Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2017-12-12
ECLI:NL:GHAMS:2017:5397
GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerken 16/00437, 16/00438 en 16/00439 12 december 2017 uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep – na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden – van de heffingsambtenaar van de gemeente Midden-Delfland , de heffingsambtenaar,gemachtigden: mr. R.P.M.M. Mols en mr. A.A.C. Bruijns (Van den Bosch & Partners) te Sliedrecht en het incidentele hoger beroep van het Hoogheemraadschap van Delfland te Delft, belanghebbende, gemachtigden: mr. R.A. de Boer en mr. M. de Bruin (Stibbe) te Amsterdam tegen de uitspraak van 5 november 2013 in de zaken met kenmerk SGR 12/11379, 12/11380 en 12/11381 van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1 De heffingsambtenaar heeft bij beschikkingen van 30 december 2011 de waarden op 1 januari 2008, 1 januari 2009 en 1 januari 2010 van een samenstel van gebouwde en ongebouwde eigendommen gelegen aan [A-straat] te [A] (het complex) op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) voor de kalenderjaren 2009, 2010 en 2011 vastgesteld op respectievelijk € 219.474.000, € 220.662.000 en € 205.446,000. Elke beschikking is in één geschrift bekendgemaakt met de voor het desbetreffende jaar aan belanghebbende opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Midden-Delfland (de aanslagen). 1.2. De tegen de beschikkingen en aanslagen gemaakte bezwaren zijn bij uitspraken op bezwaar van 20 november 2012 ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft bij de uitspraak van 5 november 2013 op het door belanghebbende ingestelde beroep als volgt beslist: “De rechtbank: - verklaart de beroepen gegrond; - vernietigt de uitspraken op bezwaar; - wijzigt de beschikkingen aldus dat de vastgestelde waarden worden verminderd tot nihil; - vernietigt de aanslagen onroerendezaakbelastingen voor de jaren 2009, 2010 en 2011: - bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten; - veroordeelt verweerder [ de heffingsambtenaar ] in de proceskosten tot een bedrag van € 1.179, te betalen aan eiser [ belanghebbende ]; - draagt verweerder op de betaalde griffierechten van (3x € 310) € 930 aan eiser te vergoeden.” 1.4. Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Den Haag. Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep inzake de veroordeling van de heffingsambtenaar in de (forfaitaire) proceskosten ingesteld. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij uitspraak van 13 mei 2015 als volgt beslist: “Het Gerechtshof: vernietigt de uitspraak van de Rechtbank behoudens de beslissing betreffende de vergoeding van de proceskosten en de door belanghebbende betaalde griffierechten; vernietigt de uitspraken op bezwaar; wijzigt de beschikkingen aldus dat de vastgestelde waarden van het complex worden verminderd tot € 38.960.000 (2009), € 38.510.000 (2010) en € 35.890.000 (2011); veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 2.205.” 1.5. Zowel het Hoogheemraadschap als het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Delfland heeft tegen de uitspraak van het gerechtshof Den Haag beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Bij arrest van 30 september 2016, nr. 15/02820, ECLI:NL:HR:2016:2196, heeft de Hoge Raad voor zover na verwijzing van belang als volgt beslist: “De Hoge Raad: - verklaart het beroep in cassatie van het College ongegrond, - verklaart het principale beroep in cassatie van belanghebbende gegrond, - vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht en de proceskosten, - verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest”. 1.6. Partijen zijn door de griffier van het Hof in de gelegenheid gesteld een schriftelijke reactie op het arrest in te dienen. De gemachtigden hebben van deze gelegenheid gebruik gem In onderdeel 6.24 van de uitspraak van Gerechtshof Den Haag is het volgende overwogen en vastgesteld: “Omdat geen van beide partijen aan de op haar rustende bewijslast heeft voldaan bepaalt het Hof, rekening houdend met alle feiten en omstandigheden, in het bijzonder de door partijen overgelegde taxatierapporten, de gecorrigeerde vervangingswaarden van het complex vóór toepassing van de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties schattenderwijs op € 163.000.000 (waardepeildatum 1 januari 2008), € 166.000.000 (waardepeildatum 1 januari 2009) en € 154.000.000 (waardepeildatum 1 januari 2010). Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd, acht het Hof aannemelijk dat deze waarden overeenkomen met de waarde die het complex op de waardepeildata voor de eigenaar (belanghebbende) zelf had.” 4.2.1. Het Hof ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag welke onderdelen van het complex dienen te worden onderscheiden. 4.2.2. Als bijlage bij zijn nadere stuk van 14 juni 2017 heeft de heffingsambtenaar voor ieder van de in geschil zijnde jaren een ‘matrix opbouw waarde’ (hierna: de matrix) gevoegd. In de matrix voor het jaar 2009 zijn de onderdelen van de onroerende zaak als volgt onderscheiden: De in de laatste kolom vermelde waarden zijn berekend op basis van de na cassatie vaststaande complexwaarde van (voor het jaar 2009) € 163.000.000. 4.2.3. De matrixen voor de jaren 2010 en 2011 hebben dezelfde onderverdeling als de matrix voor het jaar 2009 met uitzondering van een uitsluitend in de matrix voor 2011 voorkomende post ‘opslaghal voor pilotinstallaties’ waaraan de heffingsambtenaar een waarde van € 29.935 heeft toegekend. 4.2.4. Belanghebbende heeft zich bereid getoond van de in de matrix gehanteerde onderverdeling (als zodanig) uit te gaan. Het Hof neemt bij de verdere beoordeling de (onderverdeling in de) matrix tot uitgangspunt en verwijst hierna naar de nummering en omschrijving van onderdelen conform voormelde matrix. 4.3.1. Het Hof komt vervolgens toe aan de vraag van welke onderdelen van het complex de waarde buiten aanmerking dient te worden gelaten, anders gezegd, welke onderdelen van het complex onder de uitzondering voor afvalwaterzuiveringsinstallaties (hierna: de waarderingsuitzondering of – kortweg – de uitzondering) vallen, uitgaande van het in het verwijzingsarrest gegeven criterium. 4.3.2.1. De heffingsambtenaar heeft zich in zijn schriftelijke reactie op het arrest op het standpunt gesteld dat, gemeten aan het door de Hoge Raad gegeven criterium, uitsluitend de (waarden van de) tanks genoemd in de onderdelen B01-04 (voorbezinktanks), D11-14 en D21-24 (biologische tanks), E11-18 en E21-28 (nabezinktanks), alsmede de tanks genoemd op de 4e t/m 8e regel van E30, E40, E50 en E60 (tanks voor onder meer verwijdering van nitraat en fosfor), telkens met de daarbij behorende grond, onder de uitzondering vallen. Het Hof voegt hier ter verduidelijking aan toe dat de heffingsambtenaar de werktuigenvrijstelling heeft toegepast op leidingen, pompen, compressoren en andere installaties, een en ander zoals blijkt uit de matrix. 4.3.2.2. De heffingsambtenaar acht de uitzondering niet van toepassing op de gebouwen (met de daarbij behorende grond) genoemd onder A01 (inlaatgebouw), A02 (flowmeterkamer influent), B05 (pompstation), B06 (flow distribution naar biologische tanks), C01 (opslaggebouw chemicaliën), C02 (azijnzuuropslaggebouw), D15 en D25 (procesluchtproductiegebouwen), D16 en D26 (elektriciteitsgebouwen), D30 (weegbrug), de eerste en derde regel van E30, E40, E50 en E60 (deaeration and flow distribution kamers), F01 (geurbehandelingsgebouw), F02 (energieproductiegebouw), G01 (effluentpompgebouw), G02 (flowmeterkamer bypass), H01 (kantoorgebouw en laboratorium), H02 (bedrijfswaterpompgebouw en gebouw technische dienst), H03 (bedrijfswaterpompgebouw), J01 en J02 (vergistingsgebouw), J03 (compressor- en pompgebouw), J07 (flowmeterkamer effluent), K03 (pompgebouw) , L01 (gebouwen voor slibindikking, -on Slib en onwelriekende gassen zijn onvermijdelijke (afval)producten van de waterzuivering en zullen voor een ongestoorde voortgang van het zuiveringsproces op een bedrijfsmatig verantwoorde en maatschappelijk aanvaardbare wijze dienen te worden afgevoerd. Wat de biogasenergiewinning betreft – die op zichzelf geen noodzakelijk element van een afvalwaterzuiveringsproces vormt – neemt het Hof nog in aanmerking dat zowel de productie als de aanwending van de desbetreffende energie volledig is geïntegreerd in het zuiveringsproces zoals dat op het onderhavige complex plaatsvindt. 4.5.5. Wegens hun verbondenheid met het zuiveringsproces en hun volstrekt bijkomstige karakter rekent het Hof ook de onder G01 genoemde zonnepanelen en de onder J09 genoemde fakkel tot de onderdelen die onder de uitzondering vallen. 4.6. Met betrekking tot de resterende posten van de matrix, te weten de posten H01 en de vijf niet genummerde posten op de laatste regels van de matrix, kan naar ’s Hofs oordeel niet (zonder meer) worden gezegd dat de daarin genoemde onderdelen behoren tot een ruimtelijk en technisch geïntegreerd complex van gebouwen en werken dat ten dienste staat van het afvalwaterzuiveringsproces als zodanig. 4.7. Ter zitting van het Hof is de essentie van de in 4.5 en 4.6 vermelde oordelen reeds als voorlopig oordeel aan partijen meegedeeld, welk voorlopig oordeel ook in een brief aan partijen tot uitdrukking is gebracht. 4.8. Het Hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich met betrekking tot de posten H01 en de vijf ongenummerde posten nader uit te laten. Partijen hebben hun wederzijdse standpunten daarover – onder handhaving van hun primaire standpunten – gemotiveerd uiteengezet in de van hen ontvangen antwoordbrieven. Daarbij hebben zij (grotendeels) overeenstemming bereikt over de aan (onderdelen van) de posten toe te kennen (deel)waarden. 4.9.1. De heffingsambtenaar stelt zich in dit subsidiaire kader op het standpunt dat post H01 dient te worden gesplitst. Het laboratorium en de controleruimte vallen onder de waarderingsuitzondering, maar de rest van het gebouw (door de heffingsambtenaar aangeduid als ‘het bezoekerscentrum’) niet; bij deze splitsing heeft hij de waarde van de ondergrond naar rato toegerekend aan de deelwaarden van de gebouwonderdelen. Wat de restposten betreft, is de waarderingsuitzondering volgens de heffingsambtenaar alleen van toepassing op de post ‘overige verharding’. 4.9.2. Blijkens een bij de antwoordbrief gevoegde specificatie concludeert de heffingsambtenaar (subsidiair) tot een te belasten waarde van € 3.581.793 (belastingjaar 2009) respectievelijk € 2.969.316 (belastingjaar 2010) respectievelijk € 2.924.409 (belastingjaar 2011). Het Hof begrijpt uit deze matrix dat de in 4.2.3 vermelde ‘opslaghal voor pilotinstallaties’, die alleen voor het jaar 2011 van belang is, onder de waarderingsuitzondering wordt gebracht. 4.10. Belanghebbende handhaaft ook in dit subsidiaire kader haar standpunt dat alle posten onder de waarderingsuitzondering vallen. 4.11. Uitgaande van de in 4.5 en 4.6 gegeven oordelen, waaraan het Hof vasthoudt, en van de door partijen vervolgens ingenomen (subsidiaire) standpunten, dient het Hof nog ten aanzien van de volgende onderdelen te beoordelen of zij al dan niet onder de waarderingsuitzondering vallen: - gebouw H01 behoudens laboratorium en controleruimte; - infrastructuur wegen; - diverse meubilair en kleine opstallen; - hekwerk en poorten; - grond (te weten: voor uitbreiding van het complex gereserveerde grond en groenstrook). 4.12.1. Naar ’s Hofs oordeel kan van de in 4.11 vermelde onderdelen van het complex niet worden gezegd dat zij ‘rechtstreeks ten dienste staan van de afvalwaterzuivering’. Bij de beoordeling van de stelling van belanghebbende dat (al) deze onderdelen nodig zijn om de afvalwaterzuiveringsinstallatie “nodig zijn om de werken overeenkomstig hun bestemming te laten functioneren”, zal het Hof zich oriënteren op het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2001, EC Dat het door belanghebbende bedoelde (overige) gedeelte van het hoofdgebouw dat (mede) bestemd is als bezoekerscentrum tevens noodzakelijk is voor het zuiveringsproces als zodanig is niet (voldoende) aannemelijk geworden. 4.14.3. Tot de post ‘infrastructuur wegen’ rekent de heffingsambtenaar de toegangsweg, het parkeerterrein bij gebouw H01 (door hem aangeduid als ‘parkeerterrein bezoekerscentrum’), en een onderdeel ‘infrastructuur kleine opstallen’. Aan de heffingsambtenaar dient te worden toegegeven dat deze onderdelen van de infrastructuur zich niet onderscheiden van voorzieningen zoals ze bij andere bedrijven kunnen worden aangetroffen, en dat de daarmee beoogde aan- en afvoer van personeel en bezoekers, alsmede het aan de bezoekers verschaffen van parkeerruimte, in een te ver verwijderd verband staan tot het proces van afvalwaterzuivering als zodanig. Belanghebbende heeft evenwel betoogd dat de toegangsweg onder meer wordt gebruikt voor het aanvoeren van chemicaliën en het per vrachtauto afvoeren van slib. Deze omstandigheid – die op zichzelf niet is betwist en het Hof ook aannemelijk voorkomt – brengt het Hof tot het oordeel dat de toegangsweg noodzakelijk is voor een ongestoorde voortgang van het zuiveringsproces en derhalve is aan te merken als een onderdeel dat nodig is om de afvalwaterzuiveringsinstallatie overeenkomstig haar bestemming te laten functioneren. Ditzelfde geldt voor de ‘infrastructuur wegen’ die zich bevindt tussen de onderdelen A t/m G van de matrix (de gebouwen, werken en installaties van de afvalwaterzuiveringsinstallatie in eigenlijke zin). Het voorgaande leidt ertoe dat van de nog in geschil zijnde onderdelen van de post ‘infrastructuur wegen’ uitsluitend het ‘parkeerterrein bezoekerscentrum’ buiten de waarderingsuitzondering valt. Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat een parkeervoorziening voor het personeel reeds is begrepen in de post “overige verharding”, waarvan tussen partijen niet in geschil is dat deze onder de uitzondering valt. Op basis van de door belanghebbende gemaakte waardetoerekening, die het Hof aannemelijk voorkomt, dient als waarde in aanmerking te worden genomen achtereenvolgens € 95.519 (2009), € 66.143 (2010) en € 64.802 (2011). 4.14.4. Voor de post ‘diverse meubilair en overige kleine opstallen’ (gelet op de nadere toelichting van partijen gaat het hierbij om straatmeubilair en een portiersloge) en de post ‘hekwerk en poorten’ geldt naar ’s Hofs oordeel dat zij in een te ver verwijderd functioneel verband staan tot de bestemming ‘afvalwaterzuivering’. Zij zouden in iedere willekeurige onderneming een nuttige rol kunnen vervullen, maar er kan niet van worden gezegd dat zij nodig zijn om de afvalwaterzuiveringsinstallatie overeenkomst haar bestemming te laten functioneren. 4.14.5. Hetzelfde heeft naar ’s Hofs oordeel te gelden voor de groenstrook en de voor uitbreiding gereserveerde grond. Hetgeen belanghebbende in dit verband heeft gesteld, onder meer onder verwijzing naar voorschriften van ruimtelijke ordening en de in de toekomst ter verwachten noodzaak voor uitbreiding van het complex, acht het Hof onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Cijfermatige conclusies 4.15. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de in de vast te stellen waarde uitsluitend kunnen worden begrepen de onderdelen H01 (behoudens laboratorium en controleruimte) en de vijf ongenummerde posten (behoudens toegangsweg en overige verharding). De vast te stellen waarde komt dan achtereenvolgens uit op 2009: Resterend gedeelte gebouw H01 incl. ondergrond € 251.422 Infrastructuur wegen: parkeerterrein bezoekerscentrum 95.519 Diverse meubilair en kleine opstallen 120.000 Hekwerk en poorten 247.371 Grond voor groenstrook en evt. uitbreiding 1.775.000 Vast te stellen waarde € 2.489.312 2010: Resterend gedeelte gebouw H01 incl. ondergrond € 233.578 Infrastructuur wegen: parkeerterrein bezoekerscentrum 66.143 Diverse meubilair en kleine opstallen