Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2023-05-23
ECLI:NL:GHAMS:2023:1302
Strafrecht
Raadkamer
1,494 tokens
Inleiding
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer(s): 000096-23 (530 Sv) en 000097-23 (533 Sv)
parketnummer in eerste aanleg: 13-012666-21
Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 20 december 2022 op het verzoekschrift op de voet van de artikel 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker01] ,
geboren te [geboorteplaats01] ( [geboorteland01] ) op [geboortedatum01] 1982,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. G.N. Weski,
[adres01] .
Procesverloop
Het hoger beroep is op 22 december 2022 ingesteld door verzoeker (hierna appellant).
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 25 april 2023 de advocaat-generaal ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant en diens raadsman zijn met tijdige kennisgeving aan het hof niet in raadkamer verschenen. De raadsman heeft het hof laten weten ermee in te stemmen dat het verzoek buiten zijn aanwezigheid behandeld zou worden.
2
Inhoud van het verzoek
Het verzoek – aangevuld in hoger beroep - strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 18.790,00;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in eerste aanleg ten bedrage van € 680,00;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in hoger beroep ten bedrage van € 340,00.
Beoordeling
Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
De rechtbank heeft het verzoek afgewezen.
Het hof overweegt dat de inleidende dagvaarding bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 april 2022 weliswaar nietig is verklaard, doch dat het Openbaar Ministerie daarop heeft aangekondigd verzoeker opnieuw te zullen dagvaarden, terwijl de rechter daarna niet op grond van artikel 29f Sv heeft verklaard dat de zaak is geëindigd. Het hof is dientengevolge van oordeel dat de zaak niet is geëindigd op de wijze als genoemd in artikel 530 Sv respectievelijk 533 Sv. Onder die omstandigheden is het hof van oordeel dat verzoeker niet in zijn verzoeken tot vergoeding van kosten en schade kan worden ontvangen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt de beslissing waarvan beroep.
Verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.W.T. Klappe, F.A. Hartsuiker en A.C. Huisman, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 23 mei 2023.
Inleiding
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer(s): 000096-23 (530 Sv) en 000097-23 (533 Sv)
parketnummer in eerste aanleg: 13-012666-21
Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 20 december 2022 op het verzoekschrift op de voet van de artikel 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker01] ,
geboren te [geboorteplaats01] ( [geboorteland01] ) op [geboortedatum01] 1982,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. G.N. Weski,
[adres01] .
Procesverloop
Het hoger beroep is op 22 december 2022 ingesteld door verzoeker (hierna appellant).
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 25 april 2023 de advocaat-generaal ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant en diens raadsman zijn met tijdige kennisgeving aan het hof niet in raadkamer verschenen. De raadsman heeft het hof laten weten ermee in te stemmen dat het verzoek buiten zijn aanwezigheid behandeld zou worden.
2
Inhoud van het verzoek
Het verzoek – aangevuld in hoger beroep - strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 18.790,00;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in eerste aanleg ten bedrage van € 680,00;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in hoger beroep ten bedrage van € 340,00.
Beoordeling
Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
De rechtbank heeft het verzoek afgewezen.
Het hof overweegt dat de inleidende dagvaarding bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 april 2022 weliswaar nietig is verklaard, doch dat het Openbaar Ministerie daarop heeft aangekondigd verzoeker opnieuw te zullen dagvaarden, terwijl de rechter daarna niet op grond van artikel 29f Sv heeft verklaard dat de zaak is geëindigd. Het hof is dientengevolge van oordeel dat de zaak niet is geëindigd op de wijze als genoemd in artikel 530 Sv respectievelijk 533 Sv. Onder die omstandigheden is het hof van oordeel dat verzoeker niet in zijn verzoeken tot vergoeding van kosten en schade kan worden ontvangen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt de beslissing waarvan beroep.
Verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.W.T. Klappe, F.A. Hartsuiker en A.C. Huisman, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 23 mei 2023.