMS:2024:1745
Civiel recht
Hoger beroep
10,252 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.333.964/01 KG
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/736210 / KG ZA 23-591
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 juni 2024
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [plaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. R.R.J.W. Delsing te Kerkrade,
tegen
1. de vennootschap onder firma
LA BOULANGERIE DE KOLK,
gevestigd te Amsterdam ,
2. [geïntimeerde 2],
wonende te [plaats 2] ,
3. [geïntimeerde 3],
wonende te [plaats 2] ,
4. [geïntimeerde 3],
wonende te [plaats 1] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. W.K. Cheng te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] , de vof, en [geïntimeerden] genoemd. Met ‘ [geïntimeerden] ’ (in enkelvoud) worden hierna alle geïntimeerden bedoeld, tenzij uit de context anders blijkt.
1De zaak in het kort
[appellant] vordert [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot afgifte van de administratie van de vof en tot toegang in de boulangerie die door de vof wordt gedreven, zodat [appellant] – met uitsluiting van anderen – alle werkzaamheden kan verrichten die noodzakelijk zijn voor de exploitatie van de boulangerie. De voorzieningenrechter heeft de gevraagde voorzieningen afgewezen. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis.
Procesverloop
[appellant] is bij dagvaarding voor spoedappel van 28 september 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 31 augustus 2023 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerden] als gedaagden.
Op 31 oktober 2023 heeft het hof het verzoek om spoedappel afgewezen op de grond dat de grieven niet waren opgenomen in de dagvaarding in hoger beroep.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord, met producties;
- bericht van 30 januari 2024 van depot van een usb-stick met videobestanden van [geïntimeerden] ;
- akte van depot van 30 januari 2024 van [geïntimeerden] ;
- bericht van 25 maart 2024 van depot van een usb-stick met producties A tot en met G van [appellant] ;
- akte van depot van 27 maart 2024 van [appellant] ;
- antwoordakte producties aan de zijde van [geïntimeerden] .
In de memorie van grieven spreekt [appellant] over ‘de verzochte mondelinge behandeling’ (zie onder 3 van dat processtuk). Om een mondelinge behandeling is echter niet gevraagd. Na de roldatum waarop de memories waren genomen, is een termijn van twee weken verleend voor beraad partijen. Op dat moment kon de mondelinge behandeling worden verzocht. Van partijen werd geen instructie ontvangen. Daarom is de zaak verwezen naar de rol van 27 februari 2024 voor fourneren. Op die roldatum heeft [geïntimeerden] gefourneerd en arrest gevraagd. Vervolgens heeft het hof de gelegenheid gegeven (i) aan [appellant] om de producties bij de memorie van grieven over te leggen en (ii) aan [geïntimeerden] om daarop bij akte te reageren. Ten slotte is arrest bepaald.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog zijn vorderingen zal toewijzen, met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.
[geïntimeerden] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep.
Feiten
Onder 2 van het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de feiten opgesomd die zij bij de beoordeling tot uitgangspunt heeft genomen. Deze opsomming vormt ook in hoger beroep het uitgangspunt en komt op het volgende neer.
3.1.
Op 17 februari 2020 is een samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen [appellant] en de vof. De overeenkomst is ondertekend door [geïntimeerde 2] , namens de vof, en door [appellant] . Partijen zijn het erover eens dat de bedoeling van de samenwerkingsovereenkomst was dat [appellant] als vennoot zou toetreden tot de vof, alhoewel dit niet letterlijk zo in de overeenkomst is opgenomen. Uit een uittreksel uit het handelsregister van 5 maart 2020 van de Kamer van Koophandel volgt ook dat [geïntimeerde 2] en [appellant] op dat moment als enige vennoten van de vof stonden ingeschreven ( [appellant] sinds 1 maart 2020).
3.2.
Uit een meer recent en laatstelijk overgelegd uittreksel uit het handelsregister blijkt dat op dat moment [geïntimeerde 2] , en [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 3] (de kinderen van [geïntimeerde 2] ), vennoot waren van de vof. [appellant] staat niet langer ingeschreven als vennoot.
3.3.
De vof drijft een boulangerie aan [straat] te [plaats 1] .
3.4.
Vanaf 17 februari 2020 heeft [appellant] de exploitatie van de boulangerie min of meer alleen ter hand genomen. Overeengekomen is dat [appellant] hiervoor een bedrag van € 6.000 per maand aan de vof dan wel aan [geïntimeerden] zou betalen. [geïntimeerden] speelde alleen op de achtergrond een rol. Wel had [geïntimeerden] de beschikking over de bankrekening van de vof.
3.5.
Vanaf de aanvang van de samenwerking beschikte [appellant] over een uitkering van de gemeente [plaats 1] die de bedoeling had startende ondernemers te ondersteunen.
3.6.
Vanaf januari 2023 is de boulangerie enige tijd gesloten geweest in verband met een verbouwing. In maart 2023 is de boulangerie weer geopend. Vanaf dat moment is [appellant] toegang tot de boulangerie geweigerd.
3.7.
Bij brief van 29 maart 2023 heeft de advocaat van [appellant] onder meer het volgende geschreven aan de vof/ [geïntimeerden] :
‘Cliënt heeft een samenwerkingsovereenkomst gesloten 17 februari 2020 met als looptijd 5 jaar. Cliënt heeft maandelijks een bedrag voor en inventaris ter hoogte van € 6.000,00 voldaan voor het gebruik en huur van La Boulangerie de Kolk aan [straat] te [plaats 1] .
Er is overeengekomen dat bij de Boulangerie de Kolk vanaf 9 januari 2023 een verbouwing zou plaatsvinden. Tijdens deze verbouwing zou de zaak gesloten zijn en was geen huur/vergoeding verschuldigd.
Cliënt heeft geconstateerd dat de zaak ineens in maart 2023 weer geopend was zonder dat hij hiervan weet had. Dit handelen is onrechtmatig aangezien hij en alleen hij de uitbater is van deze onderneming. Tevens heeft cliënt tot overmaat van ramp geconstateerd dat hij onrechtmatig is uitgeschreven uit het handelsregister.
De huurovereenkomst/samenwerkingsovereenkomst is nooit opgezegd, danwel is er de indruk gewekt dat deze opgezegd/beëindigd zou zijn. De overeenkomst is voortdurend.
Verder worden er ernstige onregelmatigheden vermoed in de boekhouding/financiële administratie van de onderneming, uitgevoerd door Reaxi. Bijvoorbeeld heeft cliënt nooit btw-teruggave etc ontvangen.
Het lijkt een vooropgezet plan om cliënt op te lichten. Ik zal met cliënt aangifte gaan doen bij de politie te [plaats 1] alsmede zal de FIOD worden verzocht om een onderzoek in te stellen vanwege financiële malversaties.
Voorts sommeer ik u de heer [geïntimeerden] om cliënt binnen 2 dagen na heden cliënt de volledige toegang te verschaffen tot het gehuurde bij gebreke waarvan ik de opdracht heb om in kort geding te dagvaarden.
(…).’
3.8.
Bij e-mail van 11 april 2023 heeft [geïntimeerden] onder meer het volgende geantwoord aan de advocaat van [appellant] :
‘Net voor het Paasweekend ontvingen wij uw brief.
De inhoud ervan heeft ons nogal verbaasd.
Vandaar dat we u mailen met informatie die uw cliënt blijkbaar niet met u heeft gedeeld.
*we hebben een getekende overeenkomst waarin uw cliënt partner zou worden voor een bedrag van €175.000, hij zou dit geld uit het buitenland halen. Door Corona is dit niet gelukt. Gezien de situatie ( overmacht) hebben we geen stappen ondernomen en alle zeilen bijgezet om de zaak draaiende te houden.De maandelijkse betalingen van € 6.0000 [bedoeld is € 6.000, hof] hebben we helaas ook nooit mogen ontvangen, ook niet na Corona.Daarnaast heeft uw cliënt ook na Corona alleen schuld opgebouwd. Oa huur en electra, leveranciers.
*Meneer heeft geen geld uit het buitenland kunnen halen en had een uitkering voor zijn levensonderhoud omdat de bedrijfsvoering niet het gewenste resultaat gaf. Gezien deze feiten is in goed overleg besloten te stoppen en heeft meneer zich in december uitgeschreven uit de KVK.
* uw cliënt heeft daarna in januari zijn spullen zelf bij ons opgehaald.Van enige verbazing in maart kan gezien bovenstaande punten dus geen sprake zijn.
* daarnaast wil ik u nog attenderen op het feit dat sinds uw cliënt in onze zaak de bedrijfsvoering is gaan doen er kwalijke reviews verschenen op Google, terwijl die voor zijn komst zeer lovend waren.
We zouden dus reden genoeg hebben uw cliënt aan te klagen maar hadden een goede relatie en hebben gezien de onfortuinlijke start met Corona besloten het te laten voor wat het is, en op respectvolle manier onze wegen te scheiden.
(…).’
4Eerste aanleg
4.1.
De voorzieningenrechter heeft onder 3.1 van het bestreden vonnis de vordering van [appellant] als volgt weergegeven:
‘ [appellant] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:1. gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot afgifte aan [appellant] van de jaarstukken, de grootboekkaarten, het kasboek, de aangiften omzetbelasting en alle bankafschriften en pinoverzichten over de jaren 2020 tot en met 2022, de voorlopige cijfers 2023 (grootboekkaarten en kasboek), alsmede de aangiften omzetbelasting over de eerste twee kwartalen van 2023 en tenslotte alle overzichten van de covid-gerelateerde subsidies en planschadeloosstelling, op verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van € 50.000,00;2. gedaagden hoofdelijk te veroordelen [geïntimeerden] toegang te verschaffen tot de boulangerie, hem de sleutels te verstrekken, hem toegang te geven tot alle bankrekeningen en pinmogelijkheden, alsmede toegang tot alle noodzakelijke administratie, zodat [appellant] met uitsluiting van anderen alle werkzaamheden kan verrichten die noodzakelijk zijn bij de exploitatie van de vof, op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 250.000,00;3. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding en in de nakosten.’
4.2.
Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de gevraagde voorzieningen geweigerd. Daartoe heeft zij als volgt overwogen, voor zover hier van belang:
‘4.5. Over vordering 1 (kort gezegd inzage in de administratie van de vof) wordt het volgende overwogen. In beginsel heeft [appellant] , als medevennoot, recht op inzage. (…) Er bestaat echter onvoldoende aanleiding om deze vordering op straffe van dwangsommen toe te wijzen omdat nergens uit blijkt dat [appellant] eerder om de administratie heeft verzocht. (…) Daar komt bij dat [naam] , als gevolmachtigde van [geïntimeerden] , op de mondelinge behandeling van dit kort geding heeft toegezegd dat [appellant] inzage krijgt (…).
Beoordeling
Inleiding
5.1.
[appellant] heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd. Naar het hof begrijpt, richt grief 1 zich tegen het oordeel onder 4.8 en grief 2 tegen het oordeel onder 4.5 en 4.6 van het bestreden vonnis. [appellant] vindt dat zijn vorderingen (als weergegeven onder 4.1 hiervoor) alsnog moeten worden toegewezen.
Grief 1– toegang tot de boulangerie
5.2.
Met het onder 2 gevorderde wil [appellant] bereiken dat hem toegang tot de boulangerie wordt verleend, zodat hij – met uitsluiting van anderen – alle werkzaamheden kan verrichten die noodzakelijk zijn voor de exploitatie van de boulangerie.
5.3.
Het hof stelt bij de beoordeling het volgende voorop. Het hof moet zich bij zijn beoordeling in beginsel richten naar de waarschijnlijke uitkomst van een bodemprocedure als die wordt gevoerd. In een bodemprocedure rust ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv op [appellant] de last voldoende feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen die het oordeel rechtvaardigen dat er een afspraak (grondslag) is die meebrengt dat [appellant] toegang moet worden verleend tot de boulangerie op de wijze als door hem bedoeld.
5.4.
In dit verband heeft de voorzieningenrechter overwogen, voor zover hier van belang (onder 4.2 van het bestreden vonnis):
‘Kenmerkend in deze zaak is (…) dat er, afgezien van de samenwerkingsovereenkomst, amper iets op papier staat. Ook zijn geen e-mails of andere correspondentie of betaalbewijzen in het geding gebracht. Kennelijk zijn veel afspraken mondeling gemaakt en zijn veel betalingen contant gedaan. [appellant] kan dan ook niet aantonen dat hij, nu dit door gedaagden wordt ontkend, maandelijks het bedrag van € 6.000,00 heeft betaald. Evenmin is duidelijk waar die vergoeding precies voor bedoeld was.’
5.5.
[appellant] heeft de gemaakte afspraken in hoger beroep niet verhelderd. Hij heeft evenmin een grief gericht tegen de voormelde overweging van de voorzieningenrechter. Zijn betoog bij grief 1 komt er slechts op neer dat hij de boulangerie nooit vrijwillig heeft verlaten. Volgens deze grief is onjuist dat de voorzieningenrechter heeft overwogen dat [appellant] zijn uitkering zou verliezen en is ook onjuist dat [appellant] zich zelfstandig ‘uit de VOF heeft geschreven’. Ter onderbouwing van zijn grief beroept [appellant] zich op videobeelden.
5.6.
Deze videobeelden helpen [appellant] echter niet. Zij zijn niet toegelicht en maken hooguit aannemelijk dat [appellant] voor de laatste keer op 9 januari 2023 in de boulangerie aanwezig was. Videobeelden van latere datum heeft [appellant] niet overgelegd. De videobeelden sluiten niet uit dat juist is wat [geïntimeerden] betoogt, zoals onder meer verwoord in zijn e-mail van 11 april 2023 (zie onder 3.8 hiervoor). Te weten dat partijen uit elkaar zouden gaan en dat [appellant] vervolgens in januari 2023 zijn spullen bij de boulangerie heeft opgehaald.
5.7.
Zelfs als het hof [appellant] zou volgen in zijn betoog (i) dat onjuist is dat [appellant] zijn uitkering zou verliezen en (ii) dat ook onjuist is dat [appellant] zich ‘zelfstandig’ ‘uit de VOF heeft geschreven’, sluit dat niet uit dat juist is wat [geïntimeerden] betoogt. Bij dit oordeel heeft het hof meegewogen dat op de videobeelden die [geïntimeerden] heeft overgelegd te zien is dat [appellant] zélf zijn (een) naambord verwijdert van de gevel van de boulangerie. Daarvan is de voorzieningenrechter uitgegaan, zie het vonnis onder 4.8 (geciteerd onder 4.2 hiervoor) en daartegen heeft [appellant] geen grief gericht. De omstandigheid dat [appellant] zelf zijn (een) naambord heeft verwijderd, past beter bij de uitleg van [geïntimeerden] dan bij die van [appellant] .
5.8.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
5.9.
Zoals ook de voorzieningenrechter onder 4.4 van het bestreden vonnis heeft overwogen, is sprake van een zeer summier dossier en lijnrecht tegenover elkaar staande verklaringen van partijen over de gemaakte afspraken en gang van zaken. Wat is afgesproken tussen [appellant] en [geïntimeerden] , kan in dit kort geding, mede door de beperkte reikwijdte van de grieven, niet worden achterhaald. Binnen het kader van de behandeling van dit kort geding, dat zich niet leent voor bewijslevering, kan het hof zich daardoor niet het inzicht in de zaak verschaffen dat vereist is om te beoordelen of toewijzing van de onder 2 gevorderde voorziening verantwoord is. Alleen al op die grond moet deze voorziening worden geweigerd.
5.10.
Uit het voorgaande volgt dat art. 256 Rv in de weg staat aan toewijzing van de onder 2 gevraagde voorziening. Ook op inhoudelijke gronden is deze voorziening echter niet toewijsbaar. Dit komt doordat [appellant] het bestaan van een grondslag voor zijn vordering, mede in het licht van de overwegingen van de voorzieningenrechter, onvoldoende (nader) heeft toegelicht. [appellant] heeft bovendien onvoldoende naar voren gebracht om te concluderen dat hij een voldoende spoedeisend belang heeft bij de onder 2 gevorderde voorziening. Grief 1 slaagt kortom niet.
Grief 2 – afgifte van administratie
5.11.
Grief 2 betreft de door [appellant] onder 1 gevorderde voorziening (zie onder 4.2 hiervoor). [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen afschriften verkrijgt van de gehele administratie. [appellant] heeft zijn grief als volgt toegelicht. Zonder afschriften (kopieën) kan [appellant] geen belastingaangifte doen. Er blijkt voorts geen huur te zijn betaald door [geïntimeerden] . [appellant] wist dat niet, maar hij is daarvoor wel aansprakelijk gesteld. [appellant] heeft daarom een zwaarwegend belang bij het verkrijgen van de gehele administratie, aldus [appellant] .
5.12.
In het bestreden vonnis is overwogen dat [appellant] recht heeft op inzage in de informatie die de voorzieningenrechter in haar vonnis nader heeft omschreven (onder 4.5). Daarnaast heeft de voorzieningenrechter overwogen dat, als [appellant] afschriften van die informatie wil, het redelijk is dat hij [naam] (of [geïntimeerden] ) een vergoeding betaalt voor de kopieerkosten en voor het arbeidsloon (van [naam] ) die daarmee gemoeid zijn (onder 4.6, zie onder 4.2 hiervoor). Voor zover [appellant] deze oordelen van de voorzieningenrechter anders heeft begrepen, in die zin dat hij meent dat de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat hij nooit aanspraak kan maken op afschriften uit de administratie, berust dat op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis. Voor zover [appellant] meent dat hij over een ruimere periode aanspraak heeft op inzage dan de voorzieningenrechter heeft geoordeeld, heeft hij zijn grief onvoldoende toegelicht.
5.13.
Verder is het volgende van belang. [appellant] heeft in hoger beroep het oordeel van de voorzieningenrechter niet bestreden dat er onvoldoende aanleiding bestaat om de vordering tot inzage op straffe van dwangsommen toe te wijzen, samengevat, omdat nergens uit blijkt dat [appellant] eerder om die informatie heeft verzocht en omdat [naam] , als gevolmachtigde van [geïntimeerden] , heeft toegezegd [appellant] inzage in de bedoelde informatie te geven (zie 4.5 van het bestreden vonnis). Verder heeft [appellant] het oordeel van de voorzieningenrechter niet (althans niet voldoende kenbaar) bestreden dat het redelijk is dat [appellant] aan [naam] (of [geïntimeerden] ) een vergoeding betaalt voor kopieer- en arbeidskosten als hij afgifte van die informatie wil (zie 4.6 van het bestreden vonnis).
Dictum
Het hof:
6.1.
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
6.2.
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] vastgesteld op € 2.604;
6.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mr. J.W. Hoekzema, mr. A.L.M. Keirse en M.M. Korsten-Krijnen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2024.
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.333.964/01 KG
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/736210 / KG ZA 23-591
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 juni 2024
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [plaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. R.R.J.W. Delsing te Kerkrade,
tegen
1. de vennootschap onder firma
LA BOULANGERIE DE KOLK,
gevestigd te Amsterdam ,
2. [geïntimeerde 2],
wonende te [plaats 2] ,
3. [geïntimeerde 3],
wonende te [plaats 2] ,
4. [geïntimeerde 3],
wonende te [plaats 1] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. W.K. Cheng te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] , de vof, en [geïntimeerden] genoemd. Met ‘ [geïntimeerden] ’ (in enkelvoud) worden hierna alle geïntimeerden bedoeld, tenzij uit de context anders blijkt.
1De zaak in het kort
[appellant] vordert [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot afgifte van de administratie van de vof en tot toegang in de boulangerie die door de vof wordt gedreven, zodat [appellant] – met uitsluiting van anderen – alle werkzaamheden kan verrichten die noodzakelijk zijn voor de exploitatie van de boulangerie. De voorzieningenrechter heeft de gevraagde voorzieningen afgewezen. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis.
Procesverloop
[appellant] is bij dagvaarding voor spoedappel van 28 september 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 31 augustus 2023 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerden] als gedaagden.
Op 31 oktober 2023 heeft het hof het verzoek om spoedappel afgewezen op de grond dat de grieven niet waren opgenomen in de dagvaarding in hoger beroep.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord, met producties;
- bericht van 30 januari 2024 van depot van een usb-stick met videobestanden van [geïntimeerden] ;
- akte van depot van 30 januari 2024 van [geïntimeerden] ;
- bericht van 25 maart 2024 van depot van een usb-stick met producties A tot en met G van [appellant] ;
- akte van depot van 27 maart 2024 van [appellant] ;
- antwoordakte producties aan de zijde van [geïntimeerden] .
In de memorie van grieven spreekt [appellant] over ‘de verzochte mondelinge behandeling’ (zie onder 3 van dat processtuk). Om een mondelinge behandeling is echter niet gevraagd. Na de roldatum waarop de memories waren genomen, is een termijn van twee weken verleend voor beraad partijen. Op dat moment kon de mondelinge behandeling worden verzocht. Van partijen werd geen instructie ontvangen. Daarom is de zaak verwezen naar de rol van 27 februari 2024 voor fourneren. Op die roldatum heeft [geïntimeerden] gefourneerd en arrest gevraagd. Vervolgens heeft het hof de gelegenheid gegeven (i) aan [appellant] om de producties bij de memorie van grieven over te leggen en (ii) aan [geïntimeerden] om daarop bij akte te reageren. Ten slotte is arrest bepaald.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog zijn vorderingen zal toewijzen, met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.
[geïntimeerden] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep.
Feiten
Onder 2 van het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de feiten opgesomd die zij bij de beoordeling tot uitgangspunt heeft genomen. Deze opsomming vormt ook in hoger beroep het uitgangspunt en komt op het volgende neer.
3.1.
Op 17 februari 2020 is een samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen [appellant] en de vof. De overeenkomst is ondertekend door [geïntimeerde 2] , namens de vof, en door [appellant] . Partijen zijn het erover eens dat de bedoeling van de samenwerkingsovereenkomst was dat [appellant] als vennoot zou toetreden tot de vof, alhoewel dit niet letterlijk zo in de overeenkomst is opgenomen. Uit een uittreksel uit het handelsregister van 5 maart 2020 van de Kamer van Koophandel volgt ook dat [geïntimeerde 2] en [appellant] op dat moment als enige vennoten van de vof stonden ingeschreven ( [appellant] sinds 1 maart 2020).
3.2.
Uit een meer recent en laatstelijk overgelegd uittreksel uit het handelsregister blijkt dat op dat moment [geïntimeerde 2] , en [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 3] (de kinderen van [geïntimeerde 2] ), vennoot waren van de vof. [appellant] staat niet langer ingeschreven als vennoot.
3.3.
De vof drijft een boulangerie aan [straat] te [plaats 1] .
3.4.
Vanaf 17 februari 2020 heeft [appellant] de exploitatie van de boulangerie min of meer alleen ter hand genomen. Overeengekomen is dat [appellant] hiervoor een bedrag van € 6.000 per maand aan de vof dan wel aan [geïntimeerden] zou betalen. [geïntimeerden] speelde alleen op de achtergrond een rol. Wel had [geïntimeerden] de beschikking over de bankrekening van de vof.
3.5.
Vanaf de aanvang van de samenwerking beschikte [appellant] over een uitkering van de gemeente [plaats 1] die de bedoeling had startende ondernemers te ondersteunen.
3.6.
Vanaf januari 2023 is de boulangerie enige tijd gesloten geweest in verband met een verbouwing. In maart 2023 is de boulangerie weer geopend. Vanaf dat moment is [appellant] toegang tot de boulangerie geweigerd.
3.7.
Bij brief van 29 maart 2023 heeft de advocaat van [appellant] onder meer het volgende geschreven aan de vof/ [geïntimeerden] :
‘Cliënt heeft een samenwerkingsovereenkomst gesloten 17 februari 2020 met als looptijd 5 jaar. Cliënt heeft maandelijks een bedrag voor en inventaris ter hoogte van € 6.000,00 voldaan voor het gebruik en huur van La Boulangerie de Kolk aan [straat] te [plaats 1] .
Er is overeengekomen dat bij de Boulangerie de Kolk vanaf 9 januari 2023 een verbouwing zou plaatsvinden. Tijdens deze verbouwing zou de zaak gesloten zijn en was geen huur/vergoeding verschuldigd.
Cliënt heeft geconstateerd dat de zaak ineens in maart 2023 weer geopend was zonder dat hij hiervan weet had. Dit handelen is onrechtmatig aangezien hij en alleen hij de uitbater is van deze onderneming. Tevens heeft cliënt tot overmaat van ramp geconstateerd dat hij onrechtmatig is uitgeschreven uit het handelsregister.
De huurovereenkomst/samenwerkingsovereenkomst is nooit opgezegd, danwel is er de indruk gewekt dat deze opgezegd/beëindigd zou zijn. De overeenkomst is voortdurend.
Verder worden er ernstige onregelmatigheden vermoed in de boekhouding/financiële administratie van de onderneming, uitgevoerd door Reaxi. Bijvoorbeeld heeft cliënt nooit btw-teruggave etc ontvangen.
Het lijkt een vooropgezet plan om cliënt op te lichten. Ik zal met cliënt aangifte gaan doen bij de politie te [plaats 1] alsmede zal de FIOD worden verzocht om een onderzoek in te stellen vanwege financiële malversaties.
Voorts sommeer ik u de heer [geïntimeerden] om cliënt binnen 2 dagen na heden cliënt de volledige toegang te verschaffen tot het gehuurde bij gebreke waarvan ik de opdracht heb om in kort geding te dagvaarden.
(…).’
3.8.
Bij e-mail van 11 april 2023 heeft [geïntimeerden] onder meer het volgende geantwoord aan de advocaat van [appellant] :
‘Net voor het Paasweekend ontvingen wij uw brief.
De inhoud ervan heeft ons nogal verbaasd.
Vandaar dat we u mailen met informatie die uw cliënt blijkbaar niet met u heeft gedeeld.
*we hebben een getekende overeenkomst waarin uw cliënt partner zou worden voor een bedrag van €175.000, hij zou dit geld uit het buitenland halen. Door Corona is dit niet gelukt. Gezien de situatie ( overmacht) hebben we geen stappen ondernomen en alle zeilen bijgezet om de zaak draaiende te houden.De maandelijkse betalingen van € 6.0000 [bedoeld is € 6.000, hof] hebben we helaas ook nooit mogen ontvangen, ook niet na Corona.Daarnaast heeft uw cliënt ook na Corona alleen schuld opgebouwd. Oa huur en electra, leveranciers.
*Meneer heeft geen geld uit het buitenland kunnen halen en had een uitkering voor zijn levensonderhoud omdat de bedrijfsvoering niet het gewenste resultaat gaf. Gezien deze feiten is in goed overleg besloten te stoppen en heeft meneer zich in december uitgeschreven uit de KVK.
* uw cliënt heeft daarna in januari zijn spullen zelf bij ons opgehaald.Van enige verbazing in maart kan gezien bovenstaande punten dus geen sprake zijn.
* daarnaast wil ik u nog attenderen op het feit dat sinds uw cliënt in onze zaak de bedrijfsvoering is gaan doen er kwalijke reviews verschenen op Google, terwijl die voor zijn komst zeer lovend waren.
We zouden dus reden genoeg hebben uw cliënt aan te klagen maar hadden een goede relatie en hebben gezien de onfortuinlijke start met Corona besloten het te laten voor wat het is, en op respectvolle manier onze wegen te scheiden.
(…).’
4Eerste aanleg
4.1.
De voorzieningenrechter heeft onder 3.1 van het bestreden vonnis de vordering van [appellant] als volgt weergegeven:
‘ [appellant] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:1. gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot afgifte aan [appellant] van de jaarstukken, de grootboekkaarten, het kasboek, de aangiften omzetbelasting en alle bankafschriften en pinoverzichten over de jaren 2020 tot en met 2022, de voorlopige cijfers 2023 (grootboekkaarten en kasboek), alsmede de aangiften omzetbelasting over de eerste twee kwartalen van 2023 en tenslotte alle overzichten van de covid-gerelateerde subsidies en planschadeloosstelling, op verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van € 50.000,00;2. gedaagden hoofdelijk te veroordelen [geïntimeerden] toegang te verschaffen tot de boulangerie, hem de sleutels te verstrekken, hem toegang te geven tot alle bankrekeningen en pinmogelijkheden, alsmede toegang tot alle noodzakelijke administratie, zodat [appellant] met uitsluiting van anderen alle werkzaamheden kan verrichten die noodzakelijk zijn bij de exploitatie van de vof, op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 250.000,00;3. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding en in de nakosten.’
4.2.
Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de gevraagde voorzieningen geweigerd. Daartoe heeft zij als volgt overwogen, voor zover hier van belang:
‘4.5. Over vordering 1 (kort gezegd inzage in de administratie van de vof) wordt het volgende overwogen. In beginsel heeft [appellant] , als medevennoot, recht op inzage. (…) Er bestaat echter onvoldoende aanleiding om deze vordering op straffe van dwangsommen toe te wijzen omdat nergens uit blijkt dat [appellant] eerder om de administratie heeft verzocht. (…) Daar komt bij dat [naam] , als gevolmachtigde van [geïntimeerden] , op de mondelinge behandeling van dit kort geding heeft toegezegd dat [appellant] inzage krijgt (…).
Beoordeling
Inleiding
5.1.
[appellant] heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd. Naar het hof begrijpt, richt grief 1 zich tegen het oordeel onder 4.8 en grief 2 tegen het oordeel onder 4.5 en 4.6 van het bestreden vonnis. [appellant] vindt dat zijn vorderingen (als weergegeven onder 4.1 hiervoor) alsnog moeten worden toegewezen.
Grief 1– toegang tot de boulangerie
5.2.
Met het onder 2 gevorderde wil [appellant] bereiken dat hem toegang tot de boulangerie wordt verleend, zodat hij – met uitsluiting van anderen – alle werkzaamheden kan verrichten die noodzakelijk zijn voor de exploitatie van de boulangerie.
5.3.
Het hof stelt bij de beoordeling het volgende voorop. Het hof moet zich bij zijn beoordeling in beginsel richten naar de waarschijnlijke uitkomst van een bodemprocedure als die wordt gevoerd. In een bodemprocedure rust ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv op [appellant] de last voldoende feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen die het oordeel rechtvaardigen dat er een afspraak (grondslag) is die meebrengt dat [appellant] toegang moet worden verleend tot de boulangerie op de wijze als door hem bedoeld.
5.4.
In dit verband heeft de voorzieningenrechter overwogen, voor zover hier van belang (onder 4.2 van het bestreden vonnis):
‘Kenmerkend in deze zaak is (…) dat er, afgezien van de samenwerkingsovereenkomst, amper iets op papier staat. Ook zijn geen e-mails of andere correspondentie of betaalbewijzen in het geding gebracht. Kennelijk zijn veel afspraken mondeling gemaakt en zijn veel betalingen contant gedaan. [appellant] kan dan ook niet aantonen dat hij, nu dit door gedaagden wordt ontkend, maandelijks het bedrag van € 6.000,00 heeft betaald. Evenmin is duidelijk waar die vergoeding precies voor bedoeld was.’
5.5.
[appellant] heeft de gemaakte afspraken in hoger beroep niet verhelderd. Hij heeft evenmin een grief gericht tegen de voormelde overweging van de voorzieningenrechter. Zijn betoog bij grief 1 komt er slechts op neer dat hij de boulangerie nooit vrijwillig heeft verlaten. Volgens deze grief is onjuist dat de voorzieningenrechter heeft overwogen dat [appellant] zijn uitkering zou verliezen en is ook onjuist dat [appellant] zich zelfstandig ‘uit de VOF heeft geschreven’. Ter onderbouwing van zijn grief beroept [appellant] zich op videobeelden.
5.6.
Deze videobeelden helpen [appellant] echter niet. Zij zijn niet toegelicht en maken hooguit aannemelijk dat [appellant] voor de laatste keer op 9 januari 2023 in de boulangerie aanwezig was. Videobeelden van latere datum heeft [appellant] niet overgelegd. De videobeelden sluiten niet uit dat juist is wat [geïntimeerden] betoogt, zoals onder meer verwoord in zijn e-mail van 11 april 2023 (zie onder 3.8 hiervoor). Te weten dat partijen uit elkaar zouden gaan en dat [appellant] vervolgens in januari 2023 zijn spullen bij de boulangerie heeft opgehaald.
5.7.
Zelfs als het hof [appellant] zou volgen in zijn betoog (i) dat onjuist is dat [appellant] zijn uitkering zou verliezen en (ii) dat ook onjuist is dat [appellant] zich ‘zelfstandig’ ‘uit de VOF heeft geschreven’, sluit dat niet uit dat juist is wat [geïntimeerden] betoogt. Bij dit oordeel heeft het hof meegewogen dat op de videobeelden die [geïntimeerden] heeft overgelegd te zien is dat [appellant] zélf zijn (een) naambord verwijdert van de gevel van de boulangerie. Daarvan is de voorzieningenrechter uitgegaan, zie het vonnis onder 4.8 (geciteerd onder 4.2 hiervoor) en daartegen heeft [appellant] geen grief gericht. De omstandigheid dat [appellant] zelf zijn (een) naambord heeft verwijderd, past beter bij de uitleg van [geïntimeerden] dan bij die van [appellant] .
5.8.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
5.9.
Zoals ook de voorzieningenrechter onder 4.4 van het bestreden vonnis heeft overwogen, is sprake van een zeer summier dossier en lijnrecht tegenover elkaar staande verklaringen van partijen over de gemaakte afspraken en gang van zaken. Wat is afgesproken tussen [appellant] en [geïntimeerden] , kan in dit kort geding, mede door de beperkte reikwijdte van de grieven, niet worden achterhaald. Binnen het kader van de behandeling van dit kort geding, dat zich niet leent voor bewijslevering, kan het hof zich daardoor niet het inzicht in de zaak verschaffen dat vereist is om te beoordelen of toewijzing van de onder 2 gevorderde voorziening verantwoord is. Alleen al op die grond moet deze voorziening worden geweigerd.
5.10.
Uit het voorgaande volgt dat art. 256 Rv in de weg staat aan toewijzing van de onder 2 gevraagde voorziening. Ook op inhoudelijke gronden is deze voorziening echter niet toewijsbaar. Dit komt doordat [appellant] het bestaan van een grondslag voor zijn vordering, mede in het licht van de overwegingen van de voorzieningenrechter, onvoldoende (nader) heeft toegelicht. [appellant] heeft bovendien onvoldoende naar voren gebracht om te concluderen dat hij een voldoende spoedeisend belang heeft bij de onder 2 gevorderde voorziening. Grief 1 slaagt kortom niet.
Grief 2 – afgifte van administratie
5.11.
Grief 2 betreft de door [appellant] onder 1 gevorderde voorziening (zie onder 4.2 hiervoor). [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen afschriften verkrijgt van de gehele administratie. [appellant] heeft zijn grief als volgt toegelicht. Zonder afschriften (kopieën) kan [appellant] geen belastingaangifte doen. Er blijkt voorts geen huur te zijn betaald door [geïntimeerden] . [appellant] wist dat niet, maar hij is daarvoor wel aansprakelijk gesteld. [appellant] heeft daarom een zwaarwegend belang bij het verkrijgen van de gehele administratie, aldus [appellant] .
5.12.
In het bestreden vonnis is overwogen dat [appellant] recht heeft op inzage in de informatie die de voorzieningenrechter in haar vonnis nader heeft omschreven (onder 4.5). Daarnaast heeft de voorzieningenrechter overwogen dat, als [appellant] afschriften van die informatie wil, het redelijk is dat hij [naam] (of [geïntimeerden] ) een vergoeding betaalt voor de kopieerkosten en voor het arbeidsloon (van [naam] ) die daarmee gemoeid zijn (onder 4.6, zie onder 4.2 hiervoor). Voor zover [appellant] deze oordelen van de voorzieningenrechter anders heeft begrepen, in die zin dat hij meent dat de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat hij nooit aanspraak kan maken op afschriften uit de administratie, berust dat op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis. Voor zover [appellant] meent dat hij over een ruimere periode aanspraak heeft op inzage dan de voorzieningenrechter heeft geoordeeld, heeft hij zijn grief onvoldoende toegelicht.
5.13.
Verder is het volgende van belang. [appellant] heeft in hoger beroep het oordeel van de voorzieningenrechter niet bestreden dat er onvoldoende aanleiding bestaat om de vordering tot inzage op straffe van dwangsommen toe te wijzen, samengevat, omdat nergens uit blijkt dat [appellant] eerder om die informatie heeft verzocht en omdat [naam] , als gevolmachtigde van [geïntimeerden] , heeft toegezegd [appellant] inzage in de bedoelde informatie te geven (zie 4.5 van het bestreden vonnis). Verder heeft [appellant] het oordeel van de voorzieningenrechter niet (althans niet voldoende kenbaar) bestreden dat het redelijk is dat [appellant] aan [naam] (of [geïntimeerden] ) een vergoeding betaalt voor kopieer- en arbeidskosten als hij afgifte van die informatie wil (zie 4.6 van het bestreden vonnis).
Dictum
Het hof:
6.1.
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
6.2.
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] vastgesteld op € 2.604;
6.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mr. J.W. Hoekzema, mr. A.L.M. Keirse en M.M. Korsten-Krijnen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2024.