Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2017-10-10
ECLI:NL:GHAMS:2017:4167
GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.196.344/01 zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/588794 / HA ZA 15-554 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 oktober 2017 inzake [appellant] , wonend te [woonplaats 1] appellant, advocaat: mr. C.J.J.C. Arnouts te Amsterdam, tegen 1 [X] , wonend te [woonplaats 2] , 2. [X] Advocaten B.V. gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerden, advocaat: mr. H. Lebbing te Rotterdam. 1 Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellant] en (gezamenlijk) [X] c.s. genoemd. Geïntimeerde sub 1 zal afzonderlijk [X] worden genoemd. [appellant] is bij dagvaarding van 1 juli 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 april 2016 onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en [X] c.s. als gedaagden. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties; - memorie van antwoord. Partijen hebben de zaak ter zitting van 20 maart 2017 doen bepleiten, [appellant] door mr. J.D. Kraaikamp en F.M. de Smeth, beiden advocaat te Amsterdam en [X] c.s. door mr. M.B. Esseling, advocaat te Rotterdam, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. [appellant] heeft nog producties in het geding gebracht. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vorderingen van [appellant] zal toewijzen met hoofdelijke veroordeling van geïntimeerden in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente, alsmede tot terugbetaling van al hetgeen door [appellant] op grond van het bestreden vonnis is betaald of op hem verhaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling of verhaal. [X] c.s. hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 2 Feiten De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.20 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. [appellant] klaagt met zijn eerste grief dat de rechtbank niet alle door [appellant] in de dagvaarding en in de akte aangehaalde feiten heeft overgenomen en verzoekt het hof het volledige feitenkader bij zijn oordeel te betrekken. Deze grief kan niet slagen nu de rechtbank niet gehouden was tot het vaststellen van feiten anders dan die zij aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegd. Nu geen grief is gericht tegen de wel door de rechtbank vastgestelde feiten, zullen deze ook het hof als uitgangspunt dienen. Voor zover daarnaast andere, door [appellant] gestelde feiten voor de door het hof te nemen beslissing relevant blijken te zijn, komt het hof daarop later terug. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende. 2.1 [appellant] en zijn broer [Z] waren de vennoten van V.O.F. Tropische Markt Surima (hierna: de vof). [Z] is [in] 1999 overleden. Als gevolg van het overlijden van [Z] is de vof ontbonden. 2.2 Tot de nalatenschap van [Z] behoorde zijn aandeel in de vof. [appellant] heeft na het overlijden van [Z] overeenkomstig artikel 14 van de vennootschapsovereenkomst binnen drie maanden gebruik gemaakt van het recht om de zaken van de vennootschap alleen voort te zetten, onder de verplichting om de schulden van de vof voor zijn rekening te nemen en om aan (de erfgenamen van) [Z] uit te keren een bedrag ter grootte van het saldo van de rekening “kapitaal” van [Z] in het vermogen van de vennootschap. De erfgenamen van [Z] zijn zijn acht kinderen en [Y] (hierna: [Y] ). Tussen [appellant] en [Y] is op enig moment een geschil ontstaan over de waarde van het aandeel van [Z] in het vermogen van de vof, Zo waren partijen in de vaststellingsovereenkomst van 6 augustus 2001 overeengekomen en zo staat dat ook in de vennootschapsakte.” 2.10 Bij brief van 13 december 2004 heeft de rechtbank Amsterdam, onder verwijzing naar hetgeen [X] tijdens het op 13 mei 2004 gehouden pleidooi heeft verklaard, meegedeeld dat er geen sprake is van een misslag in rechtsoverweging 3.2 van het tussenvonnis van 23 juni 2004 en dat er geen reden is om op dat tussenvonnis terug te komen. Op 16 december 2004 heeft [X] die brief doorgezonden naar [appellant] . Die brief vermeldt, voor zover hier van belang het volgende: “(…) De rechtbank, zo blijkt uit deze brief wil niet op haar eerdere vonnis terugkomen. Dat is natuurlijk een tegenvaller. Zoals u weet staat er alleen hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank open, tegelijkertijd met het eindvonnis, wat zou betekenen dat wij eerst het eindvonnis van de rechtbank moeten afwachten, voordat wij tegen deze uitspraak in hoger beroep kunnen komen. Ik wil voorstellen om advies in te winnen bij een andere advocaat, een deskundige op het gebied van procesrecht, over de vraag hoe wij het beste met deze situatie kunnen omgaan. Graag hoor ik van u hoe u daar over denkt.” 2.11 Op 24 oktober 2005 heeft Dopheide een deskundigenbericht opgesteld. Dat deskundigenbericht vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende: “Overzicht herwaardering vrij van verhuur en gebruik. Na herwaardering van de panden (...) wordt de onderhandse verkoopwaarde per 30 maart 1999, vrij van huur en gebruik, door ondergetekende als volgt geschat: [adres 1] : € 300.000 (Hfl. 661.113) [adres 2] : € 190.000 (Hfl. 418.705) [adres 3] : € 387.000 (Hfl. 852.836) [adres 4] : € 430.000 (Hfl. 947.595)” 2.12 Bij kort gedingvonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 mei 2006 is [Y] c.s. in conventie onder meer veroordeeld om mee te werken aan de levering van de onroerende zaak [adres 5] aan [appellant] . Tevens is daarbij bepaald dat het vonnis acht dagen na de betekening in de plaats treedt van de voor de levering van de onroerende zaak [adres 5] bestemde notariële akte. In reconventie is [appellant] veroordeeld om mee te werken dat van een onder mr. S.L. Schram berustende saldo een bedrag van EUR 134.149.-, vermeerderd met rente, als voorschot wordt uitgekeerd ten gunste van [Y] c.s. op de kwaliteitsrekening van notaris mr. J.D. van der Beek. 2.13 Op 12 maart 2008 heeft de rechtbank Amsterdam in de bodemprocedure opnieuw een tussenvonnis gewezen. In dat tussenvonnis heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen en beslist: “ Rapport Dopheide (…) 2.3. Daartoe had de rechtbank overwogen (rechtsoverweging 3.2. van het tussenvonnis van 23 juni 2004) dat deze onroerende zaken van de vof in het taxatierapport van 26 juni 2002 in verhuurde staat waren gewaardeerd, terwijl partijen het erover eens waren dat de onroerende zaken in onverhuurde staat moesten worden gewaardeerd. 2.4. Na het deskundigenbericht van Dopheide heeft [appellant] bij antwoordakte na deskundigenbericht aangevoerd dat genoemde onroerende zaken van de vof ten onrechte zijn gewaardeerd in onverhuurde staat. Hij erkent dat hij eerder heeft gesteld dat deze onroerende zaken in onverhuurde staat moesten worden gewaardeerd, maar hij voert thans aan dat dat een vergissing was. Deze onroerende zaken moeten volgens hem worden gewaardeerd in de toestand waarin zij per april 1999 verkeerden en dat was in verhuurde staat of in staat van eigen gebruik, aldus [appellant] . 2.5. De rechtbank gaat aan dit standpunt van [appellant] voorbij. Het standpunt is in strijd met wat [appellant] eerder heeft aangevoerd. Immers bij conclusie van antwoord (...) heeft hij aangevoerd dat partijen zijn overeengekomen dat de onroerende zaken dienen te worden gewaardeerd op de vrije verkoopwaarde in onverhuurde staat per overlijdensdatum. Dit strookt met wat [Y] c.s. bij pleidooi hebben gesteld (...) maar ook met wat van de zijde van [appellant] in reactie daarop bij pleidooi is aangevoerd (zie proce De enkele stelling dat de mededeling in de conclusie van antwoord en tijdens het pleidooi op een vergissing berustte, vormt een onvoldoende rechtvaardiging voor het alsnog volgen van zijn koerswijziging in hoger beroep. De eerste grief in incidenteel appel faalt dan ook.” 2.19 Op 2 december 2014 heeft het gerechtshof in het hoger beroep eindarrest gewezen. Het gerechtshof heeft daarbij, rechtdoende in principaal en incidenteel appel, de vonnissen bekrachtigd waartegen beroep was ingesteld. Mr. Heerkens trad ten tijde van het eindarrest als de advocaat van [appellant] in die procedure op. 2.20 Op 26 oktober 2015 stond [Z] in het kadaster nog steeds geregistreerd als mede-eigenaar van de onroerende zaken [adres 1] , [adres 2] , [adres 3] en [adres 5] . 3 Beoordeling 3.1 [appellant] heeft in deze procedure hoofdelijke veroordeling van [X] c.s. tot schadevergoeding gevorderd ter hoogte van € 104.423,50, vermeerderd met rente, alsmede een verklaring voor recht dat [X] c.s. wanprestatie hebben gepleegd c.q. onrechtmatig hebben gehandeld en hoofdelijke veroordeling tot vergoeding van alle door [appellant] geleden en nog te lijden schade, alsook buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis geoordeeld dat de vordering deels verjaard is, en dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is om daarop een beroep te doen. Voor het overige heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen omdat [X] niet heeft gehandeld in strijd met hetgeen van een redelijk handelend redelijk bekwaam beroepsgenoot verwacht mocht worden. [appellant] is in de proceskosten veroordeeld. 3.2 Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met 13 grieven op. Grieven 2 tot en met 7 zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de vordering voor zover gebaseerd op de beroepsfout met betrekking tot de waardering van de onroerende zaken is verjaard en dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is om op die verjaring een beroep te doen. Grief 8 bepleit dat de verjaring tijdig is gestuit omdat [appellant] zijn beroepsfout heeft erkend. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking. 3.3 [appellant] verwijt [X] dat hij een beroepsfout heeft gemaakt door in de bodemprocedure voor de rechtbank Amsterdam het standpunt in te nemen dat de onroerende zaken van de vof in onverhuurde staat gewaardeerd dienden te worden. [appellant] stelt dat hij als gevolg daarvan met de erven van zijn broer heeft moeten afrekenen over een meerwaarde over de onroerende zaken die er in werkelijkheid niet was. Het verschil tussen de taxaties van de onroerende zaken van de vof in verhuurde en onverhuurde staat bedraagt volgens [appellant] € 208.847,-. [appellant] stelt dat hij daarom als gevolg van deze beroepsfout van [X] een bedrag van € 104.423,50 (50% van het verschil tussen de taxaties) teveel heeft betaald aan de erfgenamen van zijn broer. 3.4 [X] c.s. hebben zich primair op verjaring beroepen. De rechtbank heeft overwogen dat de verjaring is gaan lopen op 31 maart 2008. [appellant] stelt zich op het standpunt dat de verjaring pas is gaan lopen na het eindvonnis van 2 mei 2012. Daartoe voert hij aan dat in het tussenvonnis geen veroordeling tegen [appellant] is uitgesproken . Dat is eerst bij het eindvonnis gebeurd. [X] heeft na het tussenvonnis volgens [appellant] steevast verdedigd dat het tij nog gekeerd zou kunnen worden en dat zijn fout kon worden hersteld. Hij wijst op de bief die [X] na het tussenvonnis in het kader van de schikkingsonderhandelingen aan de advocaat van [Y] c.s. heeft geschreven. Daarin doet hij een voorstel voor waardering in verhuurde staat. [X] kan niet volhouden dat [appellant] op dat moment bekend was met de schade, aldus [appellant] . Voorts wijst hij op de brief van 16 december 2004 waarin [X] stelt dat het eindvonnis moet worden afgewacht. Ook hier wordt [X] gerustgesteld. Verder voert [appellant] aan dat op Hij betwist dat hij [appellant] heeft voorgehouden dat het tij nog te keren was, integendeel. Hij wijst daarbij op de brief van 16 december 2004 en op het feit dat hij, in bijzijn van [appellant] , zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar op de hoogte heeft gesteld. Die liet hem weten dat hij voor een aansprakelijkstelling moest zorgen en dat heeft [X] doorgegeven aan [appellant] , zo betoogt [X] . 3.8 Naar het oordeel van het hof kan het hierboven onder 3.5 weergegeven uitgangspunt onder omstandigheden uitzondering lijden als het gaat om een vordering van een benadeelde tegen zijn voormalig advocaat in het bijzonder in het geval de benadeelde pas achteraf is gebleken dat de advocaat jegens zijn cliënt is tekortgeschoten. Indien de advocaat zijn cliënt in dat geval onvoldoende heeft voorgelicht over de tekortkoming en de gevolgen daarvan, kan de conclusie gewettigd zijn dat een eventuele dwaling daarover door de cliënt voor risico van de advocaat te blijven en dat een beroep op verjaring door de advocaat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht. In het onderhavige geval doet zich die situatie evenwel niet voor, zoals zal blijken uit het hierna volgende. 3.9 Tussen partijen staat vast dat [X] van meet af aan openheid van zaken heeft gegeven over het feit dat hij een vergissing had begaan. Eveneens is, als hiervoor overwogen, voor [appellant] steeds helder geweest welke gevolgen deze vergissing voor hem zou hebben. Niet in geschil is verder dat [X] in bijzijn van [appellant] getelefoneerd heeft met zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar teneinde hem van een en ander op de hoogte te stellen. [appellant] heeft in ieder geval reeds hieruit kunnen opmaken dat [X] meende dat hij een fout had gemaakt en ook voor deze fout aansprakelijk kon worden gesteld. Of [X] dit met zoveel woorden heeft gezegd, zoals hij stelt en door [appellant] slechts in algemene bewoordingen is betwist, kan daarom verder in het midden blijven. 3.10 Anders dan [appellant] betoogt strekt de zorgplicht van een advocaat in het algemeen niet zover dat hij zijn cliënt tevens dient te wijzen op de mogelijke verjaring van een tegen hem in te dienen vordering. Een dergelijke verplichting vloeit in het algemeen ook niet voort uit de gedragsregels. Daartoe is mede redengevend dat verval- en verjaringsbepalingen in het algemeen de rechtspositie van de schuldenaar (in dit geval de advocaat) beogen te beschermen, en een waarschuwingsplicht die bescherming grotendeels ongedaan zou maken. Ook in het onderhavige geval kan een dergelijke verplichting niet worden aangenomen. Daartoe neemt het hof het hierna volgende in overweging. 3.11 Als gezegd moet worden aangenomen dat het [appellant] bekend was dat hij [X] aansprakelijk kon stellen. Dat heeft [appellant] niet gedaan en evenmin heeft hij te kennen gegeven dat hij dat wilde of overwoog. Partijen twisten erover of [X] [appellant] ook geadviseerd heeft om met betrekking tot de aansprakelijkstelling een andere advocaat in te schakelen. [X] stelt dat hij dat heeft gedaan. [appellant] betwist dat, en stelt dat [X] een dergelijk advies bovendien schriftelijk had moeten geven. Het hof kan weliswaar thans niet als vaststaand aannemen dat dit advies is gegeven, en zal daarom ervan uitgaan dat dit niet is gebeurd, maar anderzijds kon [appellant] in redelijkheid niet ervan uitgaan dat [X] een tegen hemzelf gerichte zaak zelf zou behandelen, zodat het voor de hand lag hiervoor een andere advocaat in te schakelen. Nadat [X] tevergeefs had geprobeerd de fout te herstellen en de rechtbank ertoe te bewegen het tussenvonnis van 2004 te herzien, heeft hij bovendien schriftelijk geadviseerd om advies in te winnen van andere advocaat. Daarop is [appellant] niet ingegaan. Na het eindvonnis van 12 mei 2012, waarin [appellant] werd veroordeeld tot betaling van een overbedelingsvergoeding, gebaseerd op de – hogere – taxatiewaarden, heeft [appellant] [X] laten weten te willen berusten in dat vonnis. Eerst De rechtbank heeft bij de bestreden beslissing overwogen dat [appellant] in het licht van het gemotiveerde verweer van [X] onvoldoende concreet heeft gemaakt dat [X] onvoldoende voortvarend heeft geprocedeerd en de vordering op deze grond afgewezen. [appellant] stelt ter toelichting op zijn grief dat de bodemprocedure bij dagvaarding van 16 mei 2003 is gestart en dat er pas op 2 mei 2012 een eindvonnis is gewezen. Van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat mag worden verlangd dat hij voortvarend procedeert en ook ervoor zorgdraagt dat zijn wederpartij hetzelfde doet. Dit geldt temeer indien het een geldvordering betreft, waarbij de wettelijke rente almaar oploopt. Volgens [appellant] blijkt uit hetgeen [X] aanvoert als verweer dat hij niet voortvarend heeft geprocedeerd. Bovendien stelt hij dat onnodig lang is geprocedeerd als gevolg van de onjuiste mededelingen van [X] over de waardering van de panden. [X] betwist gemotiveerd dat hem ter zake van de duur van de procedure een verwijt gemaakt kan worden. 3.16 Het hof stelt voorop dat het enkele feit dat de procedure negen jaren in beslag heeft genomen op zichzelf onvoldoende grond is voor de conclusie dat [X] een beroepsfout verweten kan worden. Het enkele feit dat [X] derhalve bij wijze van verweer een verklaring heeft gegeven voor een aantal perioden waarin de procedure stil heeft gelegen, brengt niet mee dat op [X] de bewijslast rust dat hij in die perioden wèl voortvarend heeft gehandeld. Het is immers aan [appellant] om zijn verwijt aan [X] , inhoudende dat deze niet heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend redelijk bekwaam advocaat onder de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht, in die bewuste periode te onderbouwen. [appellant] heeft dat niet in voldoende mate gedaan. Daartoe overweegt het hof als volgt. 3.17 [appellant] stelt allereerst dat de procedure vertraging heeft opgelopen als gevolg van de onjuiste mededeling van [X] over de waardering van de panden. De vertraging is evenwel juist het gevolg van de omstandigheid dat [X] heeft getracht om zijn eerder gemaakte beroepsfout te herstellen. [X] valt geen verwijt te maken dat hij heeft getracht de schade aldus te beperken. Nu [appellant] niet heeft gesteld dat [X] in dat kader onvoldoende voortvarend is opgetreden, faalt dit betoog. 3.18 Voorts stelt [appellant] dat in de periode van 31 oktober 2005 na ontvangst van het deskundigenbericht en de akte na deskundigenbericht van 9 mei 2007, anderhalf jaar is verstreken. [X] heeft toegelicht dat in die periode twee kort gedingen zijn gevoerd en dat tussen partijen schikkingsonderhandelingen plaatsvonden. [appellant] stelt daarop dat dit nog geen verklaring geeft voor de verstreken anderhalf jaar en dat het goed mogelijk is dat [X] door aan te dringen op een voorspoedig verloop van de hoofdprocedure druk had kunnen zetten op de kortgedingprocedures en de onderhandelingen. Als gezegd is het aan [appellant] om te stellen dat [X] in deze periode heeft gedaan of nagelaten wat een redelijk handelend redelijk bekwaam beroepsgenoot (niet) zou hebben gedaan. De enkele, niet nader toegelichte, noch onderbouwde stelling dat [X] mogelijk meer druk had kunnen uitoefenen op de onderhandelingen is onvoldoende om die conclusie op te kunnen baseren. Bovendien was na het deskundigenbericht duidelijk dat de hoofdprocedure op dat moment voor [appellant] niet in de gewenste richting verliep, zodat - zonder nadere toelichting - niet valt in te zien hoe dreiging met voortprocederen de andere partij tot het bereiken van overeenstemming had kunnen bewegen. 3.19 Het zelfde geldt voor de periode na het tussenvonnis van 12 maart 2008 en het opgeven van getuigen op 23 september 2009. Waar [X] dit tijdsverloop verklaart door – onbetwist – te stellen dat gedurende tien maanden is onderhandeld, volstaat [appellant] met de niet nader onderbouwde stelling dat [X] actief had moeten aansturen op een voor [appellant] gunstige uitkomst van het overleg. Wat hij daartoe had moeten doen Weliswaar zou [appellant] uiteindelijk wettelijke rente over het te betalen bedrag verschuldigd zijn, maar daar staat tegenover dat [appellant] mogelijk zelf rendement kon maken op dit bedrag, terwijl hij door betaling op dat moment een restitutierisico zou lopen. [X] kon de door hem gemaakte afweging dan ook in redelijkheid maken, zodat van een beroepsfout geen sprake is. 3.24 [appellant] heeft voorts na veroordeling in kort geding in 2006 een bedrag van € 134.149,- betaald. Niet weersproken is dat dit bedrag overeenkomt met het bedrag dat minimaal door [appellant] zou moeten worden betaald. Voor zover [appellant] stelt dat hij, indien hij zich bewust was geweest van de renteverplichting een (hoger) voorschot had betaald, had het op zijn weg gelegen om die stelling van nadere onderbouwing te voorzien. De grief faalt daarom. 3.25 Grief 11 ziet op de door [appellant] gestelde beroepsfout bestaande in het onjuist insteken van het hoger beroep in de zaak tegen [Y] c.s.. Volgens [appellant] heeft [X] in hoger beroep ten onrechte de focus gelegd op het feit dat hij een vergissing had gemaakt in eerste aanleg. Indien hij puur en alleen de vraag had voorgelegd of de rechtbank al dan niet terecht de onverhuurde staat als uitgangspunt had genomen, had het hof op zijn minst deze vraag moeten beantwoorden. En dan zou deze vraag ontkennend zijn beantwoord. [X] voert als verweer aan dat hij wel degelijk de vraag aan het hof heeft voorgesteld of de panden al dan niet in verhuurde staat zijn gewaardeerd. Voorts betoogt hij dat bij elke andere insteek het oordeel van het hof hetzelfde zou zijn geweest. 3.26 Het hof stelt voorop dat het enkele feit dat het hof in de zaak [Y] c.s. het standpunt van [appellant] (door [X] vertolkt) niet heeft gevolgd, op zichzelf niet de conclusie rechtvaardigt dat [X] een beroepsfout heeft gemaakt. Het is dan ook aan [appellant] om concreet te stellen waaruit de fout van [X] bestaat, meer in het bijzonder, wat een redelijk handelend en redelijk bekwaam beroepsgenoot in dezelfde omstandigheden had gedaan. Voorts is het aan [appellant] om zo concreet mogelijk te stellen hoe de procedure zou zijn verlopen als de beroepsfout achterwege was gebleven en het hof zou hebben beslist zoals hij dan had behoren te doen. (vgl HR 24 oktober 1997, NJ 1998, 257 (Baijings)). 3.27 Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] in dit licht onvoldoende gesteld. Uit de overgelegde stukken volgt onmiskenbaar dat [X] aan het hof heeft voorgehouden dat de panden gewaardeerd moesten worden in onverhuurde staat en dat dit tussen partijen was overeengekomen bij de vaststellingsovereenkomst van 6 augustus 2001. Evenzeer staat vast dat het hof heeft geoordeeld dat deze partijbedoeling niet op grond van de tekst van de vaststellingsovereenkomst kon worden aangenomen. Daarbij heeft het hof overwogen dat daarover bij herhaling ook namens [appellant] een andersluidend standpunt is ingenomen. Gelet op deze gang van zaken had het op de weg van [appellant] gelegen om concreet te stellen wat [X] op dit punt nog meer had moeten aanvoeren dat geleid zou hebben tot een andersluidend oordeel van het hof. Dat heeft [appellant] evenwel nagelaten. Hij heeft volstaan met de stelling dat te veel aandacht is besteed aan de vergissing in eerste aanleg. Dat is evenwel niet voldoende om de door hem gestelde conclusie op te kunnen baseren. Overigens valt zonder nadere toelichting ook niet eenvoudig in te zien hoe in dit verband de eerdere uitlatingen van [X] over de interpretatie van de vaststellingsovereenkomst buiten het debat hadden kunnen blijven. Ook deze grief faalt. 3.28 Grief 12 ziet op het verwijt dat [X] geen reconventionele vordering heeft ingesteld ter zake van het op naam van [appellant] zetten van de onroerende zaken. Nadat [appellant] had voldaan aan het vonnis van 2 mei 2012 hebben [Y] c.s. nagelaten medewerking te verlenen aan de levering van hun aandeel van de onroerende zaken aan [appellant] . [X] heeft een beroepsfout gemaakt door niet ervoo