Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2009-12-22
ECLI:NL:GHAMS:2009:BL9308
Civiel recht
Hoger beroep
2,926 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
VIJFDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
ARREST
in de zaak van:
[A],
wonende te [woonplaats],
APPELLANT in het principaal appel,
GEÏNTIMEERDE in het incidenteel appel,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, gevestigd te
Amsterdam,
t e g e n
de maatschap [ADVOKATENKANTOOR] ADVOCATEN,
gevestigd te Amsterdam,
GEÏNTIMEERDE in het principaal appel,
APPELLANTE in het incidenteel appel,
advocaat: mr. M.L. van der Meulen, gevestigd te Amsterdam,
Procesverloop
De partijen worden hierna aangeduid als [A] respectievelijk Kantoor [advocatenkantoor].
Bij dagvaarding van 11 juni 2008 is [A] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 13 maart 2008 van de kantonrechter te Amsterdam, onder kenmerk CV 07-2718 gewezen tussen Kantoor [advocatenkantoor] als eiseres in conventie / verweerster in reconventie en [A] als gedaagde in conventie / eiser in reconventie.
Bij memorie heeft [A] – onder verwijzing naar de appeldagvaarding - vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – de vorderingen van Kantoor [advocatenkantoor] zal afwijzen en die van [A] zal toewijzen, met veroordeling van Kantoor [advocatenkantoor] in de proceskosten in beide instanties.
Bij memorie heeft Kantoor [advocatenkantoor] geantwoord en van haar kant in incidenteel appel twee grieven tegen eerdergenoemd vonnis aangevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof het principaal appel zal verwerpen en in het incidenteel appel het vonnis zal vernietigen voorzover daarin de vordering van Kantoor [advocatenkantoor] is afgewezen en die vordering alsnog volledig zal toewijzen, met veroordeling van [A] in de proceskosten in beide instanties, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.
Vervolgens heeft [A] bij memorie in het incidenteel appel geantwoord en geconcludeerd dat het hof het incidenteel appel zal verwerpen, met veroordeling van Kantoor [advocatenkantoor] in de proceskosten.
Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.
Feiten
De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 30 augustus 2007 onder 1.1 tot en met 1.8 een aantal feiten vastgesteld. Daarover bestaat geen geschil zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.
Beoordeling
3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.
(i) Begin juli 2003 heeft [A] zich gewend tot mr. [vennoot i] (hierna: [vennoot i]), die als advocaat is verbonden aan het Kantoor [advocatenkantoor]. [A] heeft [vennoot i] gevraagd om hem rechtsbijstand te verlenen.
(ii) Vanwege de afwezigheid van [vennoot i] heeft [A] zich korte tijd later gewend tot de kantoorgenoot van [vennoot i], mr. [vennoot ii] (hierna: [vennoot ii]), met het verzoek hem bij te staan in een spoedeisende kwestie.
(iii) Kantoor [advocatenkantoor] heeft [A] tot en met december 2003 rechtsbijstand verleend.
(iv) Op enig moment heeft [A] gevraagd of hij op basis van een toevoeging gebruik zou kunnen maken van de diensten van Kantoor [advocatenkantoor]. Op 24 oktober 2003 heeft [vennoot ii] ten behoeve van [A] een toevoeging aangevraagd bij de Raad voor de Rechtsbijstaand. Deze heeft op 3 november 2003 de verzochte toevoeging verleend.
(v) Kantoor [advocatenkantoor] heeft een viertal declaraties aan [A] gezonden:
- de declaratie van 13 augustus 2003 gericht tot “De heer [A] p/a [CV C.V.]” ten bedrage van € 359,98, welk bedrag is voldaan door [CV C.V.];
- de declaratie van 23 september 2003 gericht tot “De heer [A] p/a [CV C.V.]” ten bedrage van € 67,43, welk bedrag is voldaan door [A] zelf;
- de declaratie van 14 oktober 2003 gericht tot “De heer [A] p/a [CV C.V.]” ten bedrage van € 615,23, welk bedrag is voldaan door [CV C.V.];
- de declaratie van 4 november 2003 gericht tot “De heer [A] p/a [CV C.V.]” ten bedrage van € 3.469,24, waarvan een bedrag van € 1.500,- is voldaan door de werkgever van [A] (bij wijze van voorschot op het loon van [A]).
3.2 In deze procedure vordert Kantoor [advocatenkantoor] betaling van een bedrag van € 1.969,24 aan hoofdsom, te weten het bedrag dat nog niet is voldaan op de declaratie van 4 november 2003. Voorts worden buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente gevorderd.
3.3 [A] vordert in reconventie terugbetaling van de aan Kantoor [advocatenkantoor] betaalde bedragen, te weten € 359,98 + € 615,23 + € 67,43 + € 1.500,-. Voorts is [A] van mening dat Kantoor [advocatenkantoor] hem een bedrag van € 390,39 moet betalen. Dat bedrag heeft Kantoor [advocatenkantoor] ten behoeve van hem ontvangen maar nimmer doorbetaald, aldus [A].
3.4 [A] voert het volgende aan. Kantoor [advocatenkantoor] heeft [A] bij aanvang van de werkzaamheden op geen enkele wijze geattendeerd op de mogelijkheid van de door de overheid gefinancierde rechtshulp. Dit is volgens [A] in strijd met artikel 24 van de gedragsregels voor advocaten (hierna: de gedragsregels), waarin het volgende is bepaald:
1. Tenzij een advocaat goede gronden heeft om aan te nemen dat zijn cliënt niet in aanmerking kan komen voor door de overheid gefinancierde rechtshulp, is hij verplicht met zijn cliënt bij het begin van de zaak en verder telkens wanneer daartoe aanleiding bestaat, te overleggen of er termen zijn om trachten door de overheid gefinancierde rechtshulp te verkrijgen.
2. De advocaat zal voor de behandeling van een zaak waarin hij is toegevoegd voor zijn werkzaamheden geen vergoeding, in welke vorm dan ook, bedingen of in ontvangst nemen, afgezien van eigen bijdrage en verschotten volgens de daarvoor geldende regels.
3. Wanneer de cliënt mogelijk in aanmerking komt voor door de overheid gefinancierde rechtshulp en niettemin verkiest daarvan geen gebruik te maken, dient de advocaat dat schriftelijk vast te leggen.
3.5 Kantoor [advocatenkantoor] heeft zich op het volgende standpunt gesteld. [Vennoot i] heeft [A] destijds uitdrukkelijk erop gewezen dat hij in aanmerking kwam voor een toevoeging, maar dat [vennoot i] de zaak enkel op betalende basis in behandeling zou nemen. [A] heeft daarin uitdrukkelijk toegestemd en partijen zijn toen overeengekomen dat de rechtsbijstand zou worden verleend tegen het toen geldende uurtarief van [vennoot i]. [A] heeft te kennen gegeven dat zijn voormalige levenspartner, mevrouw [M], door middel van haar commanditaire vennootschap [CV C.V.] voor de betaling van de declaraties zou zorg dragen. Toen [vennoot ii] – in verband met de vakantie van [vennoot i] – de zaak overnam heeft [A] [vennoot ii] op de hoogte gesteld van hetgeen hij met [vennoot i] had besproken, en dus ook dat het afgesproken uurtarief aan [CV C.V.] kon worden gedeclareerd. Begin oktober 2003 heeft [A] verzocht of de declaratieafspraak zou kunnen worden gewijzigd; [A] wilde op basis van een toevoeging gebruik gaan maken van de diensten van Kantoor [advocatenkantoor]. [vennoot ii] heeft daarin toegestemd, met dien verstande dat de oude afspraak in stand zou blijven tot het moment waarop de toevoeging zou worden verleend. [A] heeft daarmee ingestemd, aldus Kantoor [advocatenkantoor].
3.6 De kantonrechter heeft Kantoor [advocatenkantoor] toegelaten tot het bewijs van de door haar gestelde inhoud van de gesprekken. Hierop heeft Kantoor [advocatenkantoor] als getuigen laten horen: [vennoot i] en [vennoot ii]. In de contra-enquête is [A] als getuige gehoord.
3.7 Daarop heeft de kantonrechter geoordeeld dat Kantoor [advocatenkantoor] was geslaagd in het bewijs dat bij de aanvaarding van [A]’s opdracht met hem is gesproken over de mogelijkheid van een toevoeging, maar dat [A] er toen niettemin voor heeft geopteerd zijn zaak tegen betaling te laten behandelen. Dit betekent, aldus de kantonrechter, dat de vordering van [A] niet voor toewijzing in aanmerking komt; deze vordering heeft de kantonrechter dan ook afgewezen. Ten aanzien van de vordering van Kantoor [advocatenkantoor] is de kantonrechter van oordeel dat deze slechts gedeeltelijk voor toewijzing in aanmerking komt: omdat aan te nemen valt dat [A] zijn verzoek om een toevoeging op 9 oktober 2003 heeft gedaan acht de kantonrechter het redelijk dat alle na 9 oktober 2003 verrichte werkzaamheden onder de toevoeging vallen. Dat brengt mee dat [A] op de declaratie van 4 november 2003 nog een bedrag van € 240,05 heeft te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente. De door Kantoor [advocatenkantoor] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn niet toegewezen.
3.8 De grieven I en III in het principaal appel – in gezamenlijk verband gelezen - strekken ten betoge dat de kantonrechter – mede gelet op de voor Kantoor [advocatenkantoor] geldende gedragsregels – niet tot de conclusie had kunnen komen dat het kantoor was geslaagd in het haar opgedragen bewijs. [A] wijst onder meer erop dat Kantoor [advocatenkantoor] in strijd heeft gehandeld met artikel 24 lid 3 van de gedragsregels door de afspraak die zij stelt in juli 2003 met [A] te hebben gemaakt niet schriftelijk vast te leggen.
3.9 Het hof overweegt hierover als volgt. Geconstateerd kan worden dat de door [A] bedoelde gedragsregels dienen ter bescherming van de belangen van cliënten, in die zin dat er voor gewaakt dient te worden dat zij te gemakkelijk afstand doen van het aan hen mogelijk toekomende recht op gefinancierde rechtsbijstand. Er bestaat voor een advocaat dan ook een zorgplicht die inhoudt dat deze zijn cliënt indringend behoort te wijzen op de mogelijkheid een toevoeging aan te vragen en op de (financiële) gevolgen die zijn verbonden aan de beslissing om af te zien van een dergelijke aanvraag.
3.10 Het hof is (nog) niet ervan overtuigd dat Kantoor [advocatenkantoor] (door middel van getuigenbewijs) heeft bewezen dat zij [A] – zoals zij stelt – in juli 2003 uitdrukkelijk heeft gewezen op de mogelijkheid van een toevoeging en dat [A] daarmee uitdrukkelijk heeft ingestemd in de wetenschap wat de (financiële) gevolgen voor hem zouden zijn. De verklaringen van [vennoot i] en [vennoot ii] zijn op dat punt niet voldoende specifiek. In het bijzonder blijkt daaruit niet dat [A] afdoende is gewaarschuwd voor de gevolgen van zijn beslissing om af te zien van een toevoeging.
3.11 Wat betreft de declaraties van € 359,98 (13 augustus 2003) en € 615,23 (14 oktober) 2003 merkt het hof nog het volgende op. Deze declaraties zijn niet voldaan door [A] zelf, maar door Aristalingua.
Dictum
Het hof:
gelast partijen (in persoon), vergezeld van hun raadslieden, tot het hiervoor omschreven doel te verschijnen ten overstaan van mr. C.A. Joustra, daartoe als raadsheer-commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, Prinsengracht 436 te Amsterdam, op donderdag 25 februari 2010 om 9.30 uur;
verzoekt partijen, voorzover zij zich ter comparitie willen bedienen van nog niet in deze procedure overgelegde schriftelijke stukken, deze uiterlijk veertien dagen voor de comparitiedatum toe te zenden aan genoemde raadsheer-commissaris, onder gelijktijdige toezending van een afschrift aan de wederpartij;
bepaalt dat, indien (één van) betrokkenen op die datum is verhinderd, de advocaat van [A] op de rol van dinsdag 19 januari 2010 schriftelijk dient te verzoeken een nieuwe datum te bepalen, onder overlegging van de verhinderdata van alle betrokkenen in de maanden maart, april en mei 2010;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.B.C.M. van der Reep, C.A. Joustra en E.J.H. Schrage en in het openbaar uitgesproken op 22 december januari 2010 door de rolraadsheer.