Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2023-09-26
ECLI:NL:GHAMS:2023:2318
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
4,910 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht,
team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer : 200.264.223/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland (zittingsplaats Haarlem): C/15/258704 / HA ZA 17-350
arrest van de meervoudige familiekamer van 26 september 2023
inzake
[de vrouw]
,
wonend te [plaats A] ,
appellante in het principaal hoger beroep,
geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. P.F.M. Deijkers te Hoorn,
tegen
[de man]
,
wonend te [plaats B] ,
geïntimeerde in het principaal hoger beroep,
appellant in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. N. Bevelander te Amsterdam.
1Het (verdere) verloop van het geding in hoger beroep
1.1
Partijen worden hierna wederom de vrouw en de man genoemd.
1.2
Bij tussenarrest van 21 september 2021 heeft dit hof partijen in de gelegenheid gesteld een akte te nemen met de onder 3.2 en 4.2 van dat arrest vermelde doelen en de zaak daartoe naar de rol verwezen en iedere verdere beslissing aangehouden.
1.3
Bij tussenarrest van 2 augustus 2022 heeft dit hof onder andere geoordeeld dat grief 2 van de vrouw faalt en dat de grief van de man inzake de schuld aan Achmea Zorgkantoor (PGB) slaagt, zodat het oordeel van de rechtbank op dit punt zal worden vernietigd en het verzoek van de vrouw te bepalen dat beide partijen voor de helft draagplichtig zijn voor deze schuld alsnog zal worden afgewezen, omdat het hof niet tot de vaststelling komt van de door de vrouw aangevoerde grondslag, te weten dat de PGB schuld in de huwelijksgoederengemeenschap valt, als gevolg waarvan partijen, ieder voor de helft, draagplichtig zijn.
Daarnaast heeft het hof, kort gezegd, overwogen:
- voornemens te zijn Gerard Vleut (hierna: de deskundige) van Mooijekindvleut makelaars en taxateurs als deskundige te benoemen voor het vaststellen van de waarde van het appartementsrecht aan de hand van de in dit tussenarrest geformuleerde vragen;
- dat de door de deskundige geraamde kosten € 1.150,- exclusief BTW en € 27,- leges en kadaster kosten bedragen en dat partijen deze ieder voor de helft bij wijze van voorschot dienen te voldoen;
- dat partijen in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige, de kosten en de vraagstelling en de zaak daartoe verwezen naar de rol.
1.4
Nadat beide partijen hebben aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de benoeming van de hiervoor genoemde deskundige ter beantwoording van de hiervoor genoemde vragen en partijen geen bezwaar hebben gemaakt tegen diens geraamde kosten, heeft het hof bij arrest van 8 november 2022 partijen opgedragen ieder de helft van de kosten van € 1.418,50 zijnde € 709,25 te voldoen en een onderzoek bevolen door de genoemde deskundige ter beantwoording van de hiervoor vermelde vragen.
1.5
Op 31 mei 2023 heeft het hof van de deskundige het deskundigenrapport ontvangen. Vervolgens heeft het hof eerst de vrouw en daarna de man in de gelegenheid gesteld om op het deskundigenrapport te reageren en zich uit te laten over de gevolgen van de getaxeerde waarde voor hun standpunten over de verdeling van het appartementsrecht. De vrouw noch de man heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt, zodat aan beide partijen verval is verleend voor het verrichten van de proceshandeling.
2De verdere beoordeling
2.1
Het hof dient zich nu te buigen over de toedeling van het appartementsrecht en de waarde daarvan en de aan het appartementsrecht verbonden hypotheekschuld en de kapitaalverzekering en vervolgens de eindbeslissingen in deze zaak.
De rechtbank heeft tussen partijen de verdeling hiervan aldus vastgesteld dat het appartementsrecht, de hypotheekschuld en de daaraan gekoppelde kapitaalverzekering aan de man worden toegedeeld. Daarbij heeft de rechtbank aan het appartementsrecht een waarde toegekend van € 130.000,-, en uitgaande van de hypotheekschuld van € 139.800,- en de kapitaalverzekering met een waarde van € 5.742,-, bepaald dat de vrouw aan de man diende te voldoen de helft van de onderwaarde, zijnde € 2.029,-.
2.2
De vrouw heeft zich niet kunnen vinden in de door de rechtbank vastgestelde waarde van € 130.000,- en zij heeft in hoger beroep gesteld dat de waarde gelijk is aan € 239.940,-. Volgens de man is deze waarde veel te hoog gelet op een WOZ-waarde per januari 2019 van € 174.000,-. De deskundige heeft de waarde van het appartementsrecht per de peildatum, 13 maart 2019, bepaald op € 189.000,-.
2.3
De vrouw noch de man heeft gereageerd op het deskundigenrapport of zich uitgelaten over de verdeling van het appartementsrecht. Om die reden zal het hof uitgaan van de door de rechtbank in rechtsoverweging 4.7 vastgestelde toedeling aan de man, maar daarbij anders dan de rechtbank de waarde vaststellen op € 189.000,-, overeenkomstig de uitkomst van het deskundigenonderzoek. Dit leidt ertoe dat de man bij een hypotheekschuld van € 139.800,- en een kapitaalverzekering met een waarde van € 5.742,- aan de vrouw verschuldigd is de helft van de overwaarde gelijk aan de helft van (€ 189.000,- verminderd met € 139.800,- en vermeerderd met € 5.742,- =) € 54.942,-, zijnde € 27.471,-. Grief 1 van de vrouw slaagt in zoverre.
2.4
Ten aanzien van de PGB schuld heeft het hof in het tussenarrest van 2 augustus 2022 over de vordering van de vrouw geoordeeld zoals het hof hiervoor onder 1.3 heeft vermeld, wat betekent dat de man niet mede draagplichtig is voor de schuld. Het hof dient thans nog te beslissen over de vordering in incidenteel hoger beroep van de man te bepalen dat uitsluitend de vrouw draagplichtig is voor deze schuld onder gehoudenheid van de vrouw om de man te vrijwaren voor aanspraken tot betaling van deze schuld. Aangezien het hof in het tussenarrest heeft geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld of al dan niet sprake is van een gemeenschapsschuld (omdat niet kan worden vastgesteld of de schuld de zoon of de vrouw/de huwelijksgemeenschap aangaat) zal het hof de vordering van de man op dit punt niet toewijzen.
Kosten van de deskundige en proceskosten.
2.5
De kosten van de deskundige bedragen € 1.418,50 inclusief BTW. Het hof ziet in de aard van het geschil aanleiding te bepalen dat deze kosten door partijen gezamenlijk dienen te worden gedragen, ieder voor de helft. Ieder van partijen moet derhalve € 709,25 betalen. De vrouw en de man hebben ieder dit bedrag reeds bij wege van voorschot betaald.
Overigens zal het hof vanwege de voormalige relatie tussen partijen de proceskosten van het geding in hoger beroep compenseren in die zin dat ieder zijn eigen kosten draagt. Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van de compensatie van de kosten in eerste aanleg. Het hierop ziende verzoek van de man zal worden afgewezen.
Slotoverweging.
2.6
De slotsom in principaal hoger beroep is dat grief 1 van de vrouw slaagt en grief 2 faalt en in incidenteel hoger beroep dat de grief van de man slaagt.
Dictum
vernietigt het bestreden vonnis voor zover de rechtbank daarin:
- heeft geoordeeld in rechtsoverwegingen 4.7 dat de vrouw aan de man dient te voldoen de helft van de onderwaarde van € 2.029,- en in 4.12 dat de vrouw aan de man dient te voldoen (€ 2.029,- + € 500,- - € 750,- + € 1.750,- =) € 529,-;
- heeft geoordeeld in de rechtsoverweging 4.13 onder 6., en 4.15 en 4.16 dat de schuld aan Achmea Zorgkantoor (PGB) van € 42.466,22 in de huwelijksgemeenschap valt en dat de man draagplichtig is voor deze schuld;
- de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap aldus heeft vastgesteld in het dictum (onder 5.1);
- en daarbij heeft bepaald dat de vrouw ter gelegenheid van de toedeling van de woning aan de man wegens overbedeling dient te voldoen een bedrag van € 529,- (onder 5.2);
- en het meer of anders gevorderde heeft afgewezen (onder 5.4);
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
stelt de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap vast met in achtneming van hetgeen het hof heeft overwogen in zijn (tussen)arrest(en);
bepaalt dat de man ter gelegenheid van de toedeling van de woning aan de vrouw wegens overbedeling dient te voldoen een bedrag van € 28.971,-;
wijst af de vordering van de vrouw tot verdeling voor zover deze ziet op de schuld aan Achmea Zorgkantoor (PGB) en de vaststelling van de draagplicht van de man;
bekrachtigt het vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg;
stelt de kosten van de deskundige en de verdeling van die kosten over partijen vast overeenkomstig hetgeen is overwogen onder 2.5;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep aldus dat iedere partij zijn eigen kosten draagt;
wijst het anders of meer gevorderde in hoger beroep af;
Dit arrest is gewezen door mr. J. Jonkers, mr. H.A. van den Berg en mr. C.M.J. Peters en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 26 september 2023.
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht,
team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer : 200.264.223/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland (zittingsplaats Haarlem): C/15/258704 / HA ZA 17-350
arrest van de meervoudige familiekamer van 26 september 2023
inzake
[de vrouw]
,
wonend te [plaats A] ,
appellante in het principaal hoger beroep,
geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. P.F.M. Deijkers te Hoorn,
tegen
[de man]
,
wonend te [plaats B] ,
geïntimeerde in het principaal hoger beroep,
appellant in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. N. Bevelander te Amsterdam.
1Het (verdere) verloop van het geding in hoger beroep
1.1
Partijen worden hierna wederom de vrouw en de man genoemd.
1.2
Bij tussenarrest van 21 september 2021 heeft dit hof partijen in de gelegenheid gesteld een akte te nemen met de onder 3.2 en 4.2 van dat arrest vermelde doelen en de zaak daartoe naar de rol verwezen en iedere verdere beslissing aangehouden.
1.3
Bij tussenarrest van 2 augustus 2022 heeft dit hof onder andere geoordeeld dat grief 2 van de vrouw faalt en dat de grief van de man inzake de schuld aan Achmea Zorgkantoor (PGB) slaagt, zodat het oordeel van de rechtbank op dit punt zal worden vernietigd en het verzoek van de vrouw te bepalen dat beide partijen voor de helft draagplichtig zijn voor deze schuld alsnog zal worden afgewezen, omdat het hof niet tot de vaststelling komt van de door de vrouw aangevoerde grondslag, te weten dat de PGB schuld in de huwelijksgoederengemeenschap valt, als gevolg waarvan partijen, ieder voor de helft, draagplichtig zijn.
Daarnaast heeft het hof, kort gezegd, overwogen:
- voornemens te zijn Gerard Vleut (hierna: de deskundige) van Mooijekindvleut makelaars en taxateurs als deskundige te benoemen voor het vaststellen van de waarde van het appartementsrecht aan de hand van de in dit tussenarrest geformuleerde vragen;
- dat de door de deskundige geraamde kosten € 1.150,- exclusief BTW en € 27,- leges en kadaster kosten bedragen en dat partijen deze ieder voor de helft bij wijze van voorschot dienen te voldoen;
- dat partijen in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige, de kosten en de vraagstelling en de zaak daartoe verwezen naar de rol.
1.4
Nadat beide partijen hebben aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de benoeming van de hiervoor genoemde deskundige ter beantwoording van de hiervoor genoemde vragen en partijen geen bezwaar hebben gemaakt tegen diens geraamde kosten, heeft het hof bij arrest van 8 november 2022 partijen opgedragen ieder de helft van de kosten van € 1.418,50 zijnde € 709,25 te voldoen en een onderzoek bevolen door de genoemde deskundige ter beantwoording van de hiervoor vermelde vragen.
1.5
Op 31 mei 2023 heeft het hof van de deskundige het deskundigenrapport ontvangen. Vervolgens heeft het hof eerst de vrouw en daarna de man in de gelegenheid gesteld om op het deskundigenrapport te reageren en zich uit te laten over de gevolgen van de getaxeerde waarde voor hun standpunten over de verdeling van het appartementsrecht. De vrouw noch de man heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt, zodat aan beide partijen verval is verleend voor het verrichten van de proceshandeling.
2De verdere beoordeling
2.1
Het hof dient zich nu te buigen over de toedeling van het appartementsrecht en de waarde daarvan en de aan het appartementsrecht verbonden hypotheekschuld en de kapitaalverzekering en vervolgens de eindbeslissingen in deze zaak.
De rechtbank heeft tussen partijen de verdeling hiervan aldus vastgesteld dat het appartementsrecht, de hypotheekschuld en de daaraan gekoppelde kapitaalverzekering aan de man worden toegedeeld. Daarbij heeft de rechtbank aan het appartementsrecht een waarde toegekend van € 130.000,-, en uitgaande van de hypotheekschuld van € 139.800,- en de kapitaalverzekering met een waarde van € 5.742,-, bepaald dat de vrouw aan de man diende te voldoen de helft van de onderwaarde, zijnde € 2.029,-.
2.2
De vrouw heeft zich niet kunnen vinden in de door de rechtbank vastgestelde waarde van € 130.000,- en zij heeft in hoger beroep gesteld dat de waarde gelijk is aan € 239.940,-. Volgens de man is deze waarde veel te hoog gelet op een WOZ-waarde per januari 2019 van € 174.000,-. De deskundige heeft de waarde van het appartementsrecht per de peildatum, 13 maart 2019, bepaald op € 189.000,-.
2.3
De vrouw noch de man heeft gereageerd op het deskundigenrapport of zich uitgelaten over de verdeling van het appartementsrecht. Om die reden zal het hof uitgaan van de door de rechtbank in rechtsoverweging 4.7 vastgestelde toedeling aan de man, maar daarbij anders dan de rechtbank de waarde vaststellen op € 189.000,-, overeenkomstig de uitkomst van het deskundigenonderzoek. Dit leidt ertoe dat de man bij een hypotheekschuld van € 139.800,- en een kapitaalverzekering met een waarde van € 5.742,- aan de vrouw verschuldigd is de helft van de overwaarde gelijk aan de helft van (€ 189.000,- verminderd met € 139.800,- en vermeerderd met € 5.742,- =) € 54.942,-, zijnde € 27.471,-. Grief 1 van de vrouw slaagt in zoverre.
2.4
Ten aanzien van de PGB schuld heeft het hof in het tussenarrest van 2 augustus 2022 over de vordering van de vrouw geoordeeld zoals het hof hiervoor onder 1.3 heeft vermeld, wat betekent dat de man niet mede draagplichtig is voor de schuld. Het hof dient thans nog te beslissen over de vordering in incidenteel hoger beroep van de man te bepalen dat uitsluitend de vrouw draagplichtig is voor deze schuld onder gehoudenheid van de vrouw om de man te vrijwaren voor aanspraken tot betaling van deze schuld. Aangezien het hof in het tussenarrest heeft geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld of al dan niet sprake is van een gemeenschapsschuld (omdat niet kan worden vastgesteld of de schuld de zoon of de vrouw/de huwelijksgemeenschap aangaat) zal het hof de vordering van de man op dit punt niet toewijzen.
Kosten van de deskundige en proceskosten.
2.5
De kosten van de deskundige bedragen € 1.418,50 inclusief BTW. Het hof ziet in de aard van het geschil aanleiding te bepalen dat deze kosten door partijen gezamenlijk dienen te worden gedragen, ieder voor de helft. Ieder van partijen moet derhalve € 709,25 betalen. De vrouw en de man hebben ieder dit bedrag reeds bij wege van voorschot betaald.
Overigens zal het hof vanwege de voormalige relatie tussen partijen de proceskosten van het geding in hoger beroep compenseren in die zin dat ieder zijn eigen kosten draagt. Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van de compensatie van de kosten in eerste aanleg. Het hierop ziende verzoek van de man zal worden afgewezen.
Slotoverweging.
2.6
De slotsom in principaal hoger beroep is dat grief 1 van de vrouw slaagt en grief 2 faalt en in incidenteel hoger beroep dat de grief van de man slaagt.
Dictum
vernietigt het bestreden vonnis voor zover de rechtbank daarin:
- heeft geoordeeld in rechtsoverwegingen 4.7 dat de vrouw aan de man dient te voldoen de helft van de onderwaarde van € 2.029,- en in 4.12 dat de vrouw aan de man dient te voldoen (€ 2.029,- + € 500,- - € 750,- + € 1.750,- =) € 529,-;
- heeft geoordeeld in de rechtsoverweging 4.13 onder 6., en 4.15 en 4.16 dat de schuld aan Achmea Zorgkantoor (PGB) van € 42.466,22 in de huwelijksgemeenschap valt en dat de man draagplichtig is voor deze schuld;
- de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap aldus heeft vastgesteld in het dictum (onder 5.1);
- en daarbij heeft bepaald dat de vrouw ter gelegenheid van de toedeling van de woning aan de man wegens overbedeling dient te voldoen een bedrag van € 529,- (onder 5.2);
- en het meer of anders gevorderde heeft afgewezen (onder 5.4);
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
stelt de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap vast met in achtneming van hetgeen het hof heeft overwogen in zijn (tussen)arrest(en);
bepaalt dat de man ter gelegenheid van de toedeling van de woning aan de vrouw wegens overbedeling dient te voldoen een bedrag van € 28.971,-;
wijst af de vordering van de vrouw tot verdeling voor zover deze ziet op de schuld aan Achmea Zorgkantoor (PGB) en de vaststelling van de draagplicht van de man;
bekrachtigt het vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg;
stelt de kosten van de deskundige en de verdeling van die kosten over partijen vast overeenkomstig hetgeen is overwogen onder 2.5;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep aldus dat iedere partij zijn eigen kosten draagt;
wijst het anders of meer gevorderde in hoger beroep af;
Dit arrest is gewezen door mr. J. Jonkers, mr. H.A. van den Berg en mr. C.M.J. Peters en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 26 september 2023.