Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2023-09-14
ECLI:NL:GHAMS:2023:2156
Strafrecht
Hoger beroep
5,886 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000274-22
datum uitspraak: 14 september 2023
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 4 februari 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-208730-21 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [adres] 1969,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
31 augustus 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 2 augustus 2021 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [benadeelde] heeft mishandeld door eenmaal of meermalen te slaan en/of te schoppen op/tegen het gezicht en/of armen, in elk geval het lichaam;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een iets andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Partiële vrijspraak
Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de aangever heeft geschopt en dat de verdachte de aangever tegen de armen heeft geslagen, zodat hij van deze onderdelen van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.
Bewijsoverweging
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Hij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.
Het dossier bevat veel onduidelijkheden. De aangever heeft over het voorval uiteenlopende verklaringen afgelegd welke deels zijn gefalsificeerd, zodat ook aan de juistheid van de inhoud van de aangifte kan worden getwijfeld. De enkele constatering dat bij de aangever sprake was van letsel, betekent voorts niet vanzelfsprekend dat hieraan een mishandeling vooraf is gegaan. De aangever verkeerde ten tijde van het incident in een staat van dronkenschap, zodat het aannemelijk is dat hij als gevolg hiervan ongelukkig ten val is gekomen. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt, nu hij heeft verklaard dat de aangever hem in de woning heeft aangevallen met een mes, waarop hij hem een duw heeft gegeven.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt voorop dat niet alleen de betwisting van het feitelijke handelen van de verdachte, maar ook het beroep op noodweer in deze zaak raakt aan de bewijsvraag. Immers, met de term ‘mishandeling’
in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht wordt mede de wederrechtelijkheid van de gedraging tot uitdrukking gebracht. Daarom zal het hof beide op deze plaats bespreken.
De aangever heeft verklaard dat hij op 2 augustus 2021 in Amsterdam door de verdachte is geslagen.
Het hof acht deze verklaring – anders dan de raadsman – betrouwbaar nu deze voldoende consistent en specifiek is. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de aangever, die op verschillende momenten contact heeft gehad met de politie, consequent heeft verklaard dat hij door de verdachte is geslagen. De omstandigheid dat de aangever tegenover verbalisanten aanvankelijk heeft verklaard dat hij eveneens door de verdachte was gestoken met een mes, terwijl hij dit in de aangifte niet meer heeft benoemd, maakt dit niet anders. Wel zal het hof de aangifte behoedzaam beoordelen en alleen van die feiten uitgaan die verankering vinden in ander bewijs. Dat de verdachte in het gezicht is geslagen vindt steun in de letselverklaring van 3 augustus 2021, inhoudende dat bij de aangever licht traumatisch schedel-hersenletsel is geconstateerd. Tevens is geconstateerd dat de aangever hematomen had aan de linkerzijde van het gelaat en dat hij een tand miste. Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt in zoverre verworpen.
Het hof verwerpt ook het beroep op noodweer, nu de feiten en omstandigheden die door de verdediging aan het beroep ten grondslag zijn gelegd niet aannemelijk zijn geworden. Het hof overweegt daartoe dat de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij door de aangever in de woonkamer werd bedreigd met een mes, waarop hij de aangever een duw heeft gegeven en het mes op de grond van de woonkamer is gevallen, geen steun vindt in het dossier. Uit het proces-verbaal forensisch onderzoek woning van 5 augustus 2021, volgt dat er in de woning weliswaar een drietal messen is aangetroffen, maar dat geen van deze messen is aangetroffen op de woonkamervloer.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 2 augustus 2021 te Amsterdam [benadeelde] heeft mishandeld door meermalen te slaan tegen het gezicht;
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur, subsidiair 30 dagen hechtenis, waarvan 20 uur, subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door het slachtoffer meermalen te slaan tegen het gezicht. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem pijn en letsel bezorgd. Het hof rekent de verdachte in het bijzonder aan dat de mishandeling heeft plaatsgevonden in de gezamenlijke woning van de verdachte en het slachtoffer. Een woning is immers bij uitstek de plek waar iemand zich veilig en geborgen moet kunnen voelen.
Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 23 augustus 2023, is de verdachte niet eerder onherroepelijk veroordeeld en heeft hij zich ook na het bewezenverklaarde feit niet opnieuw schuldig gemaakt aan het plegen van strafbare feiten.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding ten aanzien van de immateriële schade voor het overige af.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 7 (zeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 2 augustus 2021.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Kengen, mr. M.L.M. van der Voet en mr. W.S. Ludwig, in tegenwoordigheid van
mr. L.C. de Groot, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
14 september 2023.
[…]
INLEIDING ===
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000274-22
datum uitspraak: 14 september 2023
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 4 februari 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-208730-21 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [adres] 1969,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
31 augustus 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 2 augustus 2021 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [benadeelde] heeft mishandeld door eenmaal of meermalen te slaan en/of te schoppen op/tegen het gezicht en/of armen, in elk geval het lichaam;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een iets andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Partiële vrijspraak
Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de aangever heeft geschopt en dat de verdachte de aangever tegen de armen heeft geslagen, zodat hij van deze onderdelen van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.
Bewijsoverweging
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Hij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.
Het dossier bevat veel onduidelijkheden. De aangever heeft over het voorval uiteenlopende verklaringen afgelegd welke deels zijn gefalsificeerd, zodat ook aan de juistheid van de inhoud van de aangifte kan worden getwijfeld. De enkele constatering dat bij de aangever sprake was van letsel, betekent voorts niet vanzelfsprekend dat hieraan een mishandeling vooraf is gegaan. De aangever verkeerde ten tijde van het incident in een staat van dronkenschap, zodat het aannemelijk is dat hij als gevolg hiervan ongelukkig ten val is gekomen. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt, nu hij heeft verklaard dat de aangever hem in de woning heeft aangevallen met een mes, waarop hij hem een duw heeft gegeven.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt voorop dat niet alleen de betwisting van het feitelijke handelen van de verdachte, maar ook het beroep op noodweer in deze zaak raakt aan de bewijsvraag. Immers, met de term ‘mishandeling’
in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht wordt mede de wederrechtelijkheid van de gedraging tot uitdrukking gebracht. Daarom zal het hof beide op deze plaats bespreken.
De aangever heeft verklaard dat hij op 2 augustus 2021 in Amsterdam door de verdachte is geslagen.
Het hof acht deze verklaring – anders dan de raadsman – betrouwbaar nu deze voldoende consistent en specifiek is. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de aangever, die op verschillende momenten contact heeft gehad met de politie, consequent heeft verklaard dat hij door de verdachte is geslagen. De omstandigheid dat de aangever tegenover verbalisanten aanvankelijk heeft verklaard dat hij eveneens door de verdachte was gestoken met een mes, terwijl hij dit in de aangifte niet meer heeft benoemd, maakt dit niet anders. Wel zal het hof de aangifte behoedzaam beoordelen en alleen van die feiten uitgaan die verankering vinden in ander bewijs. Dat de verdachte in het gezicht is geslagen vindt steun in de letselverklaring van 3 augustus 2021, inhoudende dat bij de aangever licht traumatisch schedel-hersenletsel is geconstateerd. Tevens is geconstateerd dat de aangever hematomen had aan de linkerzijde van het gelaat en dat hij een tand miste. Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt in zoverre verworpen.
Het hof verwerpt ook het beroep op noodweer, nu de feiten en omstandigheden die door de verdediging aan het beroep ten grondslag zijn gelegd niet aannemelijk zijn geworden. Het hof overweegt daartoe dat de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij door de aangever in de woonkamer werd bedreigd met een mes, waarop hij de aangever een duw heeft gegeven en het mes op de grond van de woonkamer is gevallen, geen steun vindt in het dossier. Uit het proces-verbaal forensisch onderzoek woning van 5 augustus 2021, volgt dat er in de woning weliswaar een drietal messen is aangetroffen, maar dat geen van deze messen is aangetroffen op de woonkamervloer.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 2 augustus 2021 te Amsterdam [benadeelde] heeft mishandeld door meermalen te slaan tegen het gezicht;
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur, subsidiair 30 dagen hechtenis, waarvan 20 uur, subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door het slachtoffer meermalen te slaan tegen het gezicht. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem pijn en letsel bezorgd. Het hof rekent de verdachte in het bijzonder aan dat de mishandeling heeft plaatsgevonden in de gezamenlijke woning van de verdachte en het slachtoffer. Een woning is immers bij uitstek de plek waar iemand zich veilig en geborgen moet kunnen voelen.
Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 23 augustus 2023, is de verdachte niet eerder onherroepelijk veroordeeld en heeft hij zich ook na het bewezenverklaarde feit niet opnieuw schuldig gemaakt aan het plegen van strafbare feiten.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding ten aanzien van de immateriële schade voor het overige af.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 7 (zeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 2 augustus 2021.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Kengen, mr. M.L.M. van der Voet en mr. W.S. Ludwig, in tegenwoordigheid van
mr. L.C. de Groot, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
14 september 2023.
=
===
[…]