Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-01-30
ECLI:NL:GHAMS:2024:1547
Strafrecht
Hoger beroep
2,618 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002456-23
datum uitspraak: 30 januari 2024
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 29 augustus 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-214170-23 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1998,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 januari 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door politierechter in de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 3 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof:
in geval dat cassatie wordt ingesteld de bewijsvoering op schrift zal stellen in een aanvulling op dit arrest;
rekening houdt met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), zodat het de toepasselijke wettelijke voorschriften daarmee aanvult;
de strafmotivering van de rechtbank vervangt door onderstaande strafmotivering.
Oplegging van straf
De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van voorarrest.
De raadsvrouw heeft verzocht een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen en rekening te houden met het bepaalde in artikel 63 Sr. Ook heeft zij verzocht de LOVS-oriëntatiepunten als uitgangspunt te nemen bij de strafoplegging en niet het Amsterdamse Oriëntatiepunt “zakkenrollen”.
Het hof heeft in hoger beroep bij de strafoplegging gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een vorm van zakkenrollerij waarbij hij twee (hand)tassen met inhoud heeft weggenomen van nietsvermoedende cafébezoekers. Dit zijn misdrijven die bij de benadeelden hinder, schade en gevoelens van onveiligheid kunnen veroorzaken.
Uit het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk voor vermogensdelicten is veroordeeld, onder meer op de dag vóór de dag waarop de bewezenverklaarde feiten hebben plaatsgevonden, waardoor sprake is van recidive. Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft het hof het Amsterdamse Oriëntatiepunt bij zakkenrollen als uitgangspunt genomen, te weten voor een voltooide zakkenrollerij twee maanden gevangenisstraf voor een first offender en drie maanden bij recidive. In hetgeen de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep heeft betoogd ziet het hof geen aanleiding (verder) ten voordele van de verdachte van dit Amsterdamse Oriëntatiepunt af te wijken.
Alles afwegende, acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden passend en geboden.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 tenlastegelegde.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Jeltes, mr. R. Kuiper en mr. R. van der Heijden, in tegenwoordigheid van mr. D. de Jong, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 januari 2024.
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002456-23
datum uitspraak: 30 januari 2024
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 29 augustus 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-214170-23 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1998,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 januari 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door politierechter in de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 3 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof:
in geval dat cassatie wordt ingesteld de bewijsvoering op schrift zal stellen in een aanvulling op dit arrest;
rekening houdt met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), zodat het de toepasselijke wettelijke voorschriften daarmee aanvult;
de strafmotivering van de rechtbank vervangt door onderstaande strafmotivering.
Oplegging van straf
De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van voorarrest.
De raadsvrouw heeft verzocht een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen en rekening te houden met het bepaalde in artikel 63 Sr. Ook heeft zij verzocht de LOVS-oriëntatiepunten als uitgangspunt te nemen bij de strafoplegging en niet het Amsterdamse Oriëntatiepunt “zakkenrollen”.
Het hof heeft in hoger beroep bij de strafoplegging gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een vorm van zakkenrollerij waarbij hij twee (hand)tassen met inhoud heeft weggenomen van nietsvermoedende cafébezoekers. Dit zijn misdrijven die bij de benadeelden hinder, schade en gevoelens van onveiligheid kunnen veroorzaken.
Uit het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk voor vermogensdelicten is veroordeeld, onder meer op de dag vóór de dag waarop de bewezenverklaarde feiten hebben plaatsgevonden, waardoor sprake is van recidive. Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft het hof het Amsterdamse Oriëntatiepunt bij zakkenrollen als uitgangspunt genomen, te weten voor een voltooide zakkenrollerij twee maanden gevangenisstraf voor een first offender en drie maanden bij recidive. In hetgeen de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep heeft betoogd ziet het hof geen aanleiding (verder) ten voordele van de verdachte van dit Amsterdamse Oriëntatiepunt af te wijken.
Alles afwegende, acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden passend en geboden.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 tenlastegelegde.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Jeltes, mr. R. Kuiper en mr. R. van der Heijden, in tegenwoordigheid van mr. D. de Jong, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 januari 2024.