Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2023-05-25
ECLI:NL:GHAMS:2023:3729
Strafrecht
Hoger beroep
1,992 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002383-22
datum uitspraak: 25 mei 2023
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 30 augustus 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-158625-22 tegen:
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
11 mei 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 9 april 2022 te Amsterdam, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door te zeggen "Ik ga koelie's op je afsturen en die gaan je dan vermoorden en verkrachten".
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof een andere bewijsconstructie hanteert en tot een andere straf komt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 9 april 2022 te Amsterdam, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door te zeggen "Ik ga koelie's op je afsturen en die gaan je dan vermoorden".
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de politierechter een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opgelegd, inhoudende een contactverbod met de aangeefster en een gebiedsverbod voor het woonadres van de aangeefster, voor de duur van zes maanden. Bij iedere overtreding van de maatregel zal zeven dagen vervangende hechtenis worden toegepast.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsman heeft verzocht – indien het hof tot een bewezenverklaring komt – een taakstraf voor de duur van tien uren subsidiair vijf dagen hechtenis op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn zusje in de woning van hun moeder. Het slachtoffer heeft deze situatie als zeer bedreigend ervaren en had het gevoel dat de verdachte haar daadwerkelijk iets aan wilde doen. Het slachtoffer betreft zijn jongere zusje en het feit heeft zich afgespeeld in ook haar woning, de omgeving waar zij zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen.
Inmiddels woont de verdachte niet meer thuis en heeft hij geen contact met zijn zusje, zodat de situatie die de bron van het conflict vormde niet langer bestaat. Daar komt bij dat de verdachte op de goede weg is zijn leven zelfstandig op een constructieve manier vorm te geven.
Het hof acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren, met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. Daarmee wordt de ernst van het feit benadrukt en verder wordt daarmee beoogd de verdachte ervan te weerhouden om zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit. Anders dan de politierechter ziet het hof op dit moment geen aanleiding om daarnaast een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van een contact- en/of gebiedsverbod op te leggen. Het hof heeft geen aanwijzingen dat de verdachte zijn zusje zal gaan opzoeken. Desgevraagd heeft de verdachte ter zitting in hoger beroep aangegeven geen behoefte te hebben aan contact met haar.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 285 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Kuiper, mr. E. de Greeve en mr. R. van der Heijden, in tegenwoordigheid van
mr. S.L.D. Vriend, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
25 mei 2023.
=
===
[…]