Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2023-11-14
ECLI:NL:GHAMS:2023:2758
Strafrecht
Hoger beroep
3,648 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001664-22
datum uitspraak: 14 november 2023
VERSTEK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 september 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-993038-14 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
31 oktober 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte in het ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien de grieven per fax zijn gestuurd en niet herhaald zijn op de zitting. Dit dient tot niet-ontvankelijkheid te leiden, als bedoeld in artikel 416 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv), aldus de advocaat-generaal.
Het hof constateert dat er op 4 juli 2022 een schriftuur houdende grieven is ingediend door de toenmalige raadsvrouw van de verdachte, zodat geen sprake is van het ontbreken van grieven als bedoeld in artikel 416 lid 2 Sv. Er is derhalve geen aanleiding de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het namens hem ingestelde hoger beroep.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen,
met dien verstande dat het hof de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen vervangt door de bewijsmiddelen die (in die gevallen waarin de wet dit vereist) in een later bij dit verkort arrest te voegen bijlage zijn vervat, en
behalve ten aanzien van de straf. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte, voor het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde, zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met een proeftijd van twee jaren.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Het hof zal (ambtshalve) beoordelen of sprake is van een behandeling binnen redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (verder: EVRM).
De redelijke termijn heeft een aanvang genomen op 11 augustus 2015, de dag waarop de dagvaarding in eerste aanleg (niet in persoon) is betekend. Het hof stelt vast dat, nu het hof eerst op 14 november 2023 uitspraak doet, de procedure als geheel een periode van acht jaren, drie maanden en drie dagen heeft bestreken.
Uit het onderzoek ter terechtzitting en de processtukken is gebleken dat de verdachte op 23 september 2015 bij verstek is veroordeeld door de rechtbank voor de ten laste gelegde feiten. Op 3 november 2015 heeft het Openbaar Ministerie getracht de mededeling van het vonnis aan de verdachte te betekenen op het voormalige adres van de verdachte aan de [adres] te Amsterdam. De brief is niet aangekomen en is teruggezonden naar de afzender. Op 20 april 2020 is een verstekmededeling aan de griffier uitgereikt, aangezien er geen vaste woon- of verblijfplaats bekend was van de verdachte. Op 21 juni 2022 is hoger beroep ingesteld. In de appelschriftuur van 4 juli 2022 is te lezen dat de verdachte op 16 juni 2022 kennis heeft genomen van het verstekvonnis.
Uit het voorgaande volgt dat het Openbaar Ministerie de verstekmededeling niet binnen een jaar na de uitspraak rechtsgeldig heeft betekend. Bovendien is niet gebleken dat het Openbaar Ministerie de verdachte heeft geplaatst in het opsporingsregister en eenmaal per jaar heeft geprobeerd alsnog de verstekmededeling te betekenen overeenkomstig het bepaalde in artikel 588 Sv dan wel - na inwerkingtreding daarvan – volgens het bepaalde in artikel 36e Sv. Dit brengt mee dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het EVRM.
Gelet op de ernst van de feiten, is het hof van oordeel dat de straf zoals die door de politierechter in eerste aanleg is opgelegd in beginsel een passende sanctie is, zodat indien geen sprake zou zijn geweest van de hierboven genoemde overschrijding van de redelijke termijn een gevangenisstraf van vijf maanden zou zijn opgelegd. Rekening houdend met de lange overschrijding van de redelijke termijn, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, is het hof van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet meer passend is. Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient naar het oordeel van het hof geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel meer.
Het hof acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 14a, 14b, 14c, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.E. Kwak, mr. M. Lolkema en mr. B.E. Dijkers,
in tegenwoordigheid van mr. C. van der Laan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 november 2023.
=
===
[…]
[…]
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001664-22
datum uitspraak: 14 november 2023
VERSTEK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 september 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-993038-14 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
31 oktober 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte in het ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien de grieven per fax zijn gestuurd en niet herhaald zijn op de zitting. Dit dient tot niet-ontvankelijkheid te leiden, als bedoeld in artikel 416 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv), aldus de advocaat-generaal.
Het hof constateert dat er op 4 juli 2022 een schriftuur houdende grieven is ingediend door de toenmalige raadsvrouw van de verdachte, zodat geen sprake is van het ontbreken van grieven als bedoeld in artikel 416 lid 2 Sv. Er is derhalve geen aanleiding de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het namens hem ingestelde hoger beroep.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen,
met dien verstande dat het hof de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen vervangt door de bewijsmiddelen die (in die gevallen waarin de wet dit vereist) in een later bij dit verkort arrest te voegen bijlage zijn vervat, en
behalve ten aanzien van de straf. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte, voor het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde, zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met een proeftijd van twee jaren.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Het hof zal (ambtshalve) beoordelen of sprake is van een behandeling binnen redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (verder: EVRM).
De redelijke termijn heeft een aanvang genomen op 11 augustus 2015, de dag waarop de dagvaarding in eerste aanleg (niet in persoon) is betekend. Het hof stelt vast dat, nu het hof eerst op 14 november 2023 uitspraak doet, de procedure als geheel een periode van acht jaren, drie maanden en drie dagen heeft bestreken.
Uit het onderzoek ter terechtzitting en de processtukken is gebleken dat de verdachte op 23 september 2015 bij verstek is veroordeeld door de rechtbank voor de ten laste gelegde feiten. Op 3 november 2015 heeft het Openbaar Ministerie getracht de mededeling van het vonnis aan de verdachte te betekenen op het voormalige adres van de verdachte aan de [adres] te Amsterdam. De brief is niet aangekomen en is teruggezonden naar de afzender. Op 20 april 2020 is een verstekmededeling aan de griffier uitgereikt, aangezien er geen vaste woon- of verblijfplaats bekend was van de verdachte. Op 21 juni 2022 is hoger beroep ingesteld. In de appelschriftuur van 4 juli 2022 is te lezen dat de verdachte op 16 juni 2022 kennis heeft genomen van het verstekvonnis.
Uit het voorgaande volgt dat het Openbaar Ministerie de verstekmededeling niet binnen een jaar na de uitspraak rechtsgeldig heeft betekend. Bovendien is niet gebleken dat het Openbaar Ministerie de verdachte heeft geplaatst in het opsporingsregister en eenmaal per jaar heeft geprobeerd alsnog de verstekmededeling te betekenen overeenkomstig het bepaalde in artikel 588 Sv dan wel - na inwerkingtreding daarvan – volgens het bepaalde in artikel 36e Sv. Dit brengt mee dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het EVRM.
Gelet op de ernst van de feiten, is het hof van oordeel dat de straf zoals die door de politierechter in eerste aanleg is opgelegd in beginsel een passende sanctie is, zodat indien geen sprake zou zijn geweest van de hierboven genoemde overschrijding van de redelijke termijn een gevangenisstraf van vijf maanden zou zijn opgelegd. Rekening houdend met de lange overschrijding van de redelijke termijn, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, is het hof van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet meer passend is. Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient naar het oordeel van het hof geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel meer.
Het hof acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 14a, 14b, 14c, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.E. Kwak, mr. M. Lolkema en mr. B.E. Dijkers,
in tegenwoordigheid van mr. C. van der Laan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 november 2023.
=
===
[…]
[…]