Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 1998-07-31
ECLI:NL:GHAMS:1998:AK3505
DE TARIEFCOMMISSIE Uitspraak in de zaak nr. 0242/95 TC de dato 31 juli 1998 1. De procedure 1.1. Op 19 mei 1993 is een beroepschrift ingekomen van X B.V. te Y, belanghebbende. Het beroep is gericht tegen het als "uitspraak op een bezwaarschrift" getitelde stuk van de inspecteur der invoerrechten en accijnzen (de inspecteur) van 27 april 1993, nummer 1.4.3/93.4533, waarbij het verzoek van belanghebbende betreffende ambtelijke verrichtingen ter zake van een aangifte ten uitvoer wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is verklaard. 1.2. De Secretaris heeft bij brief van 19 mei 1993 het beroepschrift naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven (het College) doorgezonden, met het verzoek de behandeling over te nemen. Het beroepschrift is bij het College op 24 mei 1993 ingekomen. De behandeling van het College is geëindigd bij uitspraak van 11 oktober 1995, waarbij belanghebbende (aldaar verzoekster genoemd) niet-ontvankelijk in haar beroep wegens onbevoegdheid van het College is verklaard en aan de griffier is opgedragen het dossier aan de Tariefcommissie terug te zenden. Daarop is het dossier bij de Tariefcommissie in behandeling genomen. 1.3. Van belanghebbende is door de Secretaris een griffierecht van f 150,-- geheven. De inspecteur heeft - na enig uitstel waarmee de Tariefcommissie had ingestemd - een vertoogschrift ingediend. 1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 4 februari 1997. Daar zijn verschenen namens belanghebbende F. X en namens de inspecteur mr. J. 1.5. Na de zitting heeft de Tariefcommissie bij brief van 9 april 1998 bij de inspecteur nog enige inlichtingen ingewonnen. De inspecteur heeft die inlichtingen in zijn brief van 21 april 1998 verstrekt. Belanghebbende heeft daarop geen schriftelijke reactie ingediend. Belanghebbende (op 2 juni 1998) en de inspecteur (op 28 mei 1998) hebben schriftelijk te kennen gegeven geen gebruik te willen maken van de hen geboden gelegenheid hun standpunten nog nader mondeling toe te lichten. 1.6. De inspecteur heeft bij brief van 21 april 1998 toestemming tot prorogatie verleend. 2. De vaststaande feiten 2.1. Op 19 november 1992 heeft belanghebbende aangifte ten uitvoer met bestemming Zweden gedaan van "2340 kartons Edamkaas 40% vet in de droge stof, vochtgehalte berekend op de vetvrije kaasmassa van niet meer dan 62%" met een nettogewicht van 18.070 kilogram. Bij de aangifte is met het oog op verkrijging van restitutie van landbouwheffingen een uitvoerformulier L(F) nr. Z ...14 overgelegd. De controlerend ambtenaar is in het bijzijn van de heer X en een personeelslid van belanghebbende tot grondige opneming (weging) van de goederen overgegaan. De weging geschiedde met een door belanghebbende beschikbaar gestelde electronische weegschaal, en vond plaats in het koelhuis van A B.V. te W. Er zijn blijkens het weegbriefje van de verschillende soorten Edamkaas (Edamkaas 40% FDM Balls, Baby Edamkaas 40% FDM en Baby Gouda 48% FDM) in totaal 23 kartons gewogen. De ambtenaar heeft de aangifte ten uitvoer voor "conform" afgetekend, waarop de goederen onder dekking van het exemplaar nummer 3 van de aangifte naar het laatste kantoor zijn vervoerd. 2.2. Nadien heeft de ambtenaar buiten de aanwezigheid van de hiervoor genoemde personen en zonder dat deze daarover werden ingelicht van elke kaassoort het gemiddelde nettogewicht per karton berekend en dit gemiddelde gewicht vermenigvuldigd met het aantal kartons per kaassoort. Het berekende gewicht bedroeg 197 kilo minder dan het aangegeven gewicht. Dit is aangeduid door de vermelding "+vak 38: 17.873" op voormeld formulier L(F) Z ....14, welk formulier met het oog op betaling van de restitutie aan het Produktschap voor Zuivel (het Produktschap) is gezonden. De ambtenaar heeft van het resultaat van de monsterneming geen mededeling aan belanghebbende gedaan. 2.3. Op 10 februari 1993 heeft het Produktschap een restitutie verleend voor 17.873 kilogram. 2. Bezwaar had dus ingediend moeten worden bij de restitutie verlenende instantie, in casu het Produktschap. Het College is bijgevolg de bevoegde beroepsinstantie. Het beroep dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat de Tariefcommissie niet bevoegd is in dezen te oordelen. 5.2. Een belanghebbende kan tegen een monsterneming in het geweer komen door hetzij binnen 24 uur om heropneming te verzoeken (artikel 67, lid 4, AWDA), hetzij in het geschil met de ambtenaar een beslissing van de inspecteur in te roepen (artikel 89 AWDA), welke laatste beslissing op verzoek (artikel 99, tweede lid, AWDA) in een voor bezwaar vatbare beschikking kan worden omgezet. Daarnaast kan een belanghebbende in bezwaar komen tegen de uitbetaling van restitutie door het Produktschap, waarna tegen diens uitspraak beroep op het College openstaat. 5.3. De brief van 2 maart 1993 had moeten worden beschouwd als een verzoek om de beslissing van de inspecteur in te roepen in het geschil over de wijze van monsterneming. Hoewel hiervoor geen termijn is gesteld moet de aangever dit logischerwijs doen voordat de goederen worden weggevoerd. Nu de goederen direct zijn weggevoerd, dient de uitkomst van de grondige opneming als grondslag voor het bepalen van de hoogte van de restitutie te dienen. In het onderhavige geval hebben zich bij de grondige opneming geen onjuistheden of onregelmatigheden voorgedaan. Belanghebbende kan ook niet aantonen wat dan wel het precieze gewicht van de goederen is geweest. 5.4. Belanghebbende is bij de weging aanwezig geweest en heeft dus gezien dat er slechts een aantal kazen is gewogen. Belanghebbende is er uiteraard van op de hoogte dat de kazen een verschillend gewicht hadden en zij had dan ook moeten begrijpen dat het gemiddeld gewicht van de genomen monsters over de hele partij zou worden omgeslagen. De genomen monsters zijn representatief voor de gehele partij. 5.5. De met belanghebbende gemaakte afspraak omtrent de wijze van monsterneming van 25 maart 1993 houdt in dat in de toekomst bij de monsterneming een aantal kazen worden gewogen en vergeleken met de wichtlijsten. Die afspraak kan niet met terugwerkende kracht op de onderwerpelijke monsterneming worden toegepast, omdat bij de weging de nummers van de kazen niet zijn genoteerd en dus geen relatie met de wichtlijsten kon worden gelegd. 6. De rechtsoverwegingen 6.1. De ontvankelijkheid 6.1.1. Tegen de achtergrond van de sub 2.1. en 2.2. vermelde feiten moet belanghebbendes brief van 2 maart 1993 worden verstaan als een protest tegen de wijze van monsterneming en als een verzoek aan de inspecteur om in het geschil te beslissen als bedoeld in artikel 89, lid 2, van de Wet inzake de douane (WD). De daarop gevolgde "uitspraak" van de inspecteur moet dan worden aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 99, lid 2, WD. Belanghebbende heeft haar verzoek gedaan zodra zij kennis kreeg van de uitslag van de verificatie. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat belangheb-bendes verzoek wegens termijnoverschrijding niet ontvankelijk is geweest. Ook de omstandigheid dat de goederen inmiddels reeds waren weggevoerd kan niet tot dit oordeel leiden. 6.1.2. Zoals eerder het College in zijn sub 1.2. vermelde uitspraak heeft overwogen, laat de omstandigheid dat in casu de verificatie van de aangifte aan de belastingdienst is opgedragen bij artikel 3 van de In- en uitvoerbeschikking landbouwgoederen 1981 onverlet dat op die verificatie de bepalingen van de WD van toepassing zijn en dat de Tariefcommissie op grond van de artikelen 108, lid 1, letter c, juncto artikel 109 van de WD (oud) bevoegd is van dit geschil kennis te nemen. 6.1.3 Uit het vorenoverwogene volgt, mede gelet op het sub 1.6. vermelde, dat de Tariefcommissie in casu een oordeel zal geven over de door belanghebbende geuite bezwaren tegen de vaststelling door de ambtenaren van het gewicht van de kazen. 6.2. De weging van de kazen 6.2.1 Ingevolge artikel 67, lid 1, AWDA, zo