Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2017-11-07
ECLI:NL:GHAMS:2017:4620
GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerken 16/00503 tot en met 16/00507 7 november 2017 uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] te [Z] , belanghebbende, tegen de uitspraak van 4 oktober 2016 in de zaken met kenmerk HAA 15/4367, 15/4368, 15/4370, 15/4371 en 15/4372 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst , de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 8 mei 2015 voor het jaar 2009 aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.869. 1.1.2. De inspecteur heeft met dagtekening 4 december 2014 voor het jaar 2010 aan belanghebbende een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.675, en € 10 aan heffingsrente in rekening gebracht. 1.1.3. De inspecteur heeft met dagtekening 19 december 2014 voor het jaar 2011 aan belanghebbende een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.079, en € 8 aan heffingsrente in rekening gebracht. 1.1.4. De inspecteur heeft met dagtekening 20 februari 2015 voor het jaar 2012 aan belanghebbende een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.266, en € 6 aan belastingrente in rekening gebracht. 1.1.5. De inspecteur heeft met dagtekening 11 april 2015 voor het jaar 2013 aan belanghebbende een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.148. 1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraken van 31 augustus 2015 de aanslagen ib/pvv gehandhaafd. 1.3. De rechtbank heeft de beroepen van belanghebbende bij uitspraak van 4 oktober 2016 ongegrond verklaard. 1.4. Het hoger beroep van belanghebbende is door het Hof ontvangen op 14 november 2016. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2017. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2 Feiten 2.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak – waarin belanghebbende en de inspecteur zijn aangeduid als ‘eiseres’ respectievelijk ‘verweerder’ – de navolgende feiten vastgesteld: “1. Eiseres, geboren op [xxx] , is ongehuwd en woont samen met de heer [Y] , geboren op [xxx] . Eiseres heeft twee meerderjarige kinderen: [A] , geboren op [xxx] en [B] , geboren op [geboortedatum B] . [B] ( [B] ) woonde in de in geding zijnde jaren op het adres van eiseres. [B] heeft op [xxx] 2006 de 18-jarige leeftijd bereikt. 2. [B] is op 5 jarige leeftijd gaan tennissen en heeft deze sport 17 jaar beoefend. In 2011 is hij met deze sport gestopt vanwege een blessure. Ten aanzien van de in geding zijnde jaren heeft [B] in de aangiftes de volgende inkomsten met betrekking tot tennisactiviteiten aangegeven: 2009: ROW -/- € 4.358. 2010: ROW € 693. 2011: buitenlandse arbeidsinkomsten € 13.884 2012: buitenlandse arbeidsinkomsten € 31.056. 2013: [B] is niet uitgenodigd tot het doen van aangifte. Over de jaren 2009 en 2010 zijn bij aanslagregeling vragen gesteld over het in beide jaren aangegeven ROW, waarna de aangiftes zijn gevolgd. Ook de aangiftes over de jaren 2011 en 2012 zijn bij aanslagregeling gevolgd. 3. Eiseres heeft in 1996 bij ABN AMRO Bank een lening afgesloten tot een bedrag van fl. 3.000 (€ 1.361). In de jaren daarna is deze lening verhoogd en zijn nieuwe leningen afgesloten bij Santander en Interbank. Per 31 december 2012 bedraagt de totale schuld ter zake € 61.125. 4. Eiseres heeft in haar aangiftes over de jaren 2009 tot en met 2013 een netto resultaat uit ROW van nihil aangegeven: Jaren 2009 2010 2011 2012 2013 Bruto resultaat € 0 nvt nvt € 5.945 € 5.828 Kosten ROW € 0 nvt nvt € 5.934 € 5.828 Netto resultaat nihil nvt nvt nihil nihil 5. Eiseres heeft als