Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 1999-10-08
ECLI:NL:GHAMS:1999:AA7943
P97/1991 GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Vierde Meervoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep van X te Z, belanghebbende, tegen een uitspraak van Dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht, verweerder. 1. Loop van het geding Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 6 juni 1997. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van verweerder, gedagtekend 29 april 1997, betreffende de aan belanghebbende opgelegde - met een aanslag ingezetenenomslag op één aanslagbiljet verenigde - aanslag waterschapsomslag ongebouwd voor het jaar 1995. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en van de aanslag. Verweerder heeft geen vertoogschrift ingediend. Ter zitting van de Elfde Enkelvoudige Belastingkamer van 23 juni 1998 zijn verschenen gemachtigde van belanghebbende alsmede verweerder. Voorafgaande aan deze zitting heeft verweerder aan belanghebbende en aan het Hof een pleitnota, gedagtekend 19 juni 1998, met bijlagen toegezonden. Op deze zitting zijn, met instemming van partijen, de zaken welke bij het Hof zijn geadministreerd onder de nummers 97/1911, 97/1926, 97/1927, 97/1928, 97/1955, 97/2001, 97/2014, 97/2034, 97/2036 en 97/2040 gezamenlijk behandeld. De belastingplichtigen in deze zaken worden hierna, tezamen met belanghebbende, aangeduid als belanghebbenden. Tijdens deze zitting zijn door de gemachtigde van belanghebbende en door de gemachtigde in de zaken met de rolnummers 97/1926 en 97/2040 pleitnota’s overgelegd en voorgedragen. Voorts heeft de gemachtigde van belanghebbende een brief van 6 augustus 1992 van het hoogheemraadschap Amstel en Vecht en gericht aan een der belanghebbenden overgelegd. Verweerder heeft van deze brief kennis kunnen nemen en heeft zich daarover kunnen uitlaten. Al deze stukken worden tot de gedingstukken gerekend. Na de zitting is door het Hof aan partijen een geanonimiseerde uitspraak van het Hof, gedagtekend 27 februari 1998, kenmerk P96/2736, ter kennisname toegezonden. Bij brief van 19 oktober 1998, met vier bijlagen, zijn door verweerder aan het Hof nadere inlichtingen verstrekt, welke in afschrift aan belanghebbenden zijn gezonden. Daarop is gereageerd bij brief van 10 december 1998, met vijf bijlagen. Afschriften daarvan, met uitzondering van de kaartbijlagen 4 en 5 op toezending waarvan verweerder geen prijs stelde, zijn aan verweerder toegezonden. Na verwijzing naar de meervoudige belastingkamer zijn de vorengenoemde zaken opnieuw behandeld ter zitting van 12 maart 1999 te Hilversum van de Vierde Meervoudige Belastingkamer. Op deze zitting zijn aan de gezamenlijke behandeling toegevoegd de zaken welke bij het Hof zijn geadministreerd onder de nummers 97/2009, 97/2042, 97/2043, 97/2044, 97/2048, 97/2050, 97/2052, 97/2054, 97/2056, 97/2058, 97/2059, 97/2060, 97/2062, 97/2064, 97/2066, 97/2067, 97/2068, 98/849 en 98/2287. Ook deze belastingplichtigen zijn hierna aangeduid als belanghebbenden. Alle gezamenlijk behandelde zaken hebben betrekking op dezelfde problematiek. De in die zaken overgelegde stukken worden geacht in alle gezamenlijk behandelde zaken te zijn overgelegd. Ter zitting zijn verschenen de vorengenoemde gemachtigde van belanghebbende, alsmede verweerder. Ter zitting zijn overgelegd en voorgedragen drie tot de gedingstukken te rekenen pleitnota’s namens belanghebbenden, alsmede een namens verweerder. Na de zitting van 12 maart 1999 heeft een briefwisseling met partijen plaatsgevonden waarbij de artikelen 14 en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken toepassing hebben gevonden. 2. Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. De onroerende zaak van belanghebbende waarop de aanslag betrekking heeft, is gelegen binnen het beheersgebied van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht. Dit hoogheemraadschap is de rechtsopvolger van het hoogheemraadschap Amstel en Vecht, welk hoogheemraadschap de aanslag heeft opgelegd. Het hoogheemraadschap Amstel 120, vijfde lid, van de Waterschapswet dient door middel van het instellen van omslagklassen te worden voorkomen dat er binnen een omslagplichtige categorie ten gevolge van die verschillen onevenredig voor- of nadeel ontstaat voor de omslagplichtigen. De door het algemeen bestuur van uw hoogheemraadschap vastgestelde omslagklassenverordening voorziet in de instelling van twee klassen. Tot klasse 1 behoort het gebied buiten de plassen en tot klasse 2 behoort het gebied van de plassen, zoals aangeduid op de bij de verordening behorende kaart. Uit de stukken is ons gebleken dat er een groot verschil in kosten van het waterbeheer bestaat tussen enerzijds het gebied met diep gelegen polders en anderzijds het hoger gelegen Vechtgebied. Wij menen dat zich hier een situatie voordoet die door middel van het instellen van omslagklassen gecorrigeerd dient te worden. Ons bezwaar tegen de omslagklassenverordening en de daarin aangegeven klasse-indeling houdt derhalve in dat er geen klassen zijn ingesteld die voorzien in een zodanige correctie. Wij vertrouwen erop dat u op basis van deze brief kunt toezeggen dat u er zich bij de voorbereiding van de omslagregelingen voor het in de regio Amstel, Gooi en Vecht per 1 januari 1997 in te stellen all-in waterschap voor zult inspannen dat de voor het gebied van dat waterschap op te stellen omslagklassenverordening een zodanige klasse-indeling bevat dat aan het hiervoor weergegeven bezwaar wordt tegemoet gekomen.". Op die brief is door het genoemde hoogheemraadschap bij brief van 25 april 1995 als volgt gereageerd: "Tijdens het bestuurlijk overleg van 20 april jl. is afgesproken dat ons college zich ten spoedigste omtrent uw standpunt zou beraden. Aan de hand van het per fax ontvangen kopie van uw brief van 24 april jl. is dit heden geschied. Vooraf merken wij op nog steeds van mening te zijn dat onze omslagklassenverordening de grenzen van onze beleidsvrijheid niet overschrijdt. Wij moeten echter langdurige onzekerheid over de verzending van onze belastingaanslagen vermijden. Derhalve zeggen wij u, uitgaande van uw nog te ontvangen goedkeuring van onze ingezonden belastingverordeningen toe de in uw brief van 24 april jl. gevraagde inspanning te zullen leveren.". 2.3.3. Bij de totstandkoming van het nieuwe hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (verweerder) is een nieuwe omslagklassenverordening vastgesteld met ingang van 1 januari 1997, welke gebaseerd is op een nieuw kostentoedelingsonderzoek. Op grond daarvan zijn de omslagklassen gehandhaafd en is de reductiefactor teruggebracht tot 0,7. 3. Verordeningen 3.1. Op 14 december 1994 heeft het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap Amstel en Vecht een kostentoedelingsverordening, een omslagklassenverordening en een omslagverordening vastgesteld. De eerste twee verordeningen zijn goedgekeurd door de Gedeputeerde Staten van de provincies Utrecht, bij besluit van 16 mei 1995 met nummer 95440146 en Noord-Holland, bij besluit van 30 mei 1995 met nummer 95-513055. De verordeningen zijn gepubliceerd in onder meer het Goois Weekblad van 15 juni 1995. 3.2. De kostentoedelingsverordening houdt, voorzover van belang, het volgende in: artikel I begripsbepalingen Deze verordening verstaat onder: a. kosten: kosten, zoals opgenomen in de begroting naar kostendragers van het hoogheemraadschap en voorzover deze gedekt worden met behulp van omslagen; b. zakelijk gerechtigden ongebouwd: degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken; c. enz. artikel 2 taken en taakonderdelen Toedeling van de kosten geschiedt per taak of taakonderdeel, waarvoor in de begroting van het hoogheemraadschap een kostendrager is opgenomen: a. waterkeringen: - hoofdwaterkeringen; - boezemwaterkeringen; - overige waterkeringen; b. waterkwantiteitsbeheer: - hoofd aan- en afvoersysteem; - detailwatersysteem; c. vaarwegen. artikel 3 belanghebbenden en belanghebbende gebieden 1. De kosten van een taak of taakonderdeel worden toegedeeld a Indien de oppervlakte van een ongebouwde onroerende zaak niet in de kadastrale registratie staat vermeld, stelt het dagelijks bestuur deze door middel van meting of schatting vast. Tarieven ongebouwd Artikel 6 Het tarief ongebouwd wordt uitgedrukt in een bedrag per hectare. Enz. 4. Geschil Belanghebbende stelt dat het het hoogheemraadschap Amstel en Vecht niet vrijstond in de verordeningen met betrekking tot de heffing van omslag voor het jaar 1995 geen rekening te houden met het Plassencontract voor wat betreft de hoogte van de omslag ongebouwd voor de onder 2.2.2 genoemde gebieden, althans niet zonder een behoorlijke overgangsregeling. Verweerder weerspreekt die stelling. Belanghebbende stelt voorts dat door het ontbreken van classificatie in verband met het Plassencontract de omslagverordening in strijd is met artikel 120, vijfde lid (tekst voor het jaar 1995) van de Waterschapswet en daardoor onverbindend is. Verweerder betwist die stelling eveneens. 5. Standpunten van partijen Het Hof verwijst daarvoor naar de gedingstukken. 6. Beoordeling van het geschil 6.1.1. De ingevolge het Plassencontract ten laste van de gemeente Amsterdam komende bemalingskosten van een gedeelte van het beheersgebied van verweerder maken daardoor geen deel uit van de kosten die zijn verbonden aan de behartiging van taken die aan het hoogheemraadschap zijn opgedragen in de zin van artikel 116 van de Waterschapswet, maar dit neemt naar het oordeel van het Hof niet weg dat de bemaling van het gehele beheersgebied behoort tot de aan het hoogheemraadschap ter behartiging opgedragen taken. Uiteraard wordt daardoor het totaal van de wel ten laste van het hoogheemraadschap Amstel en Vecht komende kosten van bemaling lager en daarmee - naar verweerder onweersproken heeft gesteld - de kosten van de taak detailwaterbeheer. De kosten van de taak detailwaterbeheer worden blijkens artikel 5, tweede lid van de Kostentoedelingsverordening 1995 voor 30% toegedeeld aan de ingezetenen, voor 36% aan de zakelijk gerechtigden gebouwd en voor 34% aan de zakelijk gerechtigden ongebouwd. 6.1.2. Met de onder 6.1.1 vermelde kostentoedeling heeft het hoogheemraadschap Amstel en Vecht naar ‘s Hofs oordeel op juiste wijze uitvoering gegeven aan het bepaalde in artikel 119 van de Waterschapswet. Met name staat het bepaalde in het zesde lid van dat artikel niet toe om de kosten van de aan het hoogheemraadschap opgedragen taak detailwaterbeheer, voorzover deze bestaan uit kosten van bemaling, niet toe te rekenen aan een deel van de categorieën van belanghebbenden, bedoeld in artikel 11, tweede lid van de Waterschapswet, van wie de onroerende zaken of het ingezetenschap zich bevinden binnen het door het Plassencontract bestreken gebied. Dit zou anders kunnen zijn indien de bemalingstaak voor dat gebied aan een andere instantie zou zijn opgedragen. Aan de in casu bestaande onmogelijkheid om een deel van de categorieën van belanghebbenden buiten de omslagheffing te houden doet niet af dat belanghebbende in voorafgaande jaren wel een reductie heeft genoten op de hoogte van de omslag. Dit geschiedde echter op grond van een verordening welke niet getoetst kon worden aan de Waterschapswet en in een situatie dat de omslagen nog niet werden geheven van ingezetenen. 6.1.3. Belanghebbende heeft zich op dit punt ook beroepen op een uitlating van de bij de fusiebesprekingen aanwezige gedeputeerde van het College van Gedeputeerde Staten van de Provincie Utrecht. Deze uitlating zou hebben ingehouden dat de kosten van de nieuwe organisatie circa 15% lager zouden kunnen zijn. Op grond van deze uitlating zouden vele bezwaren tegen de nieuwe organisatie zijn ingetrokken. De verhoging van de omslagen met 400% is daarom in strijd met het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Het Hof verwerpt deze stelling omdat de verwachtingen omtrent de mogelijke verlaging van het totaal van de kosten van de nieuwe organisatie juist kunnen zijn, ook bij een stijging van 400% van de omslag ongebouwd vo