Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2023-05-23
ECLI:NL:GHAMS:2023:1151
Civiel recht
Hoger beroep
2,290 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.313.494/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 9759133 / CV EXPL 22-1733
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 mei 2023
inzake
[appellant] , h.o.d.n. [X] ,
wonend te [woonplaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. A. Quispel te Oud-Beijerland, gemeente Hoeksche Waard,
tegen
[geïntimeerde]
,
wonend te [woonplaats 2] ,
geïntimeerde,
niet verschenen.
Procesverloop
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
[appellant] is bij dagvaarding van 11 juli 2022 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (hierna: de kantonrechter), van 26 april 2022, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.
Ter rolle van 26 juli 2022 is tegen [geïntimeerde] verstek verleend.
[appellant] heeft een memorie van grieven met producties genomen en heeft bewijs van zijn stellingen aangeboden.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog - uitvoerbaar bij voorraad - zijn vordering zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.
Ten slotte heeft [appellant] arrest gevraagd.
Beoordeling
3.1.
[appellant] heeft bij inleidende dagvaarding gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van in hoofdsom € 6.142,50, vermeerderd met incassokosten en rente per saldo van € 6.913,15, te vermeerderen met rente vanaf de datum van de dagvaarding.
3.2.
[appellant] heeft aan de vordering ten grondslag gelegd dat hij aan [geïntimeerde] een airconditioningsinstallatie heeft verkocht en geleverd voor het bedrag van € 6.142,50 (inclusief installatiekosten) en dat [geïntimeerde] de daartoe opgemaakte factuur van 30 mei 2021, met een betalingstermijn van veertien dagen, ondanks aanmaning en sommatie, onbetaald heeft gelaten.
3.3.
De kantonrechter heeft de vordering afgewezen op de grond dat sprake is van een overeenkomst als bedoeld in artikel 6:230l BW, terwijl zonder concrete toelichting over de wijze van totstandkoming van de overeenkomst hij niet heeft kunnen vaststellen dat aan [geïntimeerde] op duidelijke en begrijpelijke wijze de in dat artikel bedoelde informatie was verstrekt.
3.4.
In grief 1 heeft [appellant] alsnog een toelichting gegeven op de wijze van totstandkoming van de overeenkomst. Het hof acht zich daardoor voldoende voorgelicht om te kunnen vaststellen dat [appellant] aan de op hem rustende pre-contractuele informatieplichten heeft voldaan, in dier voege dat [geïntimeerde] weloverwogen een besluit heeft kunnen nemen over de aankoop van de installatie. Ook overigens komt de vordering het hof ongegrond noch onrechtmatig voor, zodat de vordering toewijsbaar is.
3.5.
De slotsom is dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd behoudens de veroordeling van [appellant] in de kosten, nu in eerste aanleg zijn vordering op goede grond is afgewezen. nu de kantonrechter tot de in het bestreden vonnis bepaalde uitkomst heeft kunnen komen. De vordering van [appellant] wordt als na te melden toegewezen en [geïntimeerde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover daarbij de vordering van [appellant] is afgewezen; en
in zoverre opnieuw rechtdoende in hoger beroep:
veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] te betalen € 6.913,15, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 10 maart 2022;
bekrachtigt het vonnis voor het overige;
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op € 448,23 aan verschotten en € 836 voor salaris;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. T.S. Pieters, G.C. Boot en A.S. Arnold en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2023.
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.313.494/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 9759133 / CV EXPL 22-1733
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 mei 2023
inzake
[appellant] , h.o.d.n. [X] ,
wonend te [woonplaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. A. Quispel te Oud-Beijerland, gemeente Hoeksche Waard,
tegen
[geïntimeerde]
,
wonend te [woonplaats 2] ,
geïntimeerde,
niet verschenen.
Procesverloop
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
[appellant] is bij dagvaarding van 11 juli 2022 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (hierna: de kantonrechter), van 26 april 2022, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.
Ter rolle van 26 juli 2022 is tegen [geïntimeerde] verstek verleend.
[appellant] heeft een memorie van grieven met producties genomen en heeft bewijs van zijn stellingen aangeboden.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog - uitvoerbaar bij voorraad - zijn vordering zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.
Ten slotte heeft [appellant] arrest gevraagd.
Beoordeling
3.1.
[appellant] heeft bij inleidende dagvaarding gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van in hoofdsom € 6.142,50, vermeerderd met incassokosten en rente per saldo van € 6.913,15, te vermeerderen met rente vanaf de datum van de dagvaarding.
3.2.
[appellant] heeft aan de vordering ten grondslag gelegd dat hij aan [geïntimeerde] een airconditioningsinstallatie heeft verkocht en geleverd voor het bedrag van € 6.142,50 (inclusief installatiekosten) en dat [geïntimeerde] de daartoe opgemaakte factuur van 30 mei 2021, met een betalingstermijn van veertien dagen, ondanks aanmaning en sommatie, onbetaald heeft gelaten.
3.3.
De kantonrechter heeft de vordering afgewezen op de grond dat sprake is van een overeenkomst als bedoeld in artikel 6:230l BW, terwijl zonder concrete toelichting over de wijze van totstandkoming van de overeenkomst hij niet heeft kunnen vaststellen dat aan [geïntimeerde] op duidelijke en begrijpelijke wijze de in dat artikel bedoelde informatie was verstrekt.
3.4.
In grief 1 heeft [appellant] alsnog een toelichting gegeven op de wijze van totstandkoming van de overeenkomst. Het hof acht zich daardoor voldoende voorgelicht om te kunnen vaststellen dat [appellant] aan de op hem rustende pre-contractuele informatieplichten heeft voldaan, in dier voege dat [geïntimeerde] weloverwogen een besluit heeft kunnen nemen over de aankoop van de installatie. Ook overigens komt de vordering het hof ongegrond noch onrechtmatig voor, zodat de vordering toewijsbaar is.
3.5.
De slotsom is dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd behoudens de veroordeling van [appellant] in de kosten, nu in eerste aanleg zijn vordering op goede grond is afgewezen. nu de kantonrechter tot de in het bestreden vonnis bepaalde uitkomst heeft kunnen komen. De vordering van [appellant] wordt als na te melden toegewezen en [geïntimeerde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover daarbij de vordering van [appellant] is afgewezen; en
in zoverre opnieuw rechtdoende in hoger beroep:
veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] te betalen € 6.913,15, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 10 maart 2022;
bekrachtigt het vonnis voor het overige;
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op € 448,23 aan verschotten en € 836 voor salaris;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. T.S. Pieters, G.C. Boot en A.S. Arnold en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2023.