Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2023-11-22
ECLI:NL:GHAMS:2023:2799
Strafrecht
Hoger beroep
2,132 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000814-22
datum uitspraak: 8 november 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 21 januari 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-326354-21 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1975,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres].
Onderzoek ter terechtzitting
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 november 2023.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot het niet-ontvankelijk verklaren van de verdachte in het ingestelde hoger beroep.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is in eerste aanleg gedagvaard om op 21 januari 2022 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Amsterdam. Gelet op de inhoud van de akte van uitreiking van 6 december 2021 is de dagvaarding op de voornoemde datum aan de verdachte in persoon uitgereikt.
De verdachte is op 21 januari 2022 bij verstek veroordeeld. Tegen dit vonnis heeft de verdachte niet binnen veertien dagen nadien hoger beroep ingesteld, maar eerst op 24 maart 2022.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat hij ten tijde van de zitting in eerste aanleg in een kliniek verbleef, vanwege een gedwongen opname. De verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie voor hem vervoer had moeten regelen, maar dit heeft nagelaten. Hierdoor was hij niet in de gelegenheid om ter terechtzitting te verschijnen.
Het hof overweegt als volgt.
De dagvaarding is op 6 december 2021 aan de verdachte in persoon uitgereikt, waardoor verondersteld kan worden dat de verdachte op de hoogte was van de zitting van 21 januari 2022. Uit niets is gebleken dat de verdachte de strekking hiervan niet heeft begrepen of dat anderszins enig hem toekomend recht is geschonden. Het hof merkt op dat – ook in het geval dat de verdachte inderdaad ten tijde van de zitting in eerste aanleg in een kliniek zat – het zijn eigen verantwoordelijkheid was om indien hij bij die zitting aanwezig wilde zijn vervoer te regelen of indien vervoer niet mogelijk was om, bijvoorbeeld met behulp van de kliniek, aanhouding van de zaak te vragen. Net zoals het zijn eigen verantwoordelijkheid was om bijtijds in hoger beroep te gaan. Dat de verdachte in de gelegenheid was om in de kliniek actie te ondernemen blijkt uit het feit dat hij na de uitreiking van het vonnis op 22 maart 2022 vanuit de kliniek een advocaat heeft benaderd om namens hem hoger beroep in te stellen.
Bij die stand van zaken had de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 408, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering binnen veertien dagen na 21 januari 2022 in hoger beroep moeten komen. De verdachte heeft echter eerst op 24 maart 2022 en dus te laat hoger beroep doen instellen. Zowel ter terechtzitting in hoger beroep als uit het dossier is niet gebleken van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden op grond waarvan de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar kan worden geacht.
Nu het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld zal de verdachte daarin niet ontvankelijk worden verklaard.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.E. Kwak, mr. A.M. Kengen en mr. D.A.C. Koster, in tegenwoordigheid van mr. Z. Hoshmand en D.M.M. Linskens, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 november 2023.
Mr. N.E. Kwak is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000814-22
datum uitspraak: 8 november 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 21 januari 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-326354-21 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1975,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres].
Onderzoek ter terechtzitting
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 november 2023.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot het niet-ontvankelijk verklaren van de verdachte in het ingestelde hoger beroep.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is in eerste aanleg gedagvaard om op 21 januari 2022 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Amsterdam. Gelet op de inhoud van de akte van uitreiking van 6 december 2021 is de dagvaarding op de voornoemde datum aan de verdachte in persoon uitgereikt.
De verdachte is op 21 januari 2022 bij verstek veroordeeld. Tegen dit vonnis heeft de verdachte niet binnen veertien dagen nadien hoger beroep ingesteld, maar eerst op 24 maart 2022.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat hij ten tijde van de zitting in eerste aanleg in een kliniek verbleef, vanwege een gedwongen opname. De verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie voor hem vervoer had moeten regelen, maar dit heeft nagelaten. Hierdoor was hij niet in de gelegenheid om ter terechtzitting te verschijnen.
Het hof overweegt als volgt.
De dagvaarding is op 6 december 2021 aan de verdachte in persoon uitgereikt, waardoor verondersteld kan worden dat de verdachte op de hoogte was van de zitting van 21 januari 2022. Uit niets is gebleken dat de verdachte de strekking hiervan niet heeft begrepen of dat anderszins enig hem toekomend recht is geschonden. Het hof merkt op dat – ook in het geval dat de verdachte inderdaad ten tijde van de zitting in eerste aanleg in een kliniek zat – het zijn eigen verantwoordelijkheid was om indien hij bij die zitting aanwezig wilde zijn vervoer te regelen of indien vervoer niet mogelijk was om, bijvoorbeeld met behulp van de kliniek, aanhouding van de zaak te vragen. Net zoals het zijn eigen verantwoordelijkheid was om bijtijds in hoger beroep te gaan. Dat de verdachte in de gelegenheid was om in de kliniek actie te ondernemen blijkt uit het feit dat hij na de uitreiking van het vonnis op 22 maart 2022 vanuit de kliniek een advocaat heeft benaderd om namens hem hoger beroep in te stellen.
Bij die stand van zaken had de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 408, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering binnen veertien dagen na 21 januari 2022 in hoger beroep moeten komen. De verdachte heeft echter eerst op 24 maart 2022 en dus te laat hoger beroep doen instellen. Zowel ter terechtzitting in hoger beroep als uit het dossier is niet gebleken van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden op grond waarvan de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar kan worden geacht.
Nu het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld zal de verdachte daarin niet ontvankelijk worden verklaard.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.E. Kwak, mr. A.M. Kengen en mr. D.A.C. Koster, in tegenwoordigheid van mr. Z. Hoshmand en D.M.M. Linskens, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 november 2023.
Mr. N.E. Kwak is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.