Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2014-03-20
ECLI:NL:GHAMS:2014:2923
Strafrecht
Hoger beroep
2,108 tokens
Inleiding
parketnummer: 23-005683-13
datum uitspraak: 20 maart 2014
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 19 december 2013 in de strafzaak onder parketnummer 13-864101-13 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
adres: [adres].
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte is door kinderrechter in de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 maart 2014, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
1:hij op of omstreeks 15 januari 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een zwarte trui (merk: Polo Ralph Lauren) en/of een zwart vest (merk: Polo Ralph Lauren) en/of een beige muts (merk: Polo Ralph Lauren)(totale waarde 415 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf De Bijenkorf BV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s); 2:hij op of omstreeks 15 januari 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk drie, in elk geval een of meer trui(en) (merk: Polo Ralph Lauren) (totale waarde 375 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf De Bijenkorf BV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door de beveiligingslabels eruit te trekken, waardoor gaten in voornoemde een of meer trui(en) is/zijn ontstaan.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Ontvankelijkheid openbaar ministerie in de vervolging
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 6 maart 2014 aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Er is bijna een jaar verstreken tussen het eerste verhoor van de verdachte op 15 januari 2013 en het vonnis in eerste aanleg van 19 december 2013, terwijl de richtlijn van het openbaar ministerie bepaalt dat hier maximaal 180 dagen tussen mogen zitten. Het openbaar ministerie is gebonden aan die richtlijn, zodat ook sprake is van strijd met artikel 3 van het Internationale Verdrag voor de rechten van het Kind (hierna: IVRK), aldus de raadsman.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Tussen de aanvang van de redelijke termijn bij de aanhouding van de verdachte op 15 januari 2013 en het wijzen van het vonnis in eerste aanleg van 19 december 2013 zijn ruim 11 maanden verstreken. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, dat in geval van jeugdzaken de zaak in eerste aanleg binnen 16 maanden behoort te zijn afgedaan, is in het onderhavige geval naar het oordeel van het hof geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling in eerste aanleg. Het hof overweegt ten overvloede dat ook als er wel sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn, deze ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008, NJ 2008, 358, niet leidt tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in haar vervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen.
Het hof is voorts ten aanzien van de richtlijn van het openbaar ministerie van oordeel dat de richtlijn "Aanwijzing effectieve afdoening strafzaken jeugdigen" (Kalsbeeknorm) zich richt tot het openbaar ministerie teneinde, in het licht van de interne kwaliteit, een zaak tijdig op een zitting te kunnen laten behandelen. Het betreft aldus een zogenaamde instructienorm. Dit onderdeel van de aanwijzing leent zich niet naar inhoud en strekking ertoe jegens verdachte als rechtsregel te worden toegepast (zie Hoge Raad 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN2325). Mitsdien is geen sprake van strijd met artikel 3 van het IVRK.
Het hof is voorts van oordeel dat het openbaar ministerie in de periode gelegen tussen de aanhouding van de verdachte en het wijzen van het vonnis niet stil heeft gezeten, nu er een TOM-zitting (het hof begrijpt: Taakstraf OM-zitting, afgekort TOM-zitting) is geweest waarin de verdachte een werkstraf is aangeboden, die de verdachte niet heeft geaccepteerd.
Gelet op voorgaande zal het hof het verweer van de raadsman verwerpen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1:hij op 15 januari 2013 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een zwarte trui (merk: Polo Ralph Lauren) en een zwart vest (merk: Polo Ralph Lauren) en een beige muts (merk: Polo Ralph Lauren) (totale waarde 415 euro), toebehorende aan winkelbedrijf De Bijenkorf BV.
Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.
Vernietigt het vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen jeugddetentie.
Gelast de teruggave aan magazijn De Bijenkorf B.V. van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
1 1.00
STK Kleding Kl:zwart RALPH LAUREN (4451648)
2 1.00
STK Vest Kl:zwart RALPH LAUREN (4451651).
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.G.B. Heutink, mr. J.H.C. van Ginhoven en mr. J.H. de Graaf, in tegenwoordigheid van mr. E.C. van der Drift, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 maart 2014.
Mrs. Van Ginhoven en De Graaf zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.