Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2023-11-16
ECLI:NL:GHAMS:2023:2721
Strafrecht
Hoger beroep
4,310 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002065-22
datum uitspraak: 16 november 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Den Haag, zitting houdende te Amsterdam, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 juni 2021 in de strafzaak onder parketnummer 10-690204-18 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
2 november 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde straf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof een bewijsmiddel aanvult.
Aanvulling bewijsmiddel
Het hof voegt navolgende zin toe aan bewijsmiddel 12 van de rechtbank Rotterdam.
12. Een proces-verbaal van aangifte van 17 april 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina’s 60-67.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van
[slachtoffer] :
Ik voelde dat ze mij overal op mijn lichaam sloegen en op mijn hoofd en schouders.
Oplegging van straf
De rechtbank Rotterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De raadsman heeft zich in het kader van de strafmaat op het standpunt gesteld dat vanwege het tijdverloop, hetgeen in vergelijkbare zaken aan straf wordt opgelegd, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het ontbreken van documentatie of politiecontacten na zijn vrijlating in oktober 2018, een straf die inhoudt dat de verdachte opnieuw gedetineerd raakt niet op zijn plek is.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan gijzeling van het slachtoffer [slachtoffer] . Slechts door ingrijpen van de politie is de gijzeling – die plaatsvond in de woning van de verdachte – tot een einde gekomen. Uit het dossier volgt dat de verdachte een belangrijke taak had bij de gijzeling en op meerdere momenten verschillende activiteiten daartoe heeft ontplooid. Hij fungeerde onder andere als contactpersoon voor de betaling van het losgeld, bedreigde het slachtoffer met een vuurwapen en heeft het slachtoffer geschopt, geslagen en gesneden met een mes. Door het slachtoffer te gijzelen hebben de verdachte en zijn mededagers inbreuk gemaakt op een van de meest fundamentele rechten die een mens heeft: de vrijheid om te gaan en staan waar men wil. Het gevolg hiervan is niet alleen dat het slachtoffer zich niet langer vrij en veilig voelde, maar ook dat in de samenleving als geheel gevoelens van onrust en onveiligheid kunnen ontstaan. Het hof is van oordeel dat het bijzonder bedreigende, slechts op geldelijk gewin gerichte handelen van de verdachte en zijn mededaders als buitengewoon ernstig moet worden aangemerkt.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het (in vereniging) voorhanden hebben van een vuurwapen en kogelpatronen. In zijn algemeenheid geldt dat het bezit van wapens en munitie de nodige gevaren met zich brengt en voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij zorgt. Daarnaast werkt het bezit van dergelijke goederen het gebruik van wapens in de hand. De omstandigheid dat bij de gijzeling een vuurwapen is gebruikt en dat daaruit blijkt dat de verdachte het gebruik van wapens niet schuwt, draagt bij aan de strafwaardigheid van het (in vereniging) voorhanden hebben van het vuurwapen en de kogelpatronen.
Alles afwegende en mede gelet op straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, acht het hof in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk en met aftrek van voorarrest passend en geboden. Bij het bepalen van deze straf heeft het hof als strafverzwarende omstandigheid mee laten wegen dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep geen openheid van zaken heeft gegeven, geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen en er geen blijk van heeft gegeven het verwijtbare van zijn handelen in te zien.
Het hof stelt echter vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg (mede rekening houdend met het voorarrest van de verdachte) ruim is overschreden. De verdachte is op 17 april 2018 in verzekering gesteld, terwijl de rechtbank pas op 4 juni 2021 vonnis heeft gewezen. Ook in hoger beroep is de redelijke termijn overschreden. De verdachte heeft namelijk op 18 juni 2021 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof pas op 16 november 2023 arrest wijst. Daarom zal het hof in plaats van eerdergenoemde (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest aan de verdachte opleggen.
In het voorgaande ligt besloten dat, met name gelet op de ernst van de feiten, niet kan worden volstaan met een straf die inhoudt dat de verdachte niet opnieuw gedetineerd raakt, zoals door de raadsman van de verdachte is verzocht. In de door de raadsman genoemde omstandigheden ziet het hof geen aanleiding een lagere straf dan de hieronder bedoelde op te leggen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N. van der Wijngaart, mr. M. Lolkema en mr. R. van der Heijden in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
16 november 2023.
mr. M. Lolkema is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002065-22
datum uitspraak: 16 november 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Den Haag, zitting houdende te Amsterdam, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 juni 2021 in de strafzaak onder parketnummer 10-690204-18 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
2 november 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde straf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof een bewijsmiddel aanvult.
Aanvulling bewijsmiddel
Het hof voegt navolgende zin toe aan bewijsmiddel 12 van de rechtbank Rotterdam.
12. Een proces-verbaal van aangifte van 17 april 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina’s 60-67.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van
[slachtoffer] :
Ik voelde dat ze mij overal op mijn lichaam sloegen en op mijn hoofd en schouders.
Oplegging van straf
De rechtbank Rotterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De raadsman heeft zich in het kader van de strafmaat op het standpunt gesteld dat vanwege het tijdverloop, hetgeen in vergelijkbare zaken aan straf wordt opgelegd, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het ontbreken van documentatie of politiecontacten na zijn vrijlating in oktober 2018, een straf die inhoudt dat de verdachte opnieuw gedetineerd raakt niet op zijn plek is.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan gijzeling van het slachtoffer [slachtoffer] . Slechts door ingrijpen van de politie is de gijzeling – die plaatsvond in de woning van de verdachte – tot een einde gekomen. Uit het dossier volgt dat de verdachte een belangrijke taak had bij de gijzeling en op meerdere momenten verschillende activiteiten daartoe heeft ontplooid. Hij fungeerde onder andere als contactpersoon voor de betaling van het losgeld, bedreigde het slachtoffer met een vuurwapen en heeft het slachtoffer geschopt, geslagen en gesneden met een mes. Door het slachtoffer te gijzelen hebben de verdachte en zijn mededagers inbreuk gemaakt op een van de meest fundamentele rechten die een mens heeft: de vrijheid om te gaan en staan waar men wil. Het gevolg hiervan is niet alleen dat het slachtoffer zich niet langer vrij en veilig voelde, maar ook dat in de samenleving als geheel gevoelens van onrust en onveiligheid kunnen ontstaan. Het hof is van oordeel dat het bijzonder bedreigende, slechts op geldelijk gewin gerichte handelen van de verdachte en zijn mededaders als buitengewoon ernstig moet worden aangemerkt.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het (in vereniging) voorhanden hebben van een vuurwapen en kogelpatronen. In zijn algemeenheid geldt dat het bezit van wapens en munitie de nodige gevaren met zich brengt en voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij zorgt. Daarnaast werkt het bezit van dergelijke goederen het gebruik van wapens in de hand. De omstandigheid dat bij de gijzeling een vuurwapen is gebruikt en dat daaruit blijkt dat de verdachte het gebruik van wapens niet schuwt, draagt bij aan de strafwaardigheid van het (in vereniging) voorhanden hebben van het vuurwapen en de kogelpatronen.
Alles afwegende en mede gelet op straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, acht het hof in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk en met aftrek van voorarrest passend en geboden. Bij het bepalen van deze straf heeft het hof als strafverzwarende omstandigheid mee laten wegen dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep geen openheid van zaken heeft gegeven, geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen en er geen blijk van heeft gegeven het verwijtbare van zijn handelen in te zien.
Het hof stelt echter vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg (mede rekening houdend met het voorarrest van de verdachte) ruim is overschreden. De verdachte is op 17 april 2018 in verzekering gesteld, terwijl de rechtbank pas op 4 juni 2021 vonnis heeft gewezen. Ook in hoger beroep is de redelijke termijn overschreden. De verdachte heeft namelijk op 18 juni 2021 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof pas op 16 november 2023 arrest wijst. Daarom zal het hof in plaats van eerdergenoemde (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest aan de verdachte opleggen.
In het voorgaande ligt besloten dat, met name gelet op de ernst van de feiten, niet kan worden volstaan met een straf die inhoudt dat de verdachte niet opnieuw gedetineerd raakt, zoals door de raadsman van de verdachte is verzocht. In de door de raadsman genoemde omstandigheden ziet het hof geen aanleiding een lagere straf dan de hieronder bedoelde op te leggen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N. van der Wijngaart, mr. M. Lolkema en mr. R. van der Heijden in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
16 november 2023.
mr. M. Lolkema is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.